Rennen (en wachten) op de heetste aprildag ooit
Rotterdam, 2007
De temperatuur klimt al tegen de 20 graden aan zodra ik Rotterdam Centraal Station uitloop. Niets wijst er nog op dat al hier vandaag een van Neerlands grootste sportevenementen gehouden gaat worden. Hoe anders was het ten tijde van de Zevenhevelenloop. De trein vanaf Amstel zat toen al hutje mutje vol met mensen met sporttassen, gehuld in trainingspakken en met sportschoenen aan de voeten. Eenmaal in Nijmegen aangekomen bevond ik me direct in een sportieve heksenketel. Er was geen ontwijken aan.
Nu om 9.00 uur te Rotterdam heeft het er alle schijn van dat het een doorsnee zondag in Rotterdam is. Het plein waar normaliter de trams staan ligt nog steeds open, ook al ten tijde van mijn laatste bezoek aan deze havenstad, een klein half jaar geleden toen er een tentoonstelling over Tibet was.
Ik loop samen met twee collega’s in de richting van de Doelen. Niks geen getouwtrek van een zich naar de start haastende menigte hardlopers. Pas in de buurt van De Doelen pand begint het er een beetje op te lijken dat er iets bijzonders vandaag gaat gebeuren. Als ik namelijk eenmaal over, letterlijk, een rode loper ben gelopen, begeef ik me in een menigte mensen, haast alleen volledig gekleed in rood. Rood, de kleur van Fortis, de hoofdsponsor van de marathon welke veel relaties en werknemers heeft uitgenodigd om de sportieve uitdaging aan te gaan.
Zodra het estafette team compleet is, is het tijd geworden om om te kleden, de laatste voedingsmiddelen naar binnen te werken, het vloeistof gehalte in het lichaam aan te vullen en vervolgens is het wachten geblazen. Wachten totdat er gerend mag worden. Per bus word ik, als derde loper van het estafetteteam, vervoerd naar Rotterdam-Zuid, zeker een half uur per bus over de ringweg en door de minder charmante wijken van deze wereldstad.
Wachten, wachten en nog eens wachten. Wachten in de inmiddels aardig brandende zon, op een punt van Rotterdam waar je ’s nachts niet wilt ronddolen. Wachten, te midden van een paar honderd andere estafettelopers, welke alle wachten totdat loper 1 en loper 2 hun bijdrage, aan het in teamverband voltooien van de marathon, hebben volbracht.
Wachten, nog wat drinken, wachten, een plasje doen en wachten. Twee uur wachten om precies te zijn.
Na een uur wachten is het een komen en gaan van politieauto’s en politiemotoren, terwijl een aantal helikopters boven mijn hoofd cirkelen. De koplopers komen eraan. In een flits is een haast sprintende groep van hardlopers aan de wachtende menigte voorbijgetrokken. Een tempo wat een doorsnee recreant misschien honderd meter volhoudt. Deze lopers rennen als geoliede machines. Het lijkt wel alsof ze achtervolgd worden door dolle honden.
Plotseling schrik ik me wezenloos. Een oud vrouwtje, welke langs de weg mensen staat aan te moedigen, bezwijkt onder de hitte. Een complete ineenstorting. Hulp is binnen een tiental seconden al bij haar gearriveerd om haar er bovenop te helpen, wat toch wel eventjes duurt. Ik ben gewaarschuwd voor de hitte tijdens de wedstrijd.
Na nog een uur wachten is het mijn tijd om de benen sneller te laten bewegen, als de derde loper voor mij het teamlint doorgeeft. Het kost me toch zeker vijf minuten om een beetje in een goed ritme te geraken. Versnellen, afremmen, totdat ik andere lopers in kan halen, links rechts uitwijkend, daar mijn basissnelheid nu hoger ligt dan dat van de echte diehards: de mensen welke de complete marathon all by themselves rennen. Het eerste gedeelte is saai, heel saai. Door wat woonwijken en langs een aantal bouwcentra. Op het moment dat ik bij de Kuip aan ben beland, wordt het pas echt leuk. Overal staan mensen langs de kant, welke iedereen, bekend of onbekend, aanmoedigen. Ze schreeuwen, klappen en juichen. Ze delen water en bananen uit. Water welke in mijn optiek niet echt overvloedig wordt aangeboden door de organisatie. Het zal inmiddels wel opgedronken zijn door de lopers voor mij. Hier heeft de bevolking van Rotterdam wat opgevonden: de tuinslang uitrollen op straat, kraan open en gieten maar. Hup, zo de keel in van dorstige passerende lopers. Ik hoop dat deze beste familie voor een dag ontzien wordt door de gemeente voor het iet wat verhoogde waterverbruik.
De temperatuur is inmiddels behoorlijk hoog opgelopen na een kilometertje of vijf, zes. Zweet druppelt overal naar beneden. Overal waar het kan, drink ik water. Het gaat allemaal nog redelijk. Ik voel me niet duizelig worden. Hiervoor had de organisatie wel lopers van te voren over gewaarschuwd. Pas je ambitie aan aan de hitte. Tot dusverre gaat het met mij nog redelijk. Echter, onderweg zie ik hoe het twee medelopers iets minder goed vergaat. Deze twee bezwijken onder de hitte. Totaal uitgeput, krachtenloos, laten deze twee lopers zich vallen op het Rotterdamse asfalt. Diverse toeschouwers schieten deze arme lopers meteen te hulp.
Bij de Erasmusbrug krijg ik het zelf ook even zwaar. Niet vanwege de hitte, maar vanwege de lange geleidelijke klim van de brug, welke behoorlijk wat spierkracht vergt. Maar langs beide kanten van de brug staat een hossende menigte, totaal uitzinnig (zonnesteek?) en zo iedereen erdoorheen sleurend. Alsof ze een touw om je heen hebben geworpen en je omhoog takelen naar de top van de brug. Een heerlijk gevoel. Zonder de menigte was het zeker een stuk anders geweest, een stuk zwaarder en stuk saaier. Eenmaal op de top beland, kan ik rustig naar beneden rennen, grote stappen maken kost me zeer weinig moeite annex kracht. En de menigte blijft maar door joelen. Toppunt is wel het publiek wat me begroet aan de noordkant van de Maas. Alsof Robbie Williams aan het optreden is voor een groep tienermeisjes. Zo wordt iedere loper aangemoedigd. Blaak ziet zwart van de mensen, het feest der aanmoeding houdt nu niet meer op tot aan het derde wisselpunt. Ik vind het oprecht jammer dat mijn gedeelte van de marathon erop zit.