Karibu in Tanzania
Moshi, Tanzania – oktober 2007
“Dames en heren, de vlucht naar Kilimanjaro Airport heeft een vertraging van ongeveer 30 minuten”.
Er bleek een koffer aan boord te zijn van het vliegtuig, terwijl de eigenaar ervan zelf nooit heeft geboard. Ehm, hoe bedoel je verdacht. Nu ben ik voor het eerst blij met de aangescherpte controles op vliegvelden.
Een uurtje of negen later arriveren we in Tanzania op een half verlaten vliegveld. Ons vliegtuig lijkt als enige nog te landen op dit tijdsstip. Het visum is relatief snel geregeld. Liselotte staat al te wachten op ons. Vreemd om in zo’n land opgehaald te worden i.p.v. het getouwtrek met een kudde taxichauffeurs aan te moeten gaan of op de eerst volgend bus-into-town te moeten wachten. Nu verlaten we het vliegveld per 4WD en rijden we over totaal verduisterde weggetjes in de richting van Moshi. De fietsers rijden voor de zekerheid maar in de berg direct naast de weg, voor het geval de automobilisten hen niet zien. Slechts een paar keer in 40 minuten rijden worden we totaal verblind door een tegenligger. Oftewel, het is rustig op de wegen van donker Tanzania, alsmede ook de hobbeldebobbel wegen van Moshi.
Moshi in daglicht is een grote stoffige bedoeling, waardoor een wandeltocht voor lenzendragers af en toe een pijnlijke aangelegenheid is. Het is er droog, heel droog. Het land heeft zwaar behoefte aan een goede plensbui. Ondanks de droogte vliegen er overal prachtig gekleurde vogels rond en laten lizards in schitterende felgekleurde jasjes zich ook heel even zien voordat ze weer wegsprinten in hun holen. Diverse mierenhopen schieten een meter de lucht in, op het erf van diverse houten hutjes waar een grote windvlaag voldoende lijkt om een leeg kavel te creëren. In dezelfde buitenwijk van Moshi staan overigens ook prachtige villa’s bruin te bakken in de zon. Ook spelen er honderden schoolkinderen op een stoffig, zwaar door afval vervuilt terreintje, gelegen vlak voor hun school. Op de puinhopen lopen diverse vogels rond, op zoek naar voor hen eetbare restjes. De wegen in deze buitenwijk lijken voor het laatst door de Britten geasfalteerd, in de jaren vijftig, toen Tanzania nog een Britse kolonie was. Ieder gemotoriseerd vervoer sleept een lange wolk van stof achter zich aan, welke de voetgangers naar adem doet happen. Grote roofvogels in kaalgevroten bomen kijken rustig in het rond, hoog boven alles en iedereen, of er nog ergens een smakelijk hapje rondloopt.
Eenmaal op de goede, licht glooiende weg naar het centrum toe beland te zijn, neemt het verkeer toe, maar niet in die mate die ik had verwacht van een Afrikaanse stad annex plaats. De redenen hiervoor zijn eenvoudig: het is zondag, de Ramadan is zojuist afgelopen en het is de sterfdag van Mwalimu Julius Nyere, de eerste president van een vrij Tanganyika en later Tanzania, Tanganyika en Zanzibar verenigd, en dat voor maar liefst 24 jaar. Oftewel: a national holiday voor het gehele land.
In het centrum van Moshi is het ook nog relatief rustig. Het gras op een rotonde wordt bevolkt door voetballende kinderen, welke geen last hebben van de temperatuur welke de 35 graden Celsius toch zeker benadert. De door Coca-Cola gesponsorde clocktower heeft ook een functie als schietmuurtje.. Bij het busstation, volgestouwd met allemaal witte minibusjes, is er nog de meeste activiteit. Diverse straatbarbecues staan daar opgesteld en tientallen slipper- en T-shirthandelaren trachten er hun handel aan de man te brengen. Een container ademt grijze rook uit, veroorzaakt door het verbranden van afval. Tsja, opgeruimd staat netjes, maar de mensen verbranden werkelijk alles hier, dus het kan niet echt een positieve bijdrage hebben aan de luchtkwaliteit. De wegrijdende busjes zijn, ondanks de ogenschijnlijke rust, wel stampvol. Oftewel: de buschauffeur rijdt niet weg eer zijn voertuig tot de nok toe vol zit. De ongelukkige laatst ingestapte passagier resteert niks anders dan te staan, met zijn achterwerk buiten de bus. Ik hoop dat deze mensen een korte rit voor de boeg hebben.
Het merendeel van de zijstraatjes van de zgn. ‘double road’ welke als een ader door het centrum loopt, zijn ongeasfalteerd en/of bijzonder stoffig. Aan het einde van de double road loert Kilimanjaro op de achtergrond, maar laat tot op heden enkel haar benen zien aan de passant.
De eerste indruk welke ik van de mensen krijg is heel verschillend. De kleine groep well-off Tanzanianen oogt heel vriendelijk, met vrolijk rondhobbelende kinderen. Dit is ook de groep welke je ook veelvuldig welkom heet in hun land. Karibu! Iedere toerist hoort dit Swahili woordje veelvuldig bij een reis door Oost-Afrika. Maar er is ook een grote groep mensen welke een beetje star voor zich uitkijkt, een beetje niksend de dag doorbrengt op straat. Deze groep heeft het onmiskenbaar minder goed in Tanzania. Nagenoeg alle vrouwen lopen in prachtige gewaden in alle kleuren van de regenboog over de stoffige straten. Maar ondanks de vrolijke kleren, lachen de vrouwen ook maar bar weinig. Af en toe worden we benaderd door vervelende, veelal niet fris ruikende hawkers, meestal reggaemannetjes welke niet veel meer als ‘Hi man, Oke man, See you later man’ kunnen uitkramen. Maar zo snel als ze zijn gekomen zijn ze ook weer weg. Net als die paar kinderen die om ‘mannie, mannie’ vragen.
Boven het busstation hangt een gigantisch billboard, met daarop afgebeeld het ogenschijnlijk perfecte Tanzaniaanse gezin. Allen gehuld in nette kleren, goed doorvoed, breeduit lachend, staand in een kinderkamer met een regenboog geschilderd op een van de muren, terwijl moeder de pasgeborene vasthoudt. Ik kan me zo voorstellen dat dit een ideaalbeeld, een droombeeld is, welke voor maar een klein gedeelte van de bevolking een realiseerbaar is. En zeker niet voor de mensen welke rondom het busstation hun handel trachten te verkopen of er in de directe omgeving van de dag doorbrengen met niet al te veel things to do.