Giza herontdekt
Cairo – Egypte, december 2007
Cairo ontwaakt uit zijn korte slaap. Het getoeter van auto’s en gekrioel van mensen is gigantisch in de vroege ochtend. Hoe kun je een bezoek aan deze stad beter beginnen dan met een bezoek aan een fruitmarkt van een paar honderd meter lang, een bakkerijtje voor een croissantje (hoe Egyptisch kun je het maken?) en een waterpijp in een typische Egyptische rokerij. De noodzaak tot enigszins drinkbare koffie brengt ons bij een rooftop terras van een hotel welke vergezichten biedt over een groot gedeelte van de stad. Wolkenkrabbers aan de horizon, een moskee in het midden en overal saaie grijze, soms zwart uitgeslagen panden met honderden schotels op de daken geposteerd. Op sommige daken ligt afval van huizen, alsof er een paar dagen gelegen een aanslag is geweest. Tussen die rotzooi staan ook wat dakwoningen annex blokkendozen opgesteld, waar wis en warempel ook nog wordt geleefd.
Per taxi verlaten we down town Cairo op weg naar een beroemde kamelenmarkt, waar het in de ochtenduren bruin zou zien van de kamelen, tot zo ver het oog reikt. De wegen van Cairo zitten muur en muurvast met milieuvervuilende Tata-taxi’s en andere zeker geen milieusubsidie verdienende voertuigen. In deze drukte wagen zich overigens ook diverse straatverkopers, welke zich tussen de voorbijrazende wegmisbruikers manoeuvreren, om onder meer kerstmutsen (!) aan de man te brengen. Zodra de verkoper toeristen in een auto signaleert, zijn die uiteraard meteen doelwit nummer 1. Al zijn verkooptechnieken ten spijt, een transactie wordt niet gemaakt.
Het weggebruik in Cairo is dramatisch. Iedereen toetert opdat half Cairo er RSI aan overhoudt. Knipperlichten kennen ze niet. Het recht van de meest asociaal rijdende automobilist geldt. Indien je een grote zwaar bevoorrade vrachtwagen rijdt, geeft dit natuurlijk ook wel een behoorlijke dosis macht. De door man- of ezelkracht voortgetrokken veel te zwaar beladen huifkar heeft het moeilijk om zich door het verkeer te wurmen. Mijn eerste gedachte is wat een angst de ezels moeten ervaren op zo’n moment. Maar voor de beesten is dit natuurlijk gewoon dagelijkse kost. De wortels, sinaasappels, bananen en andere etenswaren welke in de huifkar worden vervoerd, zullen in ieder geval niet geheel schoon aankomen op de bestemming.
Uiteraard gaan zaken als het gebruik van richtingaanwijzers, voorsorteren, rechts voorrang geven, houden aan de maximum snelheid, afstand houden, stoppen voor rood stoplicht, etc. etc. in deze wereldstad echt niet op. Op het moment dat niemand elkaar ruimte wil geven, ontstaan de zgn. verkeersinfarcten welke Cairo dan ook regelmatig treft. Zeg maar gerust om de honderd meter in het centrum. Gunstig voor de voetgangers welke dan rustig kunnen oversteken.
Zodra we het centrum een klein beetje achter ons hebben gelaten, begint de Bijlmer van Cairo. Saaie, lelijke, grijs/bruine beton kolossen met overal wapperende jurken, burka’s en ondergoed, vergezeld door schotels geposteerd op een stoffig kei-ig terrein, terwijl een paar halfdode bomen de boel trachten op te vrolijken. Zonder al te veel succes overigens. Op de zijkant van een van de kolossen is een enorme poster opgehangen, welke een gezin uitbeeld waarin vader, moeder en kind allen een boek boven hun hoofd tillen. Bewijzen ze hier eer aan de Koran? Of doelen ze op het feit dat het goed is om te lezen in de breedste zin van het woord? Een ander bord laat de Nederlandse aanwezigheid in Cairo zien: diverse Arabische karakters gaan hierop gepaard met het fonetisch geschreven woord ‘Janssen’. Kan niet missen of course. Een ander bord meldt: ‘With us learning is pleasure, from KG (kindergarden) to Secondary’. Ik hoop dat ze met het bord niet rijke (expat) gezinnen trachten te bereiken.
