Cayo Jutias roadtrip

Cayo Jutias roadtrip

Vinales – Cayo Jutias – Surgidero de Batabano, Cuba 2006

De wolken vingerverven de hemel 99% dekkend grijs. Geen reden derhalve om nog langer in Vinales te verblijven anders dan de drankvoorraad in onze casa. We zetten koers in de richting van Cayo Jutias, gelegen in het uiterste westen van Cuba aan de Golf van Mexico. Bewegwijzering in Cuba is nagenoeg non-existent, derhalve rijden we het merendeel van de trip maar op goed gevoel. En helaas. Het gevoel ontbreekt het aan alles, daar we na nog geen half uur belanden op een soort van buckelpiste van gravel. De kaart laat toch echt heel duidelijk een vervolg van een soort van autopista zien…

De weg wordt er naar mate de tijd vordert alleen maar slechter en slechter op. Gaten zo groot dat een menselijk lichaam er in begraven kan worden doemen steeds voor de auto op. Een hele kunst om er niet in te geraken. Van tegenliggers hebben we gelukkig geen last. Oftewel, de Cubanen weten dat ze deze weg moeten mijden. Remmen, bijsturen, nog meer bijsturen, terugsturen, gas en weer remmen, etc. Maar er lijkt een engeltje op het dak van de auto te zitten. Slechts een keer lijkt de bodem onder de auto vandaan te worden geraspt door een iets groter dan ingeschatte rotspunt, welke uit het gravel steekt. Hoe veel zouden we van de 250 CUC borg terugkrijgen na 17 dagen?

De kanonskogelgaten vormen een soort van ketting van enkele kilometers lang over dit F-weggetje. Ze ontstaan door een combinatie van factoren. Een slechte of zwakke ondergrond waarop cement wordt gestort, vraagt natuurlijk om problemen, zeker met al die zware vrachtwagens in Cuba. Hevige regenval en intense hitte dragen ook hun baksteen bij aan het afbraakproces. Plus, net als op een buckelpiste, zorgt een eerste gat voor de rest van de nog te ontstane gaten. Iedereen remt en/of wijkt abrupt af voor de gaten, waardoor de weg ten dode kan worden opgeschreven.

In Santa Lucia vragen we, just to be sure, tig keer om de weg om er zeker van te zijn dat deze zenuwslopende tocht niet te vergeefs is geweest. Een paar honderd meter nadat we Santa Lucia achter ons hebben gelaten, komen we bij een splitsing uit met een, jawel, verkeersbord waarop de richting naar Cayo Jutias wordt aangegeven. Tevens staat hier ook een politiecontrolepost opgesteld.

Nadat we de papieren van de auto en de paspoorten hebben afgegeven aan agent 1, besluit agent 2 een rondje om de auto te lopen. Zodra de agent bij de rechterachterkant is beland gebaard deze nadrukkelijk naar de auto. Oh jee. Een kras, een deuk? Gelukkig niets van dit alles. Maar de rechterachterband is behoorlijk leeg gelopen. De agent wijst in de richting waar we de band van extra lucht kunnen voorzien. Hier krijgen we het zeer nadrukkelijke advies om de band te plakken. Eh, tsja. A donde? Ik heb geen flauw idee hoe dat werkt, laat staan hoe ik de krik op de juiste plek installeer. We worden doorverwezen naar niet zo maar een garage.

Het is een donkere houten hut, voorzien van een olielamp om licht te creëren op klaarlichte dag, volgepropt met allerlei auto- gereedschap en –onderdelen. De hut is zeker niet groter dan vier vierkante meter. De prijzen zijn op de muur geverfd. Op de voorkant van de hut is een ijzeren plaatje vast getimmerd voorzien van de tekst ‘at your service’. De trotse eigenaar heet Puppy. Puppy is, volgens eigen zeggen, architect annex ontwerper annex automonteur. Puppy’s gezicht wordt versierd door her en der een zwarte smeerstreep. Zijn kleren verraden dat hij niet moeders netste is, of hij heeft al heel veel klusjes gehad vandaag. Puppy blijkt een heel creatieve automonteur te zijn. Er komen in het bandenplakproces namelijk een kurkentrekker, een condoom en een aantal sliertjes bandenplakrubber aan te pas om het gat in de band te dichten.

Tijdens dit proces kijken we nauwkeurig naar Puppy hoe hij dit in vredesnaam gaat doen. Puppy blijft lachen, dus het zal wel snor zitten. Op onze beurt worden wij gade geslagen door een groep mensen welke van alle kanten op de keet van Puppy komt afgesneld. Het past allemaal maar net in het houten hutje van Puppy. Fotovrees hebben ze in ieder geval niet. Het poseren vindt overwegend buiten plaats. Allemaal vertonen ze een big smile voor en na de klik.

Ik vraag me af waarom Puppy in vredesnaam een gat met de kurkentrekker in de buiten band maakt. Maar met behulp van de condoom komt hij zo te weten waar het gat zit. Met de kurkentrekker propt Puppy vervolgens de sliertjes rubber naar binnen, gepaard met een halve tube lijm.

Na vijf minuten heeft de bandenplaktactiek van Puppy zijn vruchten afgeworpen. De band zit weer onder de auto en Puppy gebaard dat de band weer zo sterk als een huis is. We kunnen weer doorrijden. We nemen dankbaar afscheid van Puppy, welke we zeer rijkelijk belonen voor zijn kortstondige, maar wel o zo belangrijke kunsten.

