Proximo tiempo, El Yungue!

Proximo tiempo, El Yungue!

Baracoa – Cuba, 2006

Columbus zag deze berg al dagen voordat hij voet aan wal zette op Cuba, anno 1492: El Yungue. Het heeft iets weg van een aambeeld en ook iets van de Tafelberg bij Kaapstad. Vandaag zullen we hem meester maken. Klimmen dus. Even wat sportiefs om al die liters Cuba Libre er uit te zweten.

Bij de campismo regelen we rond een uurtje of twee een guide en binnen een paar minuten zijn we op pad. Het zou ongeveer vier uur duren om op de top te geraken en terug bij Base Camp te komen. Precies goed dus om voor het donker weer ‘binnen’ te zijn. Ik zal het alleen moeten doen zonder mijn trouwe klimrakkers welke me normaal vergezellen op een reis als deze. Echter, deze reis heb ik ze thuis gelaten. De gids zal de berg beklimmen op kaplaarzen, dus dan moet ik er ook wel komen op mijn Geox.

Kaplaarzen? Ja, kaplaarzen. En verdomde handig ook. Want na nog geen twee minuten lopen verdwijnen mijn voeten al in een enorm modderpoel, welke een enorm zuigende werking uitoefent op mijn voeten. Oftewel, het kost me iedere keer wel de nodige kracht om weer los te komen. De her en der uit de grond geschoten rotspuntjes zijn spekglad en doen me een aantal keren goed struikelen. Na een minuutje of tien zweten wordt de weg geblokkeerd door een zeer snel stromende rivier, alwaar een aantal vrouwen de was aan het doen zijn. We zullen hier waarschijnlijk eerst een stuk langs de rivier moeten lopen, alvorens middels een gammel geknoopt en wankel bruggetje de rivier oversteken op een plek waar deze wat smaller is. Althans, dat is mijn verwachting.

Echter, de gids begint zich hier spontaan uit te kleden totdat hij enkel nog zijn onderbroek aan heeft. Ehm, what’s going on? We gaan dus de rivier hier oversteken? Slimme jongen als ik ben, ga ik nooit van huis zonder al mijn belangrijke spullen op zak. Oftewel, 1x mijn evenwicht verliezen en ik kan gedag zeggen tegen mijn paspoort, mijn geld, mijn dagboek, mijn fototoestel. Ik word er al zenuwachtig van als ik mijn eerste schoen uitschop.

Stapje voor stapje dus. Eerst zonder en later met schoenen aan, aangezien de rivierbodem bedekt is met kleine en grote, snijdende, maar bovenal evenwichtverliezende stenen. Ik vind dit niet leuk. Ik vind dit niet leuk. Nat worden vind ik niet erg. Geld, paspoort? Vervangen wel. Camera? Boeien. Maar mijn memorystick met foto’s en dagboek zijn heilig. Ik vloek totdat ik een ons weeg. Ik verlies liters aan angstzweet in de rivier, welke inmiddels aardig tegen mijn heup aan het beuken is.

Halverwege de rivier probeer ik een moment van innerlijke rust te vinden. Ik ben nu halverwege, zonder om te vallen. Ik kom er dus wel. Gewoon rustig aan doen. Een stapje verder echter, begint de stroomversnelling pas echt mijn toch al matige evenwichtsgevoel te ondermijnen. Nu vind ik het echt niet meer leuk. Nu word ik serieus bang voor verlies van mijn dagboek en foto’s. Ik ben niet bang om om te vallen, om honderden meters door de kolkende rivier meegesleurd te worden en onderkoeld te raken. Bang voor verlies.

Een reddende engel beland op mijn schouder in de persoon van mijn gids, welke me met behulp van zijn zeer stevige arm mijn evenwicht tracht te behouden tijdens de verdere oversteek. Even later bereiken we de overkant, legen we de schoenen welke gevuld zijn met water en in de schoenen gezwommen kiezelsteentjes. De oversteek duurde iets langer dan gepland, met andere woorden: we dienen behoorlijk door te lopen, willen we voor zonsondergang de rivier voor de 2e keer oversteken.

