Een dag van eindeloos lopen kriskras door Belgrado

Een dag van eindeloos lopen kriskras door Belgrado

Servië – 2007

The Day Of The Dead is een nationale feestdag in Servië, waar alle doden herinnert en geëerd worden. Met eten … De gastvrouw van mijn onderkomen heeft drie plasticzakken vol eten uitgestald op de eetbar. En het moet allemaal op vandaag. Diverse lokale lekkernijen staan er uitgestald, welke ik uiteraard graag uitprobeer. Een medetoerist in het complex, een Amerikaanse ‘historian’, vertelt dat de gastvrouw, van Kosovaarse afkomt, de enige overlevende is van haar familie, welke in Kosovo begraven ligt. Gezien het nog steeds bestaande gevaar, kan ze er dus vandaag niet heen om haar familie ter plekke te eren.

Ze houdt haar emoties goed verborgen en vraagt keer op keer dat ik meer van alle lekkernijen moet eten. Af en toe valt er een ongemakkelijke stilte, welke ik invul met wat ‘taalleermomentjes’. Daar haar Engels net zo slechts is als mijn Servisch, hebben we er allebei wat aan.

Dank je wel – Gwala
Hallo – Chau
How are you – Kako sie
Hallo (formeel) – Zdravo

Na een onverwacht uitgebreid ontbijt, wordt het tijd om de stad nader te verkennen.

Al gauw blijkt dat het land schreeuwt om de euro. Vele abri’s en billboards van private banken, nemen het euro muntstuk al op in de uitingen. Maar Servië moet nog even wachten. Zeker Belgrado, waar het leven ongetwijfeld relatief goed zal zijn in vergelijking met andere delen van het land, lonkt sterk naar modernisering, verwestering. Merkkleding, merk zonnebrillen, iedereen draagt het. De McDonald’s zit vol. Een Fiat 500 komt voorbij gereden. De bestuurder gaat schuil achter een vette zonnebril. Uit de auto brult Westerse dansmuziek. De stereo zal waarschijnlijk meer geld hebben gekost dan de auto zelf. Prioriteiten stellen is ook een kunst.

Kneza Mihailova is de Kalverstraat van Belgrado. Allemaal upperclass winkels voor de nouveau riche van deze up and coming stad. Esprit, Levi’s, Bennetton, Puma: alle bekende merkketens hebben zich al gevestigd in Belgrado. Dit trekt uiteraard veel opgeschoten jongeren rond, welke de Belgradose schonen aanstaren. De dames kunnen deze extra aandacht wel waarderen, getuige hun gegiechel. Veel zakenmannetjes met het mobieltje in de aanslag, marcheren druk, druk, druk langszij. Ouderen met een stralende glimlach, alsof ze je met open armen verwelkomen in hun land, vormen een minderheid in deze straat. Veel ‘pivo’ terrassen, waar het goudgele vocht rijkelijk wordt genuttigd, ongeacht het tijdsstip van de dag, zitten nu al bomvol. So far, niets bijzonders.

Aan het einde van de straat verkoopt een dozijn vrouwen, welke ogenschijnlijk niet tot de upper en middle class behoren, bloemen welke in afgeknipte frisdank flessen tentoongesteld worden. Ik ben er in drie dagen zeker tien keer langs gelopen. Helaas ben ik geen getuige geweest van een daadwerkelijke transactie.

Vlakbij de kitscherige, de haast art-deco grandeur van Hotel Moskou zie ik een jong meisje in een doos slapen. Geen moeder of vader in de buurt. Helemaal alleen. Af en toe werpt er gelukkig een passerende stadgenoot of toerist haar wat muntjes toe zodat ze dag wel door zal komen.

Even verderop is het parlementsgebouw in volle glorie te bewonderen. Een kolossaal pand, met vele groene torentjes op het dak en een voorgevel ondersteund met kolossale pilaren. Twee ruiters met steigerende paarden houden de wacht bij de ingang. Even verderop begint een of andere shanty wijk, welke zo lijkt in een week is gebouwd om gedupeerden van bombardementen snel een onderdak te kunnen bieden. Onderdak voor de gelukkigen zal ik maar zeggen.

