Een zeer vriendelijke Turks aandoende taxi chauffeur bezorgt mij, volgens exact de in de reisgids aangegeven prijs, een lift van de zeer kleine, ATM-loze, communistisch ogende International Airport Sarajevo, naar het centrum van de Bosnische hoofdstad. Met zijn nog geen 350.000 inwoners, behoort Sarajevo qua inwoneraantal tot de kleinste ter wereld, een beetje in lijn met hoofdsteden als Banjul, Vientiane en Bratislava. Al snel heb ik me, als soort van een gespreksopener, tijdens het dichtdoen van de autodeur, de woorden ‘hallo’ en ‘dank je wel’ eigen gemaakt in het Bosnisch.
De taxi is nog geen minuut in een niet Oost Europees aandoend, oftewel extreem relaxt tempo, vertrokken vanaf het vliegveld in de richting van de oude stad en de gevolgen van de 16 jaar geleden beëindigde oorlog worden al zichtbaar. Het overgrote merendeel van de pompeuze, afgrijslijke , betonnen blokkendozen, alias flatgebouwen, zit onder de kogelgaten, variërend van een honkbal tot aan een skippybal. Tijd of geld om de boel op te knappen is er dus nog niet geweest. De taxichauffeur ziet mij rond kijken en zegt meteen dat dit voorheen de frontlinie was, het meest gevaarlijke gedeelte van de stad destijds. “But the people are smiling again now”, voegt de chauffeur er direct aan toe. “The war is over, not forgotten, but everybody is moving on”.
De rit vervolgt zich richting de oude stad terwijl links en rechts de ene na de andere vol bebouwde heuvelrug aan me voorbij trekt. De beruchte heuvelruggen vanaf waar de scherpschutters destijds naar beneden schoten. Kinderen hierbij niet ontziend. Een jongen van een jaar of tien zit ondertussen op de trekhaak van een tram. Al stevig paffend geniet hij, ogenschijnlijk relaxt zittend, van de gratis rit. Volgens mijn taxichauffeur is dit een heel normaal straatbeeld. Ik vind het maar een gevaarlijke actie.
Het centrum van Sarajevo is een totaal andere wereld. De gebouwen zijn grotendeels laagbouw, in een geheel andere steil. Veel houtenhuizen, veel decoraties, veel cobblestone weggetjes en alles is tot in de puntjes gerestaureerd. Op iedere straathoek is wel een cafe te vinden, zo’n tent waar je koffie drinkt voor alle duidelijkheid, alwaar vele vooral oudere mannen druk met elkaar in gesprek zijn. Het centrum is voornamelijk het terrein van de altijd vriendelijk glimlachende Turkse immigranten welke zich hier eeuwen geleden, ten tijde van het Ottomaanse rijk, hebben gevestigd. In het centrum tref je dan ook de ene na de andere moskee aan, welke veelal gebroederlijk naast een kerk staan. Als de megafoon van de moskee net klaar is met het uit testen van het volume, slaan de kerkklokken ernaast alsof beide heilige huisjes een duet zingen met elkaar. Nu vormt dat geen enkel probleem meer, maar 16 jaar geleden was dat wel anders. Het einde van de stad wordt gemarkeerd door de brede boulevard met zijn vele Hongaars aandoende pompeuze gebouwen, zonder grote tekenen van oorlogsschade. Hier is het monument voor de vermoorde kinderen van Sarajevo geplaatst, omringd door een parkje gevuld met liefkozende tieners. Vlak daarbij wakkert de eeuwige vlam omgeven door een zeer verse bloemenzee, welke dient als het centrale herinneringsmonument.
De stad wordt doorkruist door de rivier Miljacka, welke overspannen wordt door menig brug. De Latinska brug is wel de meest beruchte. Een moord op een Duitse prins door een Serviër was destijds de aanleiding voor het uitbreken van WO I, toen de Russen de kant van de Serven kozen was het leed snel geschied. Nu kabbelt de rivier rustig door de stad en wordt de brug door menig toerist gefotografeerd. Alles is lang geleden, niet vergeten.
Eenmaal de rivier volgend beland ik al snel, het centrum is namelijk niet groter dan misschien een kilometer oost-west en driehonderd meter noord-zuid, in een soort van canyonland. De rivier wordt wat ruiger, de huizen verdwijnen, de rots pieken hoger en puntiger. Een heerlijke wandeling in de volle zon, terwijl ik links en rechts in wordt gehaald door joggers, fietsers en skateboarders. Na 2,5 km beland ik bij een prachtige brug, genaamd de Kozja Cuprija. Dit is de brug die je moet zien op het moment dat je Mostar niet haalt.
Het mooiste uitzicht over Sarajevo en al zijn kerken, moskeeën, heuvelruggen welke de stad doorkruisen, wordt je aangeboden vanaf de hoogste heuveltop. De wandeltocht erheen is zwaar. De weg slingert zeer steil omhoog langs allemaal laagbouw huisjes, met schattige balkons vol met bloemen, langs menig cafe. Ik zweet me een weg omhoog en wordt her en der begroet met een oprechte glimlach door de bewoners, welke de zweetdruppels langs mijn voorhoofd zien glijden en de schaduw van het eigen overdekte balkon hebben opgezocht. Eenmaal op de top van de heuvel wordt de wandelaar verwent met een fantastisch uitzicht over de stad, met zijn vele heuvels waarop deze is gebouwd. Het zijn niet zo zeer de moskeeën, kerken en de rivier welke vanaf dit uitzichtpunt opvallen, maar het enorme contrast tussen rood en wit. Rood van de daken van de talloze lieflijke huisjes welke alle omringende heuvels bedekken en wit van de begraafplaatsen. Overal in de stad liggen begraafplaatsen. Bijna in iedere straat ligt er wel een, variërend van vijf graven in iemands achtertuin, tot massabegraafplaatsen welke ondermeer het Olympisch Stadion en de sportvelden eromheen omringen. Maar ook de heuvel welke ik zojuist beklommen heb. Terwijl de vogeltjes fluiten en de kinderen spelen, schittert de zon op de witte grafstenen recht voor mijn neus. Onbeschrijflijk. De jaartallen op de witte stenen spreken voor zich: 1992, 1993, 1994, 1995.
Een bezoek aan Sarajevo is voor de bezoeker er dan ook een met twee kanten. Enerzijds de overal zichtbare herinneringen van de oorlog, maar anderzijds ook het enorme gevoel van gastvrijheid welke iedere bezoeker over zich heen krijgt. Een glimlach hier is zeer makkelijk te krijgen.