De gids bepaalt het tempo, welke hoog ligt, lekker hoog. Oftewel, een goede gezonde inspanning. Ideaal als conditietraining, als voorbereiding van de halve marathon van Egmond welke ik drie weken na terugkomst in Nederland zal rennen. Deze kant van de rivier is pas echt voorzien van regenwater door Moeder Natuur. Alle paadjes zijn spek- en spekglad. Overal plasjes water, modderpoeltjes waar je je voeten in ziet verdwijnen. De rotsen fungeren prima als glijbaan. Al klimmend gaat het nog wel, maar de paar stukjes dat we afdalen zijn levensgevaarlijk. Hier een spagaat en daar een stukje shoeiing, waarbij ik met twee voeten parallel al glijdend mijn weg naar beneden afleg. De weg terug, waarbij we dus voornamelijk afdalen, zal zeker geen eitje worden. Zeker als het lichaam dan al enigszins moe zal zijn.

We passeren een dorpje bestaande uit drie houten barakken, waar mama big langslopende toeristen afschrikt met haar enorme omvang, terwijl ze haar snuit nog wat dieper in de modder duwt op zoek naar wat lekkers. Bon appetit! De mensen in dit dorpje wonen dus een rivieroversteek plus vijftien kilometer van de dichtstbijzijnde winkel vandaan. Zonder auto! Ongelooflijk! Ze leven dus letterlijk van wat hun eigen land hen biedt, meer keuze hebben ze niet. Kiezen ze hiervoor? Kunnen ze anders? Willen ze anders leven? Ze hoeven zich in ieder nooit zorgen te maken over er allemaal in de grote boze mensenwereld gebeurt. Zijn ze wellicht afstammelingen van de Indianen uit het pre-Columbus tijdperk, voor wie deze berg heilig is verklaard?

We lopen, glibberen, slippen, vallen en staan weer op voor anderhalf uur. We lopen door oneindige bananenbossen, mangoveldjes en sinaasappelstraatjes. Een geur van cacao verspreidt zich ook over het lagere gedeelte van de berg. De klim is niet gemakkelijk, met name doordat de berg zeik en zeik nat is. ik twijfel of het überhaupt verstandig is om de top trachten te halen. Want straks om 18.00 uur is het toch echt pikkedonker. Jeroen heeft het ook zeer zwaar in de beginfase van de klim. Dus wat is verstandiger? Gewoon doorlopen en de rivieroversteken in het donker of nog eventjes doorklimmen en bijtijds omkeren? We kunnen natuurlijk ook op de berg overnachten vergezeld door duizenden muskieten? Oké, ik loop even op de feiten vooruit. Maar feit is dat Jeroen het zwaar heeft. Na nog een half uur besluiten we te stoppen.

Ik loop nog een stukje door met de gids naar twee uitzichtpunten. Bij het eerste punt blijkt dat we toch al een flink stuk geklommen hebben, het land ligt namelijk al een flink stuk onder ons. Ook de zee laat zich in haar felblauwe vorm aan me zien, maar de groene palmbomengloed overheerst. De klim naar punt twee gaat pas echt over een steil stuk berg. De gids die volgt de weg ook niet langer, maar klimt zo tegen de helling omhoog zich vasthoudend aan takken, bomen en graspollen. Volg je nog, meneer de toerist? Oké, oké, ik kom al, maar dit is pas echt zwaar. Ik trek me met mijn volle gewicht van boomstammetje naar boomstammetje. Nu maar hopen dat hun wortels sterk genoeg zijn. Lopen kan hier nauwelijks meer.