Want kun je je voorstellen als Puppy hier niet zijn keet had gehad. Dan heb je dus een nagenoeg lege band, op minimaal twee uur rijden van een relatief groot oord. Laat staan hoe lang dat lopen is. Liften heeft toch geen zin, gezien het enorme gebrek aan verkeer in deze uithoek van Cuba. Maar hier, in de zinderende hitte vonden we Puppy. Ik hoop dat er in Cuba heel veel Puppy’s zijn. Vast wel …

Eenmaal terug bij de politiepost, krijgen we een duim omhoog en mogen we doorrijden in de richting van Cayo Jutias. De weg wordt al binnen een paar minuten aan beide kanten door water omringd. De weg waar we op rijden is letterlijk in de zee gebouwd, in de richting van een van de, naar het schijnt, mooiere strandjes aan deze kant van Cuba. Raar om zo feitelijk door de zee te rijden.

Overal waar ik kijk is het blauw van water en/of en de hemel. Kleine groene eilandjes aan de horizon doorbreken af en toe dit blauwe spektakel. Even later groeien er overal mangroves langs de weg, voor zover het oog reikt. Struiken waarvan de wortels op voetjes in het water staan om zo de groene blaadjes te beschermen, welke bang zijn voor het water. Bij een dood stukje van de mangroves, welke een sinister beeld van dood hout en grijze modderpoeltjes tegen een strak blauwe lucht geeft, besluiten we even uit de auto te stappen. Dat hadden we echter beter niet kunnen doen. Want na een paar passen door dit mangroveland komt Jeroen’s voet vast te zitten in een van de modderpoeltjes. Vastzitten is overigens niet het goede woord, want Jeroen zakt plotseling heel rap naar beneden. Bij een poging om zich om te draaien, zit ook voet nummer twee vast. Heftige, krachtige lichaamsbewegingen, mijn arm en de wil om te leven, zorgen ervoor dat Jeroen snel weer op steviger ondergrond beland. Oké, dit was dus drijfzand. De schade: één slipper.

Een paar kilometer verderop vinden we een verlaten strandje. Een eenzame mangrove boom heeft een plekje op het strand voor zich opgeëist. De golven van de Zee van Mexico rollen zo onder de wortels door. Een ideale plek om even bij te komen van de zojuiste opgedane ervaring.

Op de weg terug naar Vinales, van waar we verder naar het oosten zullen rijden, nemen we een halfblinde man, zijn zoon en een andere oudere man als lifters mee. Spontaan worden we naar de correcte en gemakkelijke weg verwezen. Het heeft dus zo zijn voordelen om locals als lifters mee te nemen. Eenmaal terug op de autopista blijkt eens te meer dat het weer hier heel grillig kan zijn. In enkele ogenblikken wordt de weg blank gezet door een tropisch regenbuitje. Nu wil je dus echt niet op een lift moeten wachten. Het gekke is echter dat de enige (Connexxion!) bus die ons passeert niet eens afgeladen zit met passagiers. Zouden de Cubanen dan zelfs geen geld hebben voor een buskaartje?

Fidel: je bent nog niet klaar! Wellicht is het een idee om in het voedselpakket, dat nog steeds wordt uitgegeven, naast kilo’s rijst, bonen, eieren en een stuk zeep, ook een strippenkaart bijsluiten?

We zien ook vele politiecontrolepunten langs de autopista. Vele zien we van verre al aan komen. Echter, het is ook Cubaanse traditie om elkaar te waarschuwen voor het naderende ‘onheil’ dat snelheidscontrole heet. Lichten knipperen continu. Stel je voor dat ze dit in Nederland ook zouden doen. Dan zou er op Google Earth een gele lichtvlek waar te nemen zijn.

We besluiten Surgidero de Batabano tot volgende aanlegplaats te maken. Eenmaal op de goede plek van de autopista af gegaan te zijn, rijden we door dorpjes met nog meer prachtige namen als San Antonio de los Banos en Guira de Melena. Voor het oog hebben ze helaas weinig te bieden. Dat is maar goed ook eigenlijk, want de ogen zijn continu gericht op de weg, welke weer in mijnenveld is veranderd.

De zon gaat inmiddels rap onder. Lichten aan dus. Of toch niet? Ons tegemoet rijdende auto knipperen met hun lichten en gebaren onze kant op, waarmee ze kenbaar lijken te maken dat de autolichten uit moeten. Maar sorry Cuba, we houden de lichten aan tot het moment dat we een parkeerplek in Batabano hebben gevonden. Waarom? Om bijvoorbeeld overstekende kinderen nog te kunnen ontwijken.

Eenmaal in Batabano vragen we wat om ons heen of er toevallig iemand weet waar we een casa kunnen vinden in dit pikdonkere dorpje. In no-time neemt een jongeman plek op de achterbank en begeleidt ons naar een bevriende casa eigenaar. Een lieve mama laat het huis zien. Het huis is nagenoeg uit hout opgetrokken, met een spaanplaat als dak. Het lijkt wel alsof de ouders hun kamer afstaan voor ons. Noodzaak?

Feit is wel dat het salaris van een gemiddelde Cubaan uitgedrukt in pesos convertibles op ongeveer 15 CUC ligt en dat deze overnachting inclusief ontbijt en avondeten met zijn tweeën 50 CUC kost. Het casa vignet kost variërend van de plaats, 200 tot 300 CUC per maand. Ook als je 31 dagen, door omstandigheden, geen gasten in je huis hebt. Als de elektriciteit voor eventjes in heel Batabano uit valt, krijgen wij, twee toeristen, de enige gaslamp van het huis toebedeeld. Ergens schaam ik me daarvoor.

Plaats een reactie