Schuin tegenover het parlementsgebouw ligt een park met een kleine waterpartij. Een man, waarvan ik vermoed dat hij er zo juist in heeft gebadderd, is zich aan het afdrogen en aankleden achter een elektriciteitshuisje. Getuige de vele plastictassen welke hij om zich heen heeft verzameld, is hij waarschijnlijk niet een van de gelukkigen.

Na een kwartiertje van dolen, dwalen, teruglopen, heroriënteren te midden van stinkende auto’s en haast onontcijferbare straatnaambordjes beland ik op de Kalenic Pijaca, de Albert Cuyp van Belgrado. Honderden houten kraampjes staan op een modderachtig terrein opgesteld in een soort van labyrint. De doorgangen zijn overal zeer nauw op deze markt waar de doorsnee Belgrado-er alles kan kopen wat hij/zij nodig heeft. Hier zijn ook alle etnische groeperingen vertegenwoordigd, hetgeen op zich niets bijzonders is. Echter, getuige de onrustige jonge geschiedenis onenigheden is het op zich verrassend dat hier nu weer iedereen door elkaar kan lopen.

Na een kopje Turkse koffie, compleet met een dikke laag koffiedrek op de bodem, loop ik door naar een zeer imposant bouwwerk, de Sveti Sava. Een bouwwerk welke verdacht veel lijkt op de Blauwe Moskee uit Istanbul. Alleen zijn de geloofsoverwegingen iets anders. De bouw van dit bouwwerk is ruim honderd jaar geleden begonnen. De buitenkant is goddelijk wit, zeker als de felle zon er op schijnt. Het parkje met de fonteintjes eromheen gelegen, voelt als een oase van rust, in het midden van de stad. Het interieur van de Sveti Sava is verre van af, maar vertoont wel ‘grootsheid’ met prachtige koepels, bewerkte pilaren en beginnende plafondschilderingen.

Lopen over de Kneza Milosa is schokkend. En dat is een understatement. Het Noordoostelijk gedeelte van deze straat wordt versierd door overeind gebleven panden uit de Oostenrijks-Hongaarse overheersingperiode. Statische, imposante panden met prachtige koepels, beelden geplaatst op daken en buitenmuren waarvan iedere vierkante centimeter zo wat bewerkt met figuren lijkt, staan hier hand in hand met elkaar. Maar een kilometer of wat zuidwaarts laten de handen elkaar los. Abrupt.

Gebombardeerde gebouwen, van militaire en ‘secret service’ instanties, links en rechts, overal. Hele happen uit flatgebouwen zijn verdwenen. Diverse bomen en struiken hebben zich nu in de onbewoonbare panden genesteld. In sommige panden staat nog gewoon wat meubels opgesteld, alsof de bewoners zo meteen thuis komen. Diverse flats zijn letterlijk gefileerd, van sommige op poten staande flats bungelt de betonnen onderkant vlak boven de grond. Alsof Godzilla hier heeft rondgelopen. Een wonder dat ze nog overeind staan. Een raadsel waarom ze niet zijn neergehaald. Het kan alleen maar pijnlijke herinneringen ophalen. Maar misschien ook juist daarom. Bewustzijn. Dit nooit meer. Voor niemand.

Ik ben er in ieder geval goed onder de indruk van. Ik heb inmiddels veel armoede gezien, veel honger, veel sloppenwijken. Maar zoiets heb ik niet eerder gezien.zo heftig, zo kort geleden, zo dichtbij feitelijk. Jongeren lijken het hedendaagse omarmd te hebben. In de ogen van ouderen daarentegen zie ik regelmatig de somberheid, het verdriet. Bewustzijn van wat er hen kort geleden is overkomen. Schuldig aan steun aan Milosevic of niet, dat kan ik niet per individu bepalen. Maar populair is Belgrado niet getuige dit filmpje, alhoewel het dan wel raar is dat Servie het songfestival won mede door zo veel stemmen van de buurlanden. Ook van diegene met wie Servie destijds in oorlog was. Een balletje kan raar rollen.

Ik loop gauw door, verder zuidwaarts. Alwaar de achterbuurten van de stad me tegemoet komen. Tot twee keer aan toe moet ik zo haast weg springen om een auto te ontwijken, wier berijder de stoep tot plotselinge parkeerplek uitroept. Zonder al te veel vaart te minderen, wordt de auto schuin op de stoep gereden. Een toevallig passerende voetganger heeft geen recht van spreken.

