Verliefd op Dana

Verliefd op Dana

Jordanie – 2006

De eerste keer dat ik Dana zag, was ik op slag verliefd. Ik wist meteen dat ik haar langer wilde zien dan een dag of wat. Haar mooie vormen worden extra geaccentueerd door de ondergaande zon.

Een zonsondergang in Dana is als een verblijf in de hemel. Zodra de vallei eindigt, begint de dorre nietsheid van de woestijn. De zon tekent een oranje streep, metersdik voor het oog, boven de woestijn. De drie kleine minibergjes, welke hun snuitjes door de woestijnbodem steken, kleuren zwart en vormen zo een mooi contrast tegen de oranje meerderheid. Een feest van verwennerij voor de ogen.

’s Avonds ontmoet ik een ouder Amerikaans echtpaar, welke na elkaar ontmoet te hebben in Zwitserland zich niet meer in de VS hebben kunnen vestigen. Pakistan, Afghanistan, Indonesië, Brazilië en Jordanië leken hun betere oorden om hun vak als leraar scheikunde te beoefenen. Tevens ontmoet ik hier een Nederlands stel, welke aan het begin van een wereldreis staat. Iran, Rusland, Mongolië, Japan en Zuid-Amerika staat voor hen het komende jaar op het menu.

Als de zon de volgende ochtend weer haar intrede maakt, wil ik zo snel als mogelijk Dana beter leren kennen. Ik val al snel met mijn neus in de boter. De zon heeft in het begin veel moeite om Dana in volle glorie aan me voor te stellen. De lichtvlakken op de omringende heuvels verplaatsen zich in een hoog tempo. De tocht welke ik wil maken, zal me zo dichtbij als mogelijk bij Finan Camp brengen. Finan Camp is helaas al volgeboekt, zo heb ik mij de avond ervoor in het hotel laten vertellen. Dus ik kan er niet overnachten. Wandelen erheen kost maximaal 6 uur heen en 6 uur terug. Ik kijk wel hoe mijn benen zich voelen na een paar uur, wetende dat de terugweg bergopwaarts is. Eerst het dorpje Dana maar eens uitlopen.

Het dorpje Dana, zo’n 2 kilometer bergafwaarts gelegen vanaf de hoofdweg, is een verzameling tien, misschien vijftien nog bewoonde annex overeind staande lemen huisjes en dertig ruines. Het dorpje is gebouwd tegen het einde van de 15e eeuw, de bewoners zijn nu bijna allemaal naar het hoger gelegen Quadsiyya vertrokken. Dichter bij elektriciteit, water en geld. Het dorpje ligt in een aflopende vallei, met twee bergruggen aan weerszijden welke langzaam maar zeker naar elkaar toe kruipen zodra de woestijn nadert. Daardoor heeft de vallei iets weg van een steelpan, waarbij het dorpje Dana hoog in het kookgedeelte ligt en Finan, in de woestijn, aan het einde van de steel.

Dana’s voornaamste herkenningpunt is de hoogbouw van het Dana Tower Hotel. De eigenaar van dit hotel heeft de woede van zo’n beetje heel het dorp op zijn hals gehaald, toen hij met de bouw begon. Want door de hoogbouw verliest menig huiseigenaar het vrije uitzicht over de vallei en verliest het dorpje op zich weer een gedeelte van haar charme. Desondanks bouwt de eigenaar van dit hotel vrolijk door. Ik heb tijdens mijn aankomst hier ook even gekoekeloerd. Echter, het aanzicht van de kamers was dusdanig betreurenswaardig, twee bij één vierkante meter oppervlakte zonder raam, dat ik maar besloot bij het andere guest house in te checken. Jammer voor hem, business voor de ander.

