Verder reizen naar Aqaba op een vrijdag

Verder reizen naar Aqaba op een vrijdag

Jordanie – 2006

Na drie dagen vertoefd te hebben in de pracht van Dana, is het tijd om mijn reis door Jordanië te vervolgen. Ik besluit om naar Aqaba te gaan om daar op zoek te gaan naar een iets betere vervanger van mijn gesneuvelde digitale camera dan de in Tafila bemachtigde wegwerpcamera. Echter, de dag dat ik Dana verlaat is een vrijdag. Dé vrije dag van de week voor half Jordanië. Mr. Suleiman meldt me dat er wel een bus gaat naar Aqaba, maar weet niet zeker hoe laat en vanaf waar deze bus zal vertrekken. De avond ervoor belt hij een vriend, de zgn. buschauffeur, en meldt me dat er om 8.00 uur een bus gaat van Tafila naar Aqaba. Met andere woorden, als ik bovenaan de berg sta, kan ik de bus wel aanhouden. De dag van vertrek is het definitief rijden van de bus al weer onzeker, want er zouden te weinig passagiers zijn. Om een uurtje of 9.30 uur komt Suleiman aangerend en zegt dat de bus er is. Wacht even, de bus is er? In Dana? Hier beneden? Voor slechts één passagier? Ik had me al bijna neergelegd en verheugd op nog een dag in Dana. Maar goed, ik sprint naar mijn kamer, sprokkel mijn bagage bij elkaar en na een minuut of zo ben ik klaar voor vertrek.

Er is inderdaad een bus in Dana, waarvan de chauffeur gebaart dat ik door moet lopen. De bus is totaal leeg en het heeft er alle schijn van dat ik de enige passagier zal blijven.

De bus scheurt met een rotvaart Dana uit, een laatste blik achterom laat nog een laatste keer mijn ogen verwennen. Dana schittert in de inmiddels fel brandende zon welke al hoog aan de hemel staat. De vergezichten van de droge vallei schieten voorbij. Eenmaal op de hoofdweg aangekomen slaat de bus rechtsaf, in de richting van Quadsiyya, hetgeen ook de richting van Aqaba is. Het lijkt allemaal dus toch gewoon goed te komen vandaag. Echter, na nog geen 100 meter verlaat de buschauffeur de hoofdweg en schiet een zijstraat van Quadsiyya in. De chauffeur brabbelt wat in het Arabisch tegen me, waar ik uiteraard niets uit op kan maken. Hij brabbelt maar door, stopt de motor en stapt uit. We rijden dus blijkbaar niet verder door. Een jochie van een jaar op 8, wellicht 10, komt aangerend. Hij vertaalt wat woorden van de buschauffeur. “No more riding today”. Leuk, maar hoe kom ik dan vanaf dit gehucht in Aqaba? Er schijnt een bus hier langs te komen over een uurtje of wat, aldus het jochie. De buschauffeur is inmiddels weggereden. Als hier, een afgelegen weggetje waarlangs misschien tien huizen zijn gebouwd, een bus naar Aqaba langs komt rijden, dan eet ik mijn bergschoenen op. Volgens mij maak ik meer kans langs de hoofdweg. Als er al een bus vandaag komt, dan moet deze daar wel langs komen rijden. Oftewel, ik pak mijn backpack op en loop terug naar de hoofdweg. Het jochie gebaart dat ik toch echt hier moet blijven, dichtbij de winkel van zijn vader. Sorry kid, ik vertrouw liever op mijn eigen intuïtie. Eenmaal terug op de hoofdweg, zoek ik een grote steen op en laat deze fungeren als zitplaats. Voor hoelang, mag Joost weten. Eén ding stelt me in ieder geval gerust, ik kan als het echt moet, zo teruglopen naar Dana.

Er komt een auto langsgereden met erin een pienter ogende student. Hij vraagt waar ik heen moet. “Aqaba”, is mijn korte antwoord. “There is no bus to Aqaba from here, today!”. “But, you can go to Ma’an from here and then catch another bus to Aqaba”. Nou, das dan mooi! Ik vraag hem of de bus langs de plek komt waar ik nu sta. “No, no. I will take you there”. Hij gebaart dat ik in moet stappen en even later rijden we het kleine, slapende dorpje Quadsiyya uit en de woestijn in. Hij vertelt dat Ma’an op ca. 50 kilometer afstand ligt en het eerst volgende dorpje pas op 29 kilometer. Ik heb geen flauw idee of hij me nu een lift geeft naar Ma’an of naar het eerste volgende dorpje. Ik ben al blij dat ik ‘in beweging’ ben en nog wel de goede kant op. Hij vertelt over hoe gevaarlijk Ma’an is, hoe daar af en toe mensen berooft worden en de keel wordt doorgesneden. “So please be very careful, don’t stay”. Ik voel me nu heel erg… gewaarschuwd of onnodig beangstigd. Ik weet nog niet zeker welke van de twee.

Na een minuut of tien echter stopt hij plotseling. Hij gebaart dat hier een bus komt naar Ma’an. Ik kijk es goed om me heen maar het enige wat ik zie is zand, zand en nog eens zand. Niks anders dan zand, af en toe een heuvel, af en toe een kei, af en toe een dode struik en vooral oneindigheid. “Yes, yes. The bus to Ma’an comes right here”. Hij draait om en rijdt terug in de richting van Quadsiyya. Ik begrijp er even helemaal niks van. De logica van deze actie is ver te zoeken. Waarom zet hij me in the middle of the desert af om op een bus te wachten die toch sowieso via Quadsiyya moet rijden?