We overbruggen toch al gauw honderd meter, welke me enorm veel kracht kost. Zweetdruppels vormen een woeste rivier over mijn gehele lichaam. Eenmaal bij uitzichtpunt twee blijkt dat alle moeite het uitzicht niet waard is geweest. Er is namelijk weinig extra’s te zien. Maar het is altijd lekker om even goed af te zien.

Goed afzien is de weg naar beneden helemaal. Ik moet me continu inhouden om niet mijn benen onder mijn lichaam vandaan zien te glijden, hetgeen uiteraard tig keer gebeurt. Anderzijds kost het me ook veel armkracht, daar ik de wandelstok steeds diep in de helling steek. Mijn arm zorgt ervoor dat ik mijn lichaamssnelheid kan beheersen. Mijn benen willen namelijk maar een ding, rollen naar beneden. Lijkt me niet zo verstandig.

Eenmaal Jeroen weer opgepikt te hebben is het coco time. De gids maakt met een enkel touw een soort van abseil hesje. Dit hesje bindt hij om de boom en om zijn eigen lichaam. Beetje bij beetje kan hij het touw om de boom omhoog schuiven, waarna zijn eigen lichaam weer mee kan bewegen, de lucht in. Na twee minuten heeft de gids de circa 20 meter hoge boomstam beklommen. Nu kan hij de noten uit de boom blazen en de dorstige toeristen kunnen hun dorst lessen.

Hierna dalen we de berg verder af, hetgeen ook nog de nodige kracht vergt. Afdalen is nooit mijn grote hobby geweest, tenzij het op de lange latten kan. Maar ja, het is wel een belangrijk onderdeel van het o zo zeer door mij gewaardeerde fenomeen dat trekking heet. Na nog een half uurtje komen we weer bij de kolkende rivier uit. Het oversteken ervan gaat een stuk gemakkelijker, nu ik de arm van de gids gedurende de gehele oversteek gebruik. Better safe than sorry. Gracias senor!

El Yungue, ooit kom ik terug en bereik ik je top!

Op de weg terug naar Baracoa, bieden we twee mannen van de campismo een lift ‘down the road’ aan. We zien een hele colonne kids gedurende de gehele tocht over de gebrekkige weg van ca. vier kilometer, tot aan de hoofdweg, ons tegemoet lopen. De man op de achterbank vertelt dat de kinderen in de leeftijd van zeven tot negen verplicht naar de school op de hoofdweg moeten. Hier krijgen ze les van maandag t/m vrijdag, van half acht in de ochtend tot aan half vijf in de middag. Moeten die kinderen dan iedere dag deze 4 kilometer heen en terug af leggen? Nope! Ze hebben daar een oplossing voor gevonden. De kinderen blijven op school van maandag t/m donderdagnacht en gaan pas vrijdagmiddag weer terug naar papa en mama. Vanaf tien jaar gaan ze naar school in Baracao en daarna mogen ze hopen op een van de universiteiten, verspreid door het gehele land, toegelaten te worden. Met andere woorden, vanaf hun zevende levensjaar wonen kinderen uit deze omgeving meer buitenshuis dan in het ouderlijk huis.

We stellen de heren ook nog de vraag of ze verwachten dat Cuba veel zal veranderen als Fidel er straks niet meer is. Hun antwoord is kort maar krachtig: “nee, er zal niet veel veranderen”. Dit wordt zo langzamerhand een veel gehoord antwoord. Zit er ook een kern van waarheid in? Is dat ook wat de Cubanen willen?

Eenmaal terug in Baracoa rijden we langs een enorm lange en mooie getekende mural, welke alle belangrijke personen uit de Cubaanse geschiedenis bevat. Het begint bij de indiaan Hatuey, symbool van de originele Indiaanse Cubanen, en verloopt via een dozijn anderen naar de kopstukken uit de revolutie en eindigt bij Che. Straks kunnen hier ook de ‘oude’ Fidel en Raul aan worden toegevoegd. Maar de vraag blijft, wie wordt het nieuwe gezicht van Cuba in het post-Fidel tijdperk?

Plaats een reactie