Even voorbij de Tower wordt er gebouwd aan de filmset van een binnenkort op te nemen Italiaanse film, aldus de hoteleigenaar. Direct na de filmset duikt het zanderige paadje de vallei in. De afdeling begint. Van dit punt is goed te zien hoe de ene bergwand achter de andere duikt. De ene wand krijgt wel een straaltje zon toebedeeld, de ander blijft voorlopig nog in het donker zitten, hetgeen voor mooie kleurcontrasten zorgt. Op de top van de rotswanden laten zich de meest fantastische rotsformaties zien. Her en der steken speren uit de heuvelrug. De ene is de dieper in de bergwand gestoken dan de ander. Diverse groene mosachtigen en schaars aangeklede polgewassen accentueren de over het algemeen kale heuvels. Her en der staat een boom heel eenzaam mooi te wezen, ondanks dat het bladerdak minimaal is. Sommige bomen zijn al zo lang overleden, dat ze half versteend zijn. Even verderop lijkt het wel of de rotsen door de constante hitte in dit gedeelte van de wereld aan het smelten zijn. Honderden rots stroompjes slingeren zich een weg naar beneden. Wellicht liet hier ooit een grote waterval zich zien aan de voorbijgangers, maar is haar watermassa ten prooi gevallen aan de hitte.

Naar mate mijn weg naar beneden vordert, ga ik meer van dit gebied houden. De ogenschijnlijk dode rivierbedding verandert langzaam maar zeker in een groene lijn, weliswaar nog zonder water. Ik lijk wel af en toe water te horen stromen tussen de struiken en pollen, maar dat kan ook een hallucinatie zijn. De vallei in zijn geheel wordt breder en breder en de rotswanden lager en boller. Uiteindelijk zullen de rotswanden opgeslokt worden door de snel uitbreidende woestijn welke over een paar kilometer op de loer ligt.

De woestijn heeft al reeds slachtoffers gemaakt, getuige het feit dat er uit het zand nog drie piekjes steken van wat vroeger ongetwijfeld ook onderdeel was van de Dana bergketen. De rest van de keten zit diep verstopt onder het zand. Als ik even achterom kijk, zie ik dat Dana, heel tevreden met mijn voortgang, op me neer kijkt.

Als ik hier alleen door deze machtige vallei loop en terugkijk op het afgelopen jaar, begin ik te denken. Had ik maar dat en dat gedaan. Had ik maar zus en zo op de reactie van die persoon gereageerd? Had ik maar gewoon keihard nee gezegd in een veel eerder stadium? Had ik maar … Maar naar mate ik verder en verder de vallei verken, geniet ik meer van het moment dat ‘nu’ heet. Een gevoel van ‘klein’ zijn, machteloosheid, nietigheid van de mens ten opzichte van het indrukwekkende natuurschoon overvalt me als ik hier loop. Kolossale kale rotswanden welke hoog boven me uit torenen completeren dit overweldigende gevoel. Her en der is een groene klodder verf tegen de bergwand gekwakt in de vorm van een groepje bomen. Het enige geluid dat je hier hoort is het gekwetter van vogels. De koekkoek produceert het hardste geluid. Het kobalt gekleurde vogeltje zingt niet mee.

BAF! Camera gedropt op de rotsen. Ik ben geen materialist, maar van mijn camera moet je afblijven en zeker in dit allemachtig prachtige gebied. Een camera is hier net zo heilig als het kleine notitieblok en pen in mijn broekzak. Ik vloek drie of vier keer, kan ook meer geweest zijn en vervolg mijn tocht. Die camera doet het echt niet meer, maar ik ben hier nu en ik wil genieten van de rust, stilte en natuurschoon. Dan maar, gvd, even geen foto’s maken.

Als ik de woestijn op drie steenworpen ben benaderd, krijgen de rotsen plotseling alle kleuren van de wereld. Wit, groen, roze, rood, bruin. Alle kleuren lopen vloeiend in elkaar over totdat zwart het overneemt. Een zwart gat groot genoeg om in te kunnen wonen, welteverstaan. Deze keer onbewoond.

Her en der in de vallei staan ook wel bewoonde woningen opgesteld. Sommige gefabriceerd van een paar houten latten, sommige van steen. Rondom de diverse huisjes is het een grote bende van afval. Maar jammer genoeg tref ik onderweg ook gigantische hoeveelheden troep aan. Het begint met een snoeppapiertje in de berm, gevolgd door een blikje. Echter, onder een boom ligt denk ik wel genoeg afval om tien vuilniszakken mee te vullen. In dit prachtige gebied. Doodzonde! In de steden is het ook zo’n enorme troep. Maar hier, onbegrijpelijk! Hier word ik nog bozer van, dan van mijn eigen stommiteit.

