Angsten overwinnen
Cairo – Egypte, december 2007
Ieder mens heeft angsten. Sommige angsten kun je gemakkelijk overwinnen, bij sommige angsten heb je een handje nodig van anderen en sommige angsten zullen nooit overwonnen worden in een mensenleven. Zo geldt voor mij dat ik een decennia of twee niks maar dan ook werkelijk helemaal niks van paarden moet hebben, na een val ooit lang lang geleden van een pony.
Tijdens een namiddag in de Egyptische zon is het dan ook relatief eenvoudig voor welke dier ik kies als zijnde vervoersmiddel door de brandende woestijn, welke Cairo lichtelijk aanraakt: een kameel. Hobbelend, waggelend, evenwicht zoekend en alles behalve comfortabel zittend, laat ik mij over de zand- en rotsvlakte vervoeren, terwijl ik tracht te genieten van de eeuwenoude piramides en het natuurgeweld van de oprukkende Sahara woestijn.
Halverwege onze tocht, waarbij ik de enige ben die op een kameel rijdt, besluit ik een wens van een van mijn reisgenoten in vervulling te laten gaan: een klein stukje op een kameel te rijden. Gevolg: ik MOET op een paard. Angstzweet, trillende benen, lichte mate van paniek als het paard plots het tempo opvoert. Heb ik er plezier in? Nee, absoluut niet. Naar mate de tijd vordert en ik het galopperen van het paard langzamer maar zeker begin te ervaren als comfortabeler dan de instabiele waggelende pas van een kameel, begin ik het enigszins, met de nadruk op enigszins, niet zo heel erg te vinden. Oké, geen haar op mijn hoofd die er aan denkt om in dit stadium van angstoverwinning zelf de teugels vast te pakken. Het beest zou zonder twijfel direct zijn eigen gang gaan en zijn ware aard laten zien: tempoversnelling, zadel afwerpen inclusief berijder en op naar een beter leven dan het huidige. Weg uit de toeristenindustrie, vol met zweep- en stokslagen.
Na nog een uurtje of zo, mag ik gelukkig afstappen en zit mijn eerste paardervaring in 20 jaar erop. Blij toe dat het erop zit en hard toe aan een Egyptisch biertje.
Twee dagen later sta ik voor de keus: een paard of een kameel als vervoermiddag voor een ruim twee uur durende tocht in het woestijn gebied rondom Sakkara, een dodenstad uit het oude Egypte zo’n 30 kilometer ten zuiden van Cairo. Hier is ondermeer de beroemde 60 meter hoge trappiramide van Djoser gelegen. Aan de horizon rondom Sakkara torenen nog vele andere piramides boven de zandvlakte uit, wat de ervaring van hier te mogen zijn, gigantisch versterkt.
In dit gebied liggen tal van graven, waarvan vele versierd met hiërogliefen. Sommige van de tekeningen lijken gewoon met viltstiften bijgewerkt te zijn, zo goed zijn de kleuren bewaard gebleven. Echter, een door een familie van vijf Japanners ingehuurde gids, verzekerd ons dat dit zeer zeker niet het geval is. Hmmm, ik blijf mijn twijfels behouden, welke pas zullen worden weggenomen op het moment dat mijn ogen ook vergelijkbare tekeningen aandachtig bestuderen in het Nationaal Museum.
Maar goed de keuze: kameel of paard. In een vlaag van verstandverbijstering of misschien ook juist wel in een zeer helder moment, kies ik voor de comfortabele draf van het paard. Jawel! Nog steeds kies ik er bewust voor niet zelf de teugels in handen te nemen. Is achteraf bekeken ook maar een heel goede zaak, want een van de andere paarden welke de woestijntocht met een toerist op zijn rug maakt, is het broertje van mijn vervoermiddel. Gevolg: iedere keer dat ze iets te dicht bij elkaar komen, versnelt mijn paard zijn pas hard opdat de Egyptische gids mijn paard even goed strak moet houden. Schrikken is het iedere keer wel.
Na enige tijd begint ook dit paard enigszins te wennen, helemaal op mijn gemak voelen doe ik zeer zeker niet. Echter, naar mate de tijd vordert kan ik meer en meer van de omgeving genieten. De zandvlaktes zijn hier behoorlijk uitgestrekt. Soms kan er letterlijk kilometers en kilometers vooruit worden gekeken, met niks dan eindeloze zandvlaktes in het vizier en een paar driehoekjes, oftewel verafgelegen piramides, aan de horizon.
Plotseling doemt voor ons een groene strook op. Een strook gevuld met palmbomen in deze droge leegte. Hoogstaand grondwater is hier ongetwijfeld debet aan. Aan de rand van deze strook is het al gauw overduidelijk dat we in Egypte zijn, want er ligt overal rotzooi. Blikje-trap in de woestijn is geen enkel probleem hier. Even verder op is een heus dorp gebouwd in deze oase. Het dorpje bestaat uit enkele lemen huisjes omringd door een uit bakstenen opgetrokken muurtje om het privé terrein af te bakenen, met her en der een extra afdak gebouwd van, hoe kan het ook anders, palmtakbladeren, Uit menig nederig stulpje hangt de was keurig uit raam drogen. Een relatief hoge zandduin schermt het dorpje af van de open woestijn. Of komt hij juist naar het dorpje toe? Kinderen komen van alle kanten op ons afgerend, terwijl de moeders enigszins verveeld kijkend onze aankomst aanschouwen. Na een tocht van circa 10 minuten door het dorpje mag ik gelukkig weer afstijgen. Een angst enigszins kwijt, maar wel een pijnlijke kont rijker.