Verlies van vertrouwen
Amman, Wadi-al-Seer – 2006
Na een kleine 2,5 week keer ik terug in de drukte van de hoofdstad. De hectiek van Abdali busstation is er niet minder op geworden. De buschauffeurs schreeuwen onverminderd naar iedere voorbijganger. Tja, hij of zij zou toevallig maar de laatste stoel in beslag willen nemen. Thee, koffie, sigaretten en kauwgomverkopers bemannen iedere uithoek van het terrein. De gasman rijdt onverminderd zijn rondje door de stad, met dat heerlijke ‘ijscoman melodietje’. De waterpijp cafés zitten nog steeds hutje mutje vol. Een vieze, donkere ruimte vol met mannen welke allen diep in zichzelf gekeerd lijken te zijn, terwijl ze aan een oude, vieze pijp lopen te lurken. Een beetje staren, een beetje peinzen, weinig met elkaar praten. De waterhouder zelf heeft ook al zijn glans verloren. Even verderop staat er een winkel met honderden netjes glimmende waterpijpen, welke nagenoeg uitgestorven is.
Ik neem mijn intrek in een echt ‘splurge’ hotel. Een kamer met privé badkamer en TV in het zgn. Palace Hotel. En dat voor 12 JD. De zoektocht naar een bank om traveller cheques te wisselen brengt me na 3 uur bij een pinautomaat, om de hoek bij Abdali. Het duurde 3 uur omdat iedere eigenaar van een slipperwinkel je uitgebreid welkom wil heten in zijn winkel, zijn stad, maar bovenal in zijn land. Zodra ik weer van voldoende cash ben voorzien besluit ik een weg in te slaan welke steil omhoog loopt.
Even lekker zweten! Na een krottenstraatje of twee beland ik in de superchique wijk, Jebel Weibdeh. De weg zigzagt langs allemaal prachtige panden, met prachtige tuinen. Een compleet ander Amman. Een Amman van rust, relaxte cafeetjes, getjilp van vogels. Zo zie je maar: één ander straatje inslaan en je bent in een andere wereld. De toeterende auto’s razen ergens ver weg aan me voorbij. De straatnamen komen echter al een tijdje niet meer voor op mijn nogal beperkte plattegrondje. Maar goed, men hebbe een mond en vrage naar de weg. Ergens in dit buurtje zou een soort van artcafeetje, a la het Huis van Marseille in Amsterdam, moeten zijn. De eerste beste persoon aan wie ik het vraag, biedt me meteen een arm aan een begeleid me tot aan de voordeur. Jordaanse gastvrijheid. Deze plek had ik overigens nooit op eigen houtje kunnen vinden, want het ontbreekt ook het pand zelf aan een naambordje.
De tentoonstelling zelf bestaat uit een dozijn foto’s van een Palestijn en zijn situatie in ‘eigen land’, waarbij de nadruk wordt gelegd op zijn armoedige bestaan. Ik had iets meer van het artcafe verwacht, meer variatie met name. Maar een koel drankje houdt me nog wat langer in deze oase van rust.
It is f-a-a-a-a-a-a-a-a-a-r is het eerste antwoord wat ik krijg op mijn vraag hoe naar busstation Al-Muharejeen te lopen. Ik besluit wel gewoon de benenwagen te nemen, hopende dat de weg merendeel bergafwaarts loopt. Ook dit gedeelte van Amman is een grote aaneenschakeling van kleine winkeltjes, met voor iedere winkel een groepje al theedrinkende netwerkende hangmannen voor de deur. Her en der moet ik uitwijken als een man met een dienblad vol gevulde theekopje uit een van de kleine winkeltjes stormt. Een klein uurtje later kom ik aan bij het busstationnetje, ingeklemd tussen 2 snelwegen zonder normale voetgangersoversteekplaats in de buurt. Met andere woorden, wil ik bij het busstation terecht komen zal ik de snelweg even over moeten steken.
Vanaf dit busstation vertrekt een bus naar Wadi-al-Seer, even buiten Amman gelegen. Een oase van rust wordt mij beloofd, aldus de reisgids. De bus wringt zich over de worstelweg, via de 8e rotonde naar de ‘fancy’ buitenwijken van Amman. Hier bepalen het Sheraton hotel, waar eind vorig jaar nog een bom tot ontploffing werd gebracht, McDonald’s en KFC het straatbeeld. Wadi-al-Seer grenst al volledig aan Amman, het is zeg maar de laatste buitenwijk van de stad voordat de dorre droogte de stad overneemt. Eenmaal aangekomen in Wadi-al-Seer loop ik meteen weg van de hectiek welke hier net zo goed als in Amman alom aanwezig is. Een tiental meters uit de buitenwijk hoor ik echter niks anders dan kwetterende vogels. Ik bevind me in een rustieke vallei, waar her en der een huisje met grote stenen omheining op de heuvels eenzaam staat te wezen. Af en toe passeert een schoolbus met gillende kinderen me. Een schoolbus stopt. De buschauffeur gebaart dat ik mee mag rijden. De kinderen kijken me vol verbazing aan. Ik vervolg mijn tocht echter te voet door de serene rust. Deep down in the valley, stroomt een riviertje. Nergens is een Coca-Cola stand te bekennen, geen toeterende auto’s, een Palestijnse man welke eenzaam en alleen voor zijn huis voor zich uit zit te staren.