Ook in deze buitenwijken is er op iedere hoek zo wat een moskee met torenhoge minaret gebouwd. Ook diverse tuktuks, waarvan enkele nog met Indiase kentekens versierd, scheuren door dit gedeelte van de stad. Tenminste als ze geen pech hebben en worden voortgeduwd door een groepje van 5-6 mannen. De buurt is relatief rustig. De mensen zitten rustig voor hun huisjes van het zonnetje te genieten, een krantje te lezen of simpelweg te niksen. ’s Moeders doet het zware werk door een grote tas met iets naders te definiëren op het hoofd te vervoeren en ondertussen het kind in, relatief schoon, uniform naar school te begeleiden. De huizen variëren erg in kwaliteit. Sommige panden zien er zeer modern uit met mooie balkons, maar de buurman heeft slechts de beschikking over een geïmproviseerd hutje van hout, wat golfplaten en een rieten dak. Het zijn dan ook waarschijnlijk deze laatste bewoners welke de vuilniscontainers inspecteren op eventueel bruikbare voorwerpen c.q. eetbare voedselresten. Aan vitamines ook hier in ieder geval geen gebrek. Huifkarren vol met fel oranje sinaasappels domineren en blokkeren de straten, naast het vuil op straat wat werkelijk overal ligt. Egyptenaren mogen wel iets zuiniger zijn met hun land, want het is echt een grote bende.
Eenmaal ook de buitenwijken een beetje verlaten te hebben, begint een zo waar ‘groen’ gedeelte van de stad. Een fel groen akkerbouwveld strekt zich kilometers lang uit, langs een half verlaten slecht onderhouden weggetje. Diverse palmbomen varen er wel bij en laten zich graag zien op het veld. Het veld wordt van de weg gescheiden door een muur van rotzooi bestaande uit stenen, aarde, modder, takken, maar ook honderden schoenen, slippers en instappers. Een beetje luguber gezicht. Op het veld zelf staan enkele half op instorten staande hutjes op te warmen in de zon. Ik weet niet of er daadwerkelijk mensen in de hutjes wonen, maar een enkele windvlaag lijkt genoeg om ze plat te krijgen. Waarschijnlijker zijn ze nog sterker dan iedere hut gebouwd door Westerse hand, puur door noodzaak. Aan de horizon lonken de eerste twee piramides van het Giza plateau, welke zich verschuilen achter een haag van palmbomen.
Doordat de chauffeur niet direct de weg naar de kamelenmarkt wist te vinden (lees: hij vraagt letterlijk 2 dozijn keer om de weg), zijn er nog maar weinig kamelen te koop op de markt als we eenmaal aangekomen zijn. Het zijn er misschien vijf. Niet echt spectaculair dus. Het enige wat ons resteert, is te kijken naar deze vreemde creaties van God, hun prachtige kaakbewegingen te filmen en slecht onderhouden gebit te fotograferen. De beesten zien er enigszins sullig, maar ook wel weer lief uit. De tanden steken half uit de mond, zo wat zwart uitgeslagen. Als ze even niet aan het eten zijn en gewoon hun mond dicht hebben, vertonen ze wel een prachtige glimlach van een spinnend katje. Als ze maar niet spugen…
Vervolgens rijden we terug naar Down Town Cairo. Een weg van kilometers en kilometers achtereen ligt open, daar het stadsbestuur van Cairo besloten heeft een weg boven de weg te bouwen, over de gehele lengte van waar de weg open ligt. Nogal een ingreep. Het verkeer, dat toch al zo veel te verduren heeft, komt nog langzamer vooruit op deze weg. Onze driver besluit dan ook veelvuldig een gedeelte af te snijden, echter zonder al te veel succes. Keer op keer is de weg afgesloten of geblokkeerd, opdat de driver genoodzaakt is terug te keren naar de infarctweg. En onbegrijpelijk maar waar: Cairo’s ringweg wordt nauwelijks gebruikt.