Ik loop een paar minuten terug, een kleine heuvel op. Daar in de verte doemt Quadsiyya in ieder geval voor me op. Of is het een fata morgana. Ik zie in ieder geval wat huisjes. Ik besluit de jonge Jordaniër te geloven op zijn woord dat hier de bus naar Ma’an voorbij zal komen rijden. Zittend langs de weg is er niks dan rust. Geen verkeer, geen vogels, geen menselijk geschreeuw. Na een uur van zitten langs de weg is er nog steeds niks dan rust. Ik heb slechts een halve liter water bij me en ik schat dat het vanaf hier zo’n drie kwartier lopen is naar Quadsiyya, in geval van nood. Na een uur passeert een eerste vrachtwagen me. De zon brandt inmiddels behoorlijk. Schaduw is uiteraard nergens te bekennen. Na nog een uur of wat rijdt een eerste personenauto voorbij. Nog geen bus te bekennen. Ik heb het gedeelte van Aqaba in de Lonely Planet denk ik nu drie keer compleet doorgelezen. Na anderhalf uur komt er een bus aangereden. Helaas, het is een privé busje. Ik ken inmiddels het plattegrondje van het centrum van Aqaba uit mijn hoofd.

Even later scheurt er een auto met overdekte laadbak voorbij, ik kijk al nauwelijks meer op. De auto stopt echter plotseling en rijdt een stukje achteruit. Ik krijg een vraag in het Arabisch voorgeschoteld, welke ik niet kan plaatsen, maar ik besluit de vraag te beantwoorden met “Ma’an”. Een deur schuift open en het lijkt of ik mee mag rijden. Een korte blik naar binnen laat mij twaalf mannen zien welke allen opeen gepakt zitten, twee jochies duiken nog snel naar de overdekte laadbak opdat ik een plek heb op de achterbank. Ik besluit maar op het aanbod in te gaan. Niemand spreekt Engels, iedereen lacht, ik lach terug enkel gewapend met een phraseboekje. Hiermee krijg ik in ieder geval de jongste meerijders stil, want die kunnen hiermee nog snel wat Engels leren. Ik ben blij. Blij dat ik weg ben na twee uur uit de hitte, weg ben van die desolate plek in de woestijn, op weg ben naar Ma’an. Als het goed is. Er worden nauwelijks woorden gewisseld, hooguit een beetje mee neuriën op Arabische muziek welke uit de radio schalt. De heren kijken me daarop aan met een glimlach. Even later neuriën ze ook mee. Een heerlijke situatie van bijna geen mogelijke verbale communicatie, maar toch zit het goed. Dit maakt reizen vaak zo mooi.

De tocht naar Ma’an duurt ca. een uur, een uur van moeizaam communiceren, een uur van blij naar buiten kijken hoe de woestijn, welke het land heeft opgeslokt, aan me voorbij trekt. De man zet me keurig af bij het busstation. Hij vraagt wel 5 JD voor de rit, wat een absurd bedrag is, maar ik ga er niet over in discussie. Zeker niet als hij ook nog voor me navraagt welke van de tig klaarstaande bussen daadwerkelijk naar Aqaba gaat. Hier staan dus wel bussen bij de vleet klaar, waarom niet in Quadsiyya, of all places?

Vijf minuten later vertrekt de bus naar Aqaba. Zo’n drie militaire controlepunten en 2 uur later rijdt de bus Aqaba binnen. Een stad met twee gezichten. Het ene gezicht laat de stadsboulevard zien waarlangs duizenden en duizenden Jordaniërs, Israëliërs en Saudis van hun vrije dag genieten. Dit doen ze onder andere door zich te wurmen in een gigantische lange rij voor een notenbar, welke net de helft van het assortiment in de aanbieding heeft gegooid. De andere kant laat dure tig-sterren hotels zien waar voor de deur toeristen met Hawaï T-shirts aan rustig een biertje drinken. De toekijkende portier kan het logischerwijs niet echt waarderen. Een Burger King vestiging ligt pal op de bidroute naar Mekka, daar een Jordaanse man voor de deur van het huis van deze koning zijn dagelijkse gebeden opzegt. Overigens, tijdens een van de concerten van de moskeezangers is men vergeten zijn of haar mobieltje uit te zetten. Hetgeen tot een mooie ‘beat’ heeft geleid tijdens het zingen en zwaar verbaasde blikken opelvert van de lokale bevolking.

In Aqaba koop ik een beter Arabisch phraseboekje, hetgeen altijd garant staat voor interactie met de lokale bevolking. Als ik eenmaal plaats heb genomen op een terrasje midden in het centrum, sla ik het boekje er eens bij open. Doelstelling: een drankje bestellen compleet in het Arabisch. Een beetje gehannes, wat woorden aan elkaar koppelen waarvan de volgorde in zinsverband waarschijnlijk totaal fout is. Maar: ik heb niet alleen de aandacht van de man die de bestelling opneemt, ook een groep van tien jongens willen me graag helpen met mijn bestelling. Oftewel: leuke interactie met de lokale bevolking welke alom wordt gewaardeerd!

Verder valt er weinig te waarderen aan Aqaba. Veel te veel toeristen, Oosters en Westerse. Veel te veel fastfood outlets, verkeer, geschreeuw, te weinig Jordanië. Mijn hotel is relatief duur, 5 euro voor een stinkend, donker hok zonder douche/toilet. Mijn doel in Aqaba is om een iets fatsoenlijkere camera te kopen, wat op dag één al is gerealiseerd. Let’s move on please.

Plaats een reactie