Vliegjes happen op de weg terug naar de stad

Vliegjes happen op de weg terug naar de stad

Amsterdam – Marken – Amsterdam, 2007

Ik wil ontsnappen aan de haast van de stad, de hectiek van Amsterdam. Al is maar voor een paar uur. Alleen al weg komen uit de stad op mijn fiets is een reis op zich tegenwoordig. Als fietser ben je je leven regelmatig niet veilig voor de gemobiliseerde stressmens, welke helaas niet de kunst ‘hoe dit niet af te reageren op zijn of haar medemens’ zich eigen heeft gemaakt. Het is minder dan een week geleden dat een stuk onverlaat zijn autoportier vrolijk openzwaaide op minder dan een halve meter afstand van mijn voorwiel, waardoor ik met een flinke smak op het asfalt belandde. Niet weer die pijnlijke knie? Ja hoor. En als toetje krijg je ook nog eens onverschillige reactie op de vraag of hij niet een beetje uit kan kijken. Het doet de gemiddelde automobilist weinig tot niets of een fietser veilig door de stad kan peddelen.

Groen is groen zou je zeggen. En rood is rood. En ja, een fietser die door rood fietst is er zelf voor verantwoordelijk. De wet is het hier nog niet mee eens, maar dat mag wat mij betreft veranderd worden. Echter, een auto door rood of een auto welke onterecht zijn of haar voorrang ‘neemt’ voelt zich machtig. Want, stel dat hij of zij een fietser raakt, is er slechts een situatie van blikschade. Een woord van boosheid jegens de berijder, zo van “hallo, IK heb voorrang”, is menig maal beantwoord met “wat denk je nou, wil je dood of zo”. Oftewel, voorrang wordt genomen. Is het machtsgevoel, waarmee men de werkstress, de boze baas of overspannen klant van zich af probeert te werken? Is het leuk om een fietser plotsklaps de doorgang te belemmeren voor een rood stoplicht door zo haast met twee wielen op de stoeprand te rijden, maar aan de linkerkant ruimte voor een olifantenkaravaan aan te houden. In ieder geval gaat mijn fietstocht van de Bilderdijkstraat naar de Zeeburgerdijk gepaard met zeker vijf gevallen van een breed scala gevaarlijke capriolen van automobilisten welke mijn hart sneller doen kloppen op een niet gezonde manier.

Ik wil ontsnappen aan de haast van de stad, de hectiek van Amsterdam. Hetgeen me ook lukt direct na het bereiken van de Schellingwouderbrug. De nog schaarse zonnestralen weerkaatsen in het water van het binnen en buiten IJ, terwijl de diverse rijnaak-achtigen onder de brug door dobberen. Na de tweede brug beland ik letterlijk in een andere wereld, welke ik graag op zoek in tijden van mooi weer: landelijk Nederland. En dat op nog geen half uur fietsen van Amsterdam Centrum, vol met zijn stresskippen. De schaapjes staan te relaxen in de wei, de zwanen watertrappelen door de smalle kanaaltjes tussen de weilanden en het eendenstel pronkt met hun pasgeborenen. Durgerdam is een half in slaap gesukkeld dorpje langs het Ijsselmeer in de winter. In de zomer daarentegen zit het terras vol en wappert de was vrolijk in de wind, terwijl vele fietsers door dit dorpje drentelen over de kasseien welke voor menig fietsfanaat door kan gaan voor een onderdeel van de beroemde wielerkoers Parijs-Roubaix.

De wind is me niet goed gezicht, door recht tegen me in te blazen. Een voordeel, de conditie wordt goed opgevijzeld. Ook de beenspieren worden goed aangespannen, een goede training voor a.s. zondag als ik met vier collega’s de Fortis Rotterdam Marathon in estafette vorm ga rennen.

Uitdam is de volgende bewoonde plek, in dit landschap vol met weilanden, binnenmeertjes en honderden wellicht duizenden vogels welke het land en de lucht bevolken. Een dorpje waar de mensen zich in mijn ogen stierlijk zouden moeten vervelen, want er is echt niks te doen anders dan de omgeving verkennen, een biertje doen in de enige kroeg van het dorp, of een praatje te maken met de buren. Maar er is in ieder geval totaal geen haast, drukte of stress in het leven alhier en daar ben ik aan toe. Ik peddel door langs het Ijsselmeer. De weg slangt voor me uit over een soort van dijk. In de verte doemt Marken al voor me op. Het lijkt dichtbij omdat het weer meezit, maar de wind belemmert me om mijn eigen snelheidsrecord te breken. Ander keertje dan maar.

De laatste kilometers naar Marken gaan letterlijk over een dijkweg aangelegd in het water. De arme Markanen, Markiezen, Markenaren (whatever) waren jaren van de buitenwereld gescheiden tot 1957. Overigens behoorde Marken vroeg wel tot het vaste land. Echter, ergens in de 13e eeuw werd het gescheiden door een enorme stormvloed.

Op deze dijkweg waait de wind nog feller. Logisch, want ik begeef me feitelijk nu op open zee, dus het gezegde ‘de laatste loodjes wegen het zwaarst’ gaat nu wel heel letterlijk op.

Marken is zoal verwacht: vol met Japanners, toeristenwinkeltjes, restaurantjes, haringkramen en vissersboten welke de havens versieren zonder functioneel in hun oude beroep te zijn. Dat is weer een logisch voortvloeisel door het bouwen van de Afsluitdijk, welke de visserij nagenoeg uitbande. De houten huisjes zijn inderdaad bijzonder, maar liggen er wel heel mooi gemaakt bij. Alsof ze gisteren in elkaar zijn getimmerd. Bijna niet meer authentiek te noemen. Maar de opstelling van de huisjes, met her en der nauwe verbindingsstraatjes, de vele bruggetjes en grachtjes geven toch een aardig beeld van hoe het er vroeger uitgezien moet hebben. De jonge bewoners van dit dorp kijken ook met lede ogen naar de invasie van Japanners en andersoortige toeristen welke hun dorpje overspoelt. Maar het is in ieder geval goed voor de economie. Moeten ze alleen wel zorgen dat de enige pinautomaat van het dorp in werking is…

Op de weg terug naar de grote stad Amsterdam, heb ik de wind heerlijk in de rug en kan ik lekker doorfietsen op weg naar de drukte van de stad. Dat het al goed zomer begint te worden, merk ik wel aan de brede variatie aan gevleugelde insecten welke om de haverklap als een gordijn voor mijn neus wordt gehangen. Mijn broek en shirt kleuren zwart weg van de hoeveelheid beestjes welke zich gehecht heeft aan mijn kleding. Ik ben benieuwd hoe zwaar mijn gezicht het te verduren heeft. Ik merk het wel als ik thuis voor de spiegel sta. Van sommige beestjes wist ik het bestaan niet af. Een soort megaoorwurm met vleugels beland ook mijn broek. Een schop onder zijn kont kan het krijgen. Helaas moet mijn mond er ook aan geloven. Maar insecten bevatten toch veel proteïnen. Lekker zijn ze in ieder geval niet.

Eenmaal terug in de stad, na een fietstocht van in totaal zo’n 50 kilometer, is het een wederzien met de drukte. Wanneer kan ik weer weg?

http://www2.holland.com/nl/discover/citystyle/vogelvlucht/marken.jsp

http://nl.wikipedia.org/wiki/Marken_(Nederland)

Plaats een reactie