Een uur of wat later arriveren we bij het toeristenoord bij uitstek van Egypte, een plek uit duizend en een nacht, maar met dank aan de vele touts ook niet altijd even ontspannen. Guide sir? Buy tickets here sir? Camel sir? Horse sir? Where are you from sir? Welkom bij de piramides van Giza.
Ah Holland, allahmachtig prachtig, kijken kijken niet … De Nederlander die dat de Egyptenaren en de mensen waar dan ook ter wereld heeft bijgebracht…. In ieder geval horen we dit fantastische overal ter wereld gebruikte zinnetje circa 20-30 keer, per dag. Of beter gezegd: per uur bij het piramide complex..
We besluiten het piramide terrein van Giza te verkennen zonder gids. Ongeveer veertien jaar geleden heb ik een vluchtig bezoek gebracht aan de piramides, onder het mom van ‘take look, make picture, and come back’. Nu wil ik in alle rust een en ander goed in me kunnen opnemen.
De piramides zijn er qua imposantheid in ieder geval niet op achteruit gegaan. Hoe hebben ze dergelijke bouwwerken zo veel jaar geleden kunnen creëren, hoeveel slaven zijn er destijds wel niet bij omgekomen. Dat alles om enkel één man een mooie doodskist te bezorgen in de hoop dat de man, de farao, terugkeert als God naar Aarde? Als je het zo bekijkt zijn deze bouwwerken eigenlijk vreselijk fout, doordat er te veel mensen bij de bouw zijn misbruikt en omgekomen en er relatief veel te veel geld in is opgestopt, welke een beter doel zou gehad kunnen hebben: namelijk het voeden van de hongerende bevolking. Maar goed, dit geldt voor menig historisch bouwwerk waar dan ook ter wereld.
Als je als mens hier mag rondlopen en je denkt niet te veel hierover na dan kan je enkel denken: ‘WOW’. De bouwwerken klimmen meer dan honderd meter de lucht in, op weg naar de fel blauwe hemel. Een gemiddeld mens is niet langer dan de onderste twee rotsblokken. Een enorm contrast. Van dichtbij is goed te zien, hoe het bouwwerk is geconstrueerd. Simpelweg de ene steen bovenop de andere leggen. Nou ja steen, zeg maar gerust tonnenwegende rotsblokken. Voor het ongetrainde oog zijn vanaf het beginpunt enkel drie piramides te ontdekken. Later zullen we nog een zestal babypiramides aan treffen. Op de grootste van de drie is een afschuwelijke bliksemafleider geplaatst. Waarschijnlijk een must. Maar de piramides hebben het ook al die duizenden jaren uitgehouden, voordat de bliksemafleider überhaupt was uitgevonden.
Alle bouwwerken staan feitelijk aan de rand van de woestijn. Hier houdt de wereldstad Cairo letterlijk op met groeien. Aan de horizon is de Cairo skyline zichtbaar, enigszins vertroebeld door de enorme smoglaag welke in de stad hangt als een muffe deken, welke alle verse zuurstof weghoudt voor de zwetende bevolking. De woestijn is een grote zand- en rotsbak, waar het vuilnis overal verspreid ligt. De Egyptenaren doen er weinig aan om hun land schoon te houden, zelfs niet op deze wereldberoemde plek. Op het Giza plateau staan ook nog een aantal kleine gebouwtjes, zgn. tempels verspreid, alwaar een luierende Egyptenaar de wacht houdt, annex wacht tot hij zijn hand voor wat bakshees kan ophouden. Helaas blijkt dit bij alle gebouwtjes het geval te zijn. In een aantal gebouwtjes zijn nog hiërogliefen zichtbaar op de muren. Foto’s maken mag uiteraard niet, maar in ruil voor wat Egyptische ponden willen de ‘overheidsmannetjes’ best en oogje dichtknijpen. Vermoeiend.
