Op vakantie van reizen in Udaipur
Udaipur – India 2000
Udaipur is een super relaxed stadje. Het is een stadje waar ik na 2 maanden ‘on the road’ geweest te zijn, een weekje vakantie neem van ‘op reis’ zijn. Met een beetje lezen, lekker eten, veel wandelen langs halfopgedroogde meren en droge bergen, veel oude tempels bezoeken, breng ik een week in en rondom Udaipur door.
Mijn hotelletje, Pahadi Palace, ligt net even buiten de stad met een prachtig uitzicht over een kleiner meertje, Swaroop Sagar waarachter de woestijn begint. Ik deel mijn kamer met een groepje heel vervelende kamergenoten: kleine groene beestjes die een soort van naald in mijn lichaam drukken, een stukje verder over je lichaam lopen en de naald opnieuw in mijn lichaam duwen. Het doet soms echt gewoon pijn.
Het hotel wordt feitelijk gerund door één man. Een zgn. Tibetaanse smiling man, welke al het werk doet terwijl 4 Indiërs de hele dag niks lopen te doen. Deze Tibetaanse man, 21 jaar oud, is getrouwd en wil maximaal 2 kinderen. “India helped me by offering a job, now I help India with a small family”. Dit in tegenstelling tot het merendeel van de lower class van India, voor wie een groot gezin haast noodzaak lijkt. Want, veel handen maken licht werk. Maar ja, ook weer monden om te voeden.
Deze Tibetaanse man berust hier in zijn werkdag van gemiddeld 16 uur. Hij kan zijn gezin in ieder geval voeden. De vier Indische mannetjes doen niks anders dan opdrachten geven aan deze Tibetaan. Van check-in, tot koken en serveren, bedden opmaken, terras schrobben en plantjes water geven. Hij doet alles. Het management erop wijzen dat de meren half zijn leeg gelopen en derhalve het besproeien van de planten rondom het hotel gedurende drie uur niet heel verstandig is, heeft uiteraard geen enkele zin. De Tibetaan berust ook hier in de opdrachten van zijn ‘meerderen’.
Cityview restaurant is de plek waar ik meerdere keren tijdens mijn verblijf in Udaipur eet. Het lijkt ook wel alsof dit het enige restaurant in Udaipur is die toeristen bezoeken, de rest is namelijk compleet uitgestorven. Iedereen mijdt Rajasthan in dit seizoen, de 45 graden is weer bereikt, net als in Jodhpur. Aan een van de muren van dit restaurant prijkt een half vergane foto van Roger Moore, omringd door een groep Indiërs. “That’s my father” meld een van de obers als ik voor de eerste keer een blik werp op de foto. Ergens in de hoek van het restaurant zit deze inmiddels hoogbejaarde man en heel ver weg heeft hij inderdaad wel iets weg van de jongeman op de foto.
In Udaipur zijn delen van James Bond’s Octopussy, met Roger Moore als 007, opgenomen. Uiteraard moet ik de film een keer kijken in Udaipur. Ieder restaurant draait de film minimaal een keer per dag en adverteren ermee middels spandoeken. Het complete centrum hangt er mee vol: mooie USP. Bijzonder is het om het beroemde Lake Palace op het TV-scherm recht voor me te zien en dan ook links van me de levensechte versie. Op het moment dat ik de film bekijk, kan ik ook nog eens genieten van een van de mooiste zonsondergangen ooit (‘heaven is on fire’). Ik geniet, eens te meer daar er op frequente basis een rondje Kingfishers wordt geserveerd op een dakterras voor een internationaal gezelschap bestaande uit een Nederlander, Belg, Italiaan, Griek, Mexicaan en een Tanzaniaan. Ieder van hen heeft weer een apart verhaal waarom hij of zij nu hier is.
De Belg, woonachtig in Charleroi, wil het EK per se missen. Charleroi is namelijk gaststad van de nu al beruchte wedstrijd Engeland-Duitsland. Hij verteld ook dat heel België tijdens het EK wordt drooggelegd om problemen zo veel als mogelijk te voorkomen.
De Tanzaniaan was werkzaam in de toeristen industrie. ‘In my country it is possible to blow up any animal, if you have the money!’. Zo verteld dat hij dat het voor $ 10.000 mogelijk is een olifant letterlijk op te blazen. Rare mensen daar in Tanzania, maar het schijnt de realiteit te zijn. Hij vertelt ook over de echte ‘circle of life’ in Tanzania: die van de olifant en de boom. Olifanten eten namelijk alleen de beste blaadjes van de bomen, die op de top. Zodra de top van de bomen opgegeten zijn, gaat de kudde op zoek naar verse bomen. Dit geeft de bomen de kans om te herstellen alvorens een nieuwe kudde lang komt.
De Italiaan is de macho van de groep en voert het hoogste woord. Zo ook als we met 4 motors en in totaal zeven mensen naar Monsoon Hill gaan om daar een Kingfisher te nuttigen en te genieten van de hopelijk mooie vergezichten. Het is de verjaardag van de Maharana, dit zou betekenen dat alle musea gratis toegankelijk zouden zijn. Echter, niet Monsoon Palace. “You pay for the nature and wildlife”, kregen we bij de ingang te horen. Wildlife? Drie vogels. Nature? Wat graspollen, wat stenen, een klein bosje. Niet veel bijzonder. Daarbij, het paleis is zwaar verwaarloosd.
We komen enkel voor het uitzicht en voor de biertjes die ik verborgen houd onder mijn trui. De gatekeeper gaat echter wijdbeens voor de ingang van het park staan, welke verder omringd is door een gietijzeren hek, alsof hier achter zwaar beschermde dingen verborgen liggen. Hij draait zelfs het sleuteltje van één de motoren om en gooit het sleuteltje op de grond. Zo van: jij kan niet doorrijden. Macht, Indiërs zijn er dol op. De Italiaan vind dit niet leuk. Want hij houdt ook van macht. Hij gaat vol in discussie met de man, wat op bepaalde momenten meer neerkomt op het verheffen van de stem dan op het luisteren naar elkaar standpunten. De uitkomst is echter heel simpel: betalen. I don’t care. Ik zeg na een paar minuten: “Tulewah pomojoh”, hetgeen zo veel betekent als ‘proost’ of ‘let’s get drunk’, maar dan in het Swahili.