Na een kilometer of 5, 6 stopt er een auto, het eerste voertuig dat me passeert sinds de schoolbus. Er wordt me een lift aangeboden door een relatief net ogende man achter het stuur. Naast zit hem zit een oudere man, met de alom bekende rood-wit-zwart geblokte sjaal. Ik heb inmiddels een enorm vertrouwen in de Jordanese bevolking opgebouwd. Daar ik zo rood ben als een kreeft, besluit ik op het aanbod in te gaan. “Qasr, qasr?” “Yes, no problem. Come in!”. Nog circa vijf kilometer vanaf deze plek zou nog een kasteeltje liggen en volgens diverse verkregen aanwijzingen in Wadi-al-Seer, zou het gewoon een kwestie van ‘de weg volgen’ moeten zijn. Dus kan niet missen. Gewoon vanuit de auto goed om me heen blijven kijken. Maar al snel vertoont de weg meerdere aftakkingen en slaan we linksaf, weer links, rechts, links, weggetje steil omhoog en weer naar beneden. Ik ben al snel de draad kwijt en heb ik geen flauw idee waar ik ben en hoe ik evt. terug moet lopen. Na een klein half uurtje stoppen we bij een huisje waar drie kleine kinderen naar buiten gerend komen. Ze staren me aan alsof ik van een andere planeet kom. De moeder echter knikt beleeft en loopt gauw weer terug het huis in. “Qasr, qasr?”, vraag ik een beetje nerveus. De hitte is inmiddels haast ondraaglijk. “One minute” is het veelzeggende antwoord.
De dichtstbijzijnde buur laat zich nog net zien aan de horizon. Aan de andere kant van de straat liggen ook nog wel wat huisjes, of beter gezegd ruines van huizen waar ooit vast wel eens mensen hebben gewoond.
Na een minuut of vijftien rijden we daadwerkelijk weer, hopelijk in de richting van het kasteel, want ik heb geen flauw idee hoe ik terug moet lopen. Even later gaat het gesprek helaas over op geld, taxi en de dure benzine. Nee hè! Op mijn laatste dag in Jordanië is er toch iemand die op een foute manier geld aan me wil verdienen. Ik hamer op het feit dat ik gewoon kon meerijden. Oftewel, een geste van vriendelijkheid annex gastvrijheid, zoals ik de afgelopen 3 weken hier aan de lopende band heb ervaren. “Stop de auto maar” zeg ik tegen de man, terwijl ik doe alsof ik de portier al open wil zwaaien. Hij praat nog wat tegen me door, ik kijk in de tussentijd stug voor me uit. Ik ga hier niet aan toegeven. Niet op zo’n manier als deze. Even later stopt de auto op een splitsing.
Grrr, is mijn gedachte als ik de portier achter me dichtgooi. De automobilist zegt verder niks meer. Ik vraag aan drie kindjes de weg naar het kasteel. Ze gebaren allen dezelfde kant op. Ik zet het op een lopen. Na een paar honderd meter staat er een bord langs de weg dat aangeeft dat het kasteel nog een kilometer lopen is. Prima! Het kasteel bestaat echter uit niet veel meer dan nog een paar overeind staande muren waarin overigens welke prachtige silhouetten van dieren zijn uitgehakt.
Eenmaal terug in Wadi-al-Seer word ik geconfronteerd met DE manier om je stoep schoon te maken. Tuinslang eroverheen opdat het vuilnis bij de buurman beland en het watertekort van Jordanië nog verder wordt verergerd. In het vredesverdrag met Israël werd destijds heel specifiek onderhandeld over water uit het meer van Galilee. Jordanië heeft volgens dit verdrag recht op jaarlijks tien miljoen liter water. Zonder dit water zou het land een levensgroot watertekort hebben. Eens te meer omdat bijna alle waterbronnen in het land, bijvoorbeeld de rivier de Jordaan, ernstig aan het uitdrogen zijn. Syrië heeft in vergelijking met Jordanië per persoon beschikking over 6x zo veel water. Zes keer! De landbouw in Jordanië slokt ca. 75% van de watervoorraad op jaarbasis op. Met andere woorden, Willem Alexander; ga met je watermanagement cursus eens naar Jordanië!