Vlak bij de piramides zijn ook de restanten van een oud dorpje te zien. Helaas ligt er tussen de ruines overal, maar dan ook werkelijk overal puinzooi. Tegen de muren rusten de kamelen wat uit, wachtend op een volgend toeristenritje. Wel is het knap om te zien hoe men duizenden jaren geleden al die stenen van de huizen zo naadloos op elkaar kon laten aansluiten. Daar waren de Inca’s ook al zo behendig in. Echter, de Incacultuur is natuurlijk veel jonger. Rondom de piramides is een ijzeren ketting gespannen, waar Egyptische politiemannen de wacht houden. Maar wat is nou leuker dan je zelf vlak bij de piramides te laten fotograferen. Dan moet je uiteraard wel de over de ketting stappen. Dat mag natuurlijk niet van de agenten. Echter, ook hier geldt dat in ruil voor wat bakshees ze best eventjes de andere kant op willen kijken.
De zon daalt op een gegeven moment al flink snel, op het moment dat we besluiten per kameel en paard naar de andere, verderop geleden piramides te rijden. Niet echt mijn favoriete onderdeel daar ik een soort van angst heb om een dier te ‘besturen’.In het begin kies ik voor de kameel, daar de andere optie me nog minder aanstaat. De combinatie van ik en paarden is te vergelijken met een gemiddeld kind en spruitjes. Een beetje boel ongemakkelijk zittend, probeer ik er maar het beste van te maken en vooral niet van het beest af te donderen op een van de vele rotsblokken. Na een paar minuten laten we de stadsjungle al achter ons en heb ik het stuiterende ritme van de kameel enigszins onder controle, tenzij het beest bergafwaarts wordt geleid. Dan is het weer goed vasthouden geblazen. Continu ben ik dan op zoek naar evenwichtsherstel.
We rijden de piramides tegemoet terwijl de oranje wegkleurende zon verstoppertje achter de piramide punten aan het spelen is. Her en der staan wat stenen heuvelruggetjes opgesteld en doemen wat minikloofjes voor ons op. De overal aanwezige kamelen- en paardensporen in het zand, doen ons geenszins het gevoel geven van een verlaten kamelensafari, maar het is hier in ieder geval wel rustiger. Geen zeurende touts voor wat bakshees en geen langs scherende bussen vol met package toeristen welke allen vijf minuten is gegund om wat foto’s te schieten.
De horizon laat niet veel van de woestijn zien jammer genoeg, daar een reeks zandduinen van niet al te grote omvang het blikveld beperken. Een en ander wordt meer dan goed gemaakt door de fel oranje gloed over de piramides, maar bovenal de rust opdat ik mij 100% kan concentreren op een stukje angstoverwinning. Te weten: rijden op een paard. Halverwege de tocht wisselen we namelijk van dier. Als ie maar niet snel gaat. Een paar keer versnelt het ogenschijnlijk goed opgevoede beest toch even goed van tempo, althans in mijn beleving. Echt leuk vinden doe ik dit absoluut niet. In plaats van ontspannen te zitten, houd ik mij veel te krampachtig vast aan het zadel. Het duurt dan ook even voordat ik een beetje het ritme te pakken heb.
Bij het verst afgelegen punt is er goed zicht op de ‘negen op een rij’. Drie kleintjes gevolgd door drie groten, met daarachter weer drie mini piramides. Een imposant gezicht, met helaas genoeg wel de stinkende stad op de achtergrond. Tegen de tijd dat we bij de neusloze sfinx zijn aanbeland, welke rust onder de grootste piramide, kleurt de hemel inmiddels tien kleuren oranje waarbij een viertal soort van vliegtuigsporen de oranje massa onderbreekt. Het woestijnland kleur donker en de hoge hemel donkerblauw. Het zicht op de piramides wordt er met de minuut magnifieker op. Het wordt echter wel in een rap tempo goed fris. Tijd om terug te keren, af te stijgen en tot de conclusie te komen dat ik mijn paardenangst een heel klein beetje heb overwonnen. Het is tijd voor thee.