De klim omhoog, terug naar Dana, blijkt niet mee te vallen. Miljoenen zweetdruppels kost de trektocht omhoog me. Af en toe steekt er gelukkig een briesje op welke me tijdelijk even afkoelt. Na een uurtje lopen hangt mijn hoofd van vermoeidheid goed naar mijn beneden. Mijn ogen turen enkel nog naar de kronkels van het grijze pad waarop ik loop. Turen, zweten, turen, zweten. Plotseling verandert het grijze pad in een rood vlak. Als ik mijn hoofd langzaam maar zeker omhoog draai, blijft de rode gloed maar komen en komen. Een enorme roodgekleurde rotswand schiet pal voor mijn neus de lucht in. Overal waar ik kijk, behalve beneden me, is het rood. Ik loop nu langs deze immense rotswand, welke heel af en toe een stuk bruin toestaat in het kleurenpallet. Bruin van een half dorre boom welke zich een plekje in de rotswand heeft toegeëigend. Voor de rest is het rood, rood en nog eens rood. Ik ben goed moe. Het dorpje Dana doemt in de verte al weer voor me op, hoog gelegen op de top van een rotswand welke ik dus nog eventjes zal moeten beklimmen. Het lijkt vanaf deze plek wel of ik gewoon nog één kilometer loodrecht omhoog moet klimmen. De echo van het hamergekletter bij de bouw van filmset wordt steeds beter hoorbaar. Ik ben bijna terug in de bewoonde wereld.

Diverse kids die ik op mijn daytrek tegen kom, zijn op jonge leeftijd al aan het werk. Ze beoefenen het beroep wat volgens mij het oudste ter wereld is: schapenherder. Met behulp van het slaan met stokken tegen het lichaam, door het gooien van stenen in de richting van afgedwaalde beesten, trachten ze hun kudde bij elkaar te houden op zoek naar ‘groene weiden’.

Groene weiden zijn er echter niet, net zo min als een camera om al dit natuurschoon op vast te leggen. Mijn materialistische kant, het kleine beetje ervan dat ergens in mij zit, komt naar boven. Dus besluit ik de volgende dag maar op zoek te gaan naar een wegwerp cameraatje in het dichtst bijzijnde stadje, Tafila.

Eenmaal terug in Dana, rust ik wat uit met een flinke pot muntthee naast me. Ik geniet van de langzaam maar zeker ondergaande zon. Plotseling is er een enorm rumoer in het dorp. Tientallen mannen lijken met elkaar op de vuist te willen gaan vlakbij de plek van de filmset. De eigenaar van mijn guest house, mr. Suleiman, legt uit dat de filmmakers veel mensen uit dit dorpje hebben gecharterd om mee te helpen bij de opbouw van de filmset. Wetende dat er veel werkeloosheid in dit dorpje is, kon de Italiaanse baas rustig laag insteken qua salarissen voor de locals. Maar ze hadden niet de gehele bevolking nodig, dus de ene man kreeg wel werk en de ander niet. ‘Maar’, zo gaat Mr. Suleiman verder, ‘ze gaven verschillende beloningen voor hetzelfde werk’. Zo krijgt de een 2JD voor een dag handarbeid en de ander 4JD. Het landelijke Jordanees gemiddelde ligt zo rond de 300JD per maand. De mensen worden hier dus in ieder geval zwaar onderbetaald. De Italiaanse filmbaas schijnt het merendeel van zijn tijd overigens door te brengen in een luxueus hotel in Wadi Musa, de toegangspoort tot Petra.

In mijn hotel werken twee Indonesische dames ook voor een schamele beloning: 80JD per maand. Hiervoor dienen ze echter wel van ca. 6 uur in de ochtend tot 11 uur ’s avonds paraat te staan voor welke klus dan ook. Terwijl diverse mannetjes de hele dag thee lopen te drinken en de ene sigaret met de andere aan te steken, werken de dames zich drie keer in het rond. Toppunt was toch wel het overgaan van de telefoon welke een meter naast een van de hotelmannetjes geparkeerd stond, bovenop een soort van dakterras. Deze man was echter te lui om de telefoon op te pakken en schreeuwde de naam van een van de Indonesische dames om als de wiederweerga naar boven te komen en de telefoon te beantwoorden. De dames waren op dat moment overigens bezig met het voorbereiden van een diner voor vijf toeristen en vijftien locals. Dit ritueel herhaalt zich drie keer. Bij de vierde keer trek ik de stoute schoenen aan en neem zelf de telefoon op, welke ik meteen doorpass naar de hotelman. De Indonesische vrouw, welke al aan kwam gesneld, werpt me een oprechte glimlach toe. De hotelman kijkt me aan alsof ik van een andere wereld kom. Blijkbaar wel dus.

