Esta possible un coco?

Esta possible un coco?

Baracoa – Cuba, 2006

Beach time. Playa Maguana en Boca de Yumuri worden door de lokale bevolking aangeprezen, als “the places to go”. Dit zouden namelijk de mooiste strandjes in de nabije omgeving zijn. Boca de Yumuri zou ingeklemd liggen tussen twee heuvelruggen. Oftewel, deze heeft onze voorkeur. Jeroen en ik krijgen deze dag gezelschap van Carolien, welke we een paar dagen eerder ontmoet hadden in Bayamo. Carolien is een jonge Amsterdamse cabaretière zo zelfverzekerd dat ze het kan permitteren om het aanbod om de nieuwe Lama te worden, naast haar neergelegde. Ik zou in haar geval de Lama’s zien als opstap naar een groter publiek om van daaruit mijn eigen weg te gaan, na enige tijd. Echter, Carolien wil alleen de projecten aanpakken waar ze voor de volle 100% achterstaat en daar valt ook wat voor te zeggen.

De rit in de richting van Boca de Yumuri gaat door een prachtige heuvelachtige omgeving, vol bananenplanten en kokosnootbomen, welke langzaam overgaat in een kustweg, ingeklemd tussen zwarte stranden en rotswanden welke her en der druipsteentrekjes vertonen. Af en toe klimt de weg met iets van 25% of zo. Of iets minder, maar ik voelde me regelmatig behoorlijk in de passagiersstoel gedrukt.

En dan zo maar, besluit Carolien zin te hebben in een kokosnoot. Jeroen twijfelt geen seconde en stopt de auto. Bij het eerste beste huisje roept hij “Ola, esta possible un coco?”, vanaf de weg. Een paar tellen later verschijnt er een relatief oude man uit de bush bush, gehuld in enkel een smerige broek. Hij komt naar ons toegelopen en opent zonder aarzelen de poort. Welkom in mijn tuin! Cubaanse gastvrijheid alom. De vrouw des huizes doet ondertussen vrolijk de was, met het water wat uit een gemetselde (!) waterput komt. Ehm, lang stilstaand water uit een put zonder deksel, dat kan niet goed zijn voor de zwakke toeristenmaag. Het huis waar dit ouder stel in woont, heeft zelfs nog wat stenen buitenmuren. Dus een langs scherende orkaan zal hen niet direct uit hun bed lichten.

Een korte rondleiding over het erf, volledig met modder bedekt, laat een kleine kudde baby zwijntjes zien welke, nog half omvallend, snel voor ons uitrennen annex wegwaggelen. Hun snuitjes zijn geheel zwart gekleurd van de modder waarin ze zojuist hebben geneuzeld. Een jong hondje besluit de scherpte van zijn tanden te testen op een achterpoot van een van de biggetjes. Zijn tandjes kunnen helaas nog geen rauwe karbonade aan, maar over een paar jaar kan zijn beet wel bloedige gevolgen hebben. De reuzen moederbig komt uit haar krakkemikkig gebouwde stal gelopen, geïmproviseerd van wat hout en palmboombladeren, om ons even te besnuffelen.

In de tuin groeit bijna alles om gedurende een mensenleven de maag gevuld te houden. Dat is maar goed ook, want dit ouder stel heeft enkel buren tegen over hen wonen. De eerste de beste volgende buurman woont op behoorlijk afstand, daarom ook winkels om de dagelijkse schijf van vijf te kunnen kopen. Zouden de bewoners van deze twee huisjes überhaupt wel eens in de grote boze stadswereld geweest zijn?

We lopen wat verder over het erf, richting de achtertuin. Een kudde kippen drentelt ook nog haastig voorbij. Vervolgens wordt het looppad naar de kokosnootbomen geblokkeerd, voor de toeristen althans, door een muur van cactussen. Achter deze blokkade staat een hele kudde van bomen, wier vruchten hoog in de boom nederig op ons neerkijken en al bijbruinend in de zon wachten tot ze naar beneden gehaald worden. Zonder een moment van aarzeling wordt er een stuk sugarcane tegen de cactushaag gegooid, opdat er twee cactusstengel omvallen en er dus een gat in de defensie wordt geslagen. Zodoende kunnen we zonder pijn te lijden bij de kokosnootbomen komen.

De man des huizes pakt vervolgens een lange stok en tikt zo 1-2-3-4 noten naar beneden. Hij lijkt te willen zeggen: ”hoeveel wil je er hebben, ik tik er zo nog een dozijn naar beneden voor je!”. Met een hakmes worden de noten voorzien van een drinkgat opdat de dorstigen onder ons zich te goed kunnen doen aan al het heerlijks de kokosnoot in zich heeft. De buurman is inmiddels ook aangelopen en kijkt vredig toe hoe de toeristen hun dorst lessen. De kokosnoot wordt vervolgens keurig voor ons open gemaakt en met een stuk van de harde schil van de kokosnoot wordt een soort van lepel geïmproviseerd om zo het vruchtvlees uit de noot te kunnen scheppen, hetgeen me wel, vraag niet hoe, twee diepe sneden in mijn vinger oplevert.

Daar staan we dan. Drie toeristen met hun buikjes vol met vocht en vruchtvlees en twee oudere Cubaanse mannen. Glimlachen alom. Echt communiceren kunnen we niet. Maar mooi dat de mensheid nog zo’n mooie vorm van gastvrijheid kent. Als bonus krijgen we nog twee noten mee, just in case voor als we dorst krijgen onderweg! We willen ze een paar pesos geven, maar deze worden afgewimpeld. Nog een keer aandringen dan. De hand gebaart nadrukkelijk nee. Met een ferme handdruk verlaten we het erf en met een grote glimlach stappen we in de auto. Op weg naar Maguana Beach.

Een strand kun je het eigenlijk niet noemen. Een plek aan zee, vol met troep op het zand, hustlers en een zwerver welke niemand, inclusief de lokale bevolking met rust laat met zijn gebrabbel. Ik hoor hem wat uitkramen over Angola. Esta possible un coco op zijn hoofd?

Plaats een reactie