Ik vervolg mijn tocht voor een uurtje of zo langs een snelweg, door een klein parkje en beklim een heuveltje alwaar op de top een paar houten krotten ingeklemd staan tussen zeer afzichtelijke Sovjet woontorens. Ik passeer vervolgens het stadion van Partizan Belgrado, waar een wedstrijd aanstaande is getuige de minimaal twintig bussen gevuld met goed bewapende Servische ME’ers, welke aan me voorbij rijden.

En dan is het tijd om de heuvel te beklimmen, alwaar de aartsvader van het Joegoslavische rijk begraven ligt. Tito, afkomstig uit een Kroatisch-Sloveens boerengezin, maar toch begraven hier in Belgrado, destijds de hoofdstad van het Joegoslavië anno 1980. Er is een soort van toegangshuisje, maar niemand interesseert zich voor de toevallige bezoeker. Toevallig, want het is er uitgestorven. Het parkje wat leidt naar het graf, ligt er keurig bij. Het vormt een schone oase van rust in de drukke stad Belgrado. Het graf zelf doet echter niet vermoeden dat hier een ‘groot man’ begraven lijkt. Een glazen huisje, met een kamertje waar wat historische foto’s hangen. En wis en warempel, wat bloemen in goede staat op het graf. Maar that’s it. Niet te vergelijken met de graven van bijvoorbeeld Mao of Che. Zo veel moeite heeft het Joegoslavische volk niet gedaan voor Tito. Maar misschien wilde Tito het zo? Of was er simpelweg geen geld beschikbaar?

Als ik de heuvel weer afloop, zie ik mezelf al weer geconfronteerd met de drukte, de chaos en stank van de stad. Panden welke op absurde plekken tussen elkaar in zijn gebouwd, snelwegen welke kriskras door de stad aangelegd zijn, een schaars parkje bestaande uit veel gras en vier bomen en de immer zichtbare Sveti Sava, welke boven de laagbouw van de stad uittorent. Laagbouw aan deze kant van de rivier de Sava. Aan de andere kant glinsteren de torenflats van Nieuw Belgrado in de hoogstaande zon.

Ik loop in ca. driekwart uur, via Belgrado CS, door naar de toeristische trekpleister van de stad, Kalemegdan Citadel. Tsja, wat moet je hiervan zeggen. Een fort op een rotswand. Maar eentje welke in schril contrast staat met de hooggelegen bouwwerken van Praag en Budapest. Een oude, dikke, hoge muur moest vijanden buiten houden. Maar liefst 115 oorlogen zijn er gevoerd over het fort, waarvan de eerste steen door Kelten is gelegd. Belgrado ligt tussen het Romeinse en Ottomaanse kampement van weleer in, dus was het lange tijd een belangrijke post om te controleren. In de citadel staat een van de twee Islamitische bouwwerken welke de tand des tijds en het anti-islam gevoel van Servië heeft overleefd. Een groot aantal legertanks staan geposteerd vlakbij de ingang en herinneren aan de oorlogse activiteiten van het land. Maar veel meer is er niet. De muren zijn allen herbouwd, er zit nauwelijks een greintje antiquiteit in. De lijnen van de muren ogen wel oud, maar schijn bedriegt. Er lopen veel te veel toeristen rond welke de rust verstoren.

Rust welke ik een beetje kan vinden in de mooi aangelegde tuinen van de citadel en wonderbaarlijk genoeg is het ook rustig bij het enige echte viewpoint van het complex. Daar waar de rivieren de Sava en de Donau bij elkaar komen, met een uitzicht op een groene natuurstreep langs de oevers, waarna de torens van Nieuw Belgrado het uitzicht bederven. In de verte doemt ook de buitenwijk Zemun voor me op, ooit een apart dorpje maar nu opgeslokt door Belgrado-Stad. Ik schat zo in dat het op een uurtje lopen ligt, mooi voor morgen. Eerst maar es een biertje drinken om het verloren vocht, van alles bij elkaar zes, zeven uur lopen, aan te vullen.

Plaats een reactie