De reden waarom de dames hier zijn, ver van huis en familie, is dat Jordaniërs niet voor zo weinig geld willen werken. 80JD is in Indonesië overigens een godsvermogen dus ze verlaten al hetgeen dierbaar voor een beter, financieel beter, leven in Jordanië.

Tafila is als een terugkeer in het normale leven. Een file van auto’s toeteren zich een weg van de ene kant naar de andere kant van het dorp. Iedereen staat op zijn strepen als het gaat om voorrang verkrijgen in het verkeer. Ikke, ikke, ikke. En vooral “Yalla, Yalla”, als de bus aansluit in de file over de enige weg door het dorp en het de lokale buspassagiers niet snel genoeg gaat.

Als ik eenmaal mijn wegwerpcamera gevonden heb, ga ik terug per minibus naar Dana. Of beter gezegd in de richting van, want de 2 kilometer lange weg naar beneden, zal de minibus niet maken. Een stoffig terreintje, ingeklemd tussen flats, huizen en sloppen vormt het decor waarop ik op een minibus zal wachten totdat deze genoeg gevuld is om het tochtje van ca. 20 minuten rendabel te laten maken. Tijdens het wachten en genieten van een kopje mint thee, vraag ik aan de supervisor van Rumannu camp, welke mij vergezelt op mijn uitstapje vanuit Dana, of hij getrouwd is. Het antwoord is heel simpel, de uitleg des te uitgebreider. “No”. Hij legt uit dat een huwelijk in Jordanië nogal prijzig is. Los van alle te organiseren zaken, af te huren locaties, trouwjurk, ringen, etc. etc. dient er ook een bruidsschat betaald te worden aan de familie van de bruid. Niet zo’n lullige bruidsschat ook: 20.000 JD, aldus de man. Hij zegt dat hij halverwege met sparen is, ik schat hem ongeveer even oud als ik, een jaar of 30. Hij vervolgt met te zeggen dat het in Jordanië veel voorkomt dat neven en nichten met elkaar trouwen. Puur vanwege het geld, want familie zal toch geen geld van elkaar vragen als zijnde een bruidsschat. Overigens dient in Jordanië een bruidsschat er met name om, in geval van vroegtijdig heengaan van de man, de financiële toekomst van de vrouw enigszins te verzekeren.

Ik wil, met een brandnieuwe wegwerpcamera in mijn hand, nog een keer naar het uitzichtpunt waar ik eerder van een compleet uitzicht over de steelpan vallei heb genoten. Eenmaal bekend met de lokale ‘hoe-stop-ik-de-bus’ technieken, bons ik met mijn hand tegen het raam op de plek waarop ik meende het weggetje naar het uitzichtpunt tracht gelokaliseerd te hebben. Blijkt dat ik een paar honderd meter te vroeg bent uitgestapt. Het weggetje wat ik in eerste instantie afloop, voert me namelijk naar een huis met vier nogal heftig blaffende, grommende en kwijlende honden welke ik de eerste keer toch zeker niet heb ontmoet. In de zinderende hitte loop ik langs de hoofdweg, in de richting van Quadsiyya, op zoek naar het juiste paadje voor het uitzichtpunt. Eenmaal op de juiste plek aangekomen, is de view onveranderd allemachtig prachtig. De hele steelpan laat zich zien, terwijl de broccolirotsen, diverse kliffen en het lemen dorpje Dana zich van bovenaf laten bewonderen.

Een pick-up volgeladen met schoolkinderen passeert me op mijn weg naar beneden naar Dana village, welke me een heftige lading van ‘hello mister’ oplevert. Ik vraag me af waarom in vredesnaam een schooltje op de weg naar Dana is gebouwd, terwijl er in Dana Village nauwelijks kinderen wonen. Volgens mij lijkt een plek langs de hoofdweg een betere plek.

Waarschijnlijk is dit schooltje gebouwd in de tijd dat Dana nog wel bewoond werd door de lokale bevolking, voordat deze naar hoger gelegen hellingen besloten te verhuizen.

Plaats een reactie