Terug naar het Noorden
Jordanie – 2006
Via the Desert Highway reis ik terug naar Amman. En een desert it is! Een grote zandbak over de volle lengte van de snelweg, zo ver het oog kan reiken. Maar ook hier hebben diverse mensen een plekje gevonden om zich te vestigen. Kleine verzamelingen van huisjes langs de snelweg, met her en der een berustende lifter. Eenmaal in Amman aangekomen, reis ik met een stadsbus van busstation Wahadat in Amman-Zuid naar het busstation Abdali in het centrum. De bus welke me naar Irbid zal brengen, staat al klaar voor vertrek.
In de bus op weg naar Irbid, een stad welke een beetje geldt als het Leiden van Jordanië, ontmoet ik een student van de Yarmouk Universiteit. Bij het passeren van een grote heuveltop, vertelt hij dat daar Palestijnse vluchtelingen wonen. Een blik hierop laat een mierenhoop van armetierige lemen huisjes zien. Diverse trappenwegen verbinden de huizen met elkaar a la de ‘buitenwijken’ van Rio de Janeiro. Alle trappenwegen komen vervolgens samen in een rivier, uiteraard zonder water maar wel vol met troep. Jordaniërs nemen het überhaupt sowieso niet nauw met het milieu. Motoren loeien continu en lege blikjes worden zonder pardon uit het raam gegooid. Waar het in Nederland nog redelijk wordt opgeruimd, blijft alle bende in Jordanië ongemoeid liggen. Over een paar jaar is het land een grote vuilnisbelt, helemaal als de bevolkingsgroei niet tegen wordt gegaan.
Niet dat er zoveel kinderen worden geboren, maar uit alle windstreken komen Arabieren aangewaaid op zoek naar een beter leven in het relatief rustige en veilige Jordanië. Er hebben drie grote exodussen plaats gevonden, waarvan de laatste tijdens de Golfoorlog. Daarnaast heeft de huidige koning ook uitgesproken dat iedere Palestijn vrij is om zich te vestigen in zijn land. Inmiddels vormen de Palestijnen een meerderheid in het land. De koning heeft zich in het verleden dan ook vaak moeten verdedigen voor zijn eigen onderdanen waarom hij vrede wil met Israel. Moeilijke keuze! Niet in de laatste plaats doordat dus nu 60% van de bevolking Palestijn is. Een groep welke uiteraard zwaar anti-Israel is. Het gevoerde beleid maakt Jordanië zeer uniek in de regio, hetgeen ook niet onopgemerkt is gebleven door het rijke Westen. Maar mocht er in Jordanië zelf eenmaal wrijving tussen Palestijnen van origine en Jordaniërs van origine komen, dan kan het wel e ens goed fout gaan. Helemaal doordat ook het merendeel van de regering Palestijns is. Zelfs de koningin is een Palestijnse…
Twee uur na vertrek uit Amman rijdt de bus Irbid binnen. Een wandeling van het station naar het centrum, doet me tot de volgende conclusie komen: Irbid is maf. Er staan Albert Heijn karretjes bij een lokale buurtsuper, mango juice wordt geserveerd in kerstman mokken, overal lopen Chinezen rond en een schoenenwinkel draagt de naam ‘kut kut shoes’. Maar Irbid is ook een heerlijk relaxt stadje, niet zo massaal als Amman en totaal geen toeristen. Zo ook in mijn hotel, alwaar de manager me vreemd aan kijkt als ik om een kamer vraag. De lobby zit vol met oudere mannen welke naar de Arabische CNN zitten te kijken. Plotseling wenden ze allen het hoofd naar mij toe, wat ik beantwoord met een ‘Salaam maleikum’. Tien knikkende hoofden is het veelzeggende antwoord.
Irbid zal mijn uitvalsbasis worden voor bezoeken aan Jerash en Ajlun. Het busstation ligt op zo’n 35 minuten lopen, aan de rand van de stad. Dit is dan ook meteen een goede manier om de stad te bekijken. Meteen buiten het hotel, gelegen in hartje centrum, begint het markt- annex winkelgedeelte. Overal hebben noten- en kruidenverkopers zich gevestigd. Een straatje is compleet gevuld met winkels welke alleen slippers verkopen, welke tot op de stoep staan uitgestald.
Op het busstation tref ik een hossende menigte van dringende mensen aan, welke allen een plekje willen bemachtigen in de bus waarvan ik de bestemming niet kan ontcijferen. Aan de rand van het station wordt overal juice, thee en shoarma verkocht. Het vinden van de bus naar Jerash is net zo makkelijk als in heel Jordanië , een kwestie van vragen en een behulpzaam persoon escorteert me te aan de deur. ‘Welcome to Jordan!’.
De bus heeft er 45 minuten van plankgas rijden voor nodig om Jerash te bereiken. De tocht voert me door een ongehoord groen gedeelte van Jordanië . Per vierkante meter valt er meer groen in de vorm van graspollen en struiken te bespeuren dan rotsen. De bus zet me vervolgens af zo wat voor de ingang van het archeologische park. Ik word wel vreemd aangekeken door omstanders op het moment dat ze mij als toerist zien uitstappen uit een lokaal busje. Ik kan me hun verbaasdheid wel goed voorstellen, want op de parkeerplaats van het archeologische park staan tig tourbussen opgesteld.
Mijn bezoek aan het park begint enigszins met een domper. Het zicht op een van de highlights, de Hadrian’s Arch, wordt belemmerd doordat de voorkant in de steigers staat. Een enorme hijskraan blokkeert het zicht nog verder. Jammer, maar helaas. Het park bevat diverse authentieke arena’s, diverse half vervallen huisjes en een colonnade straat, vol met hoge pilaren. De tempel van Artemis, gewijd aan de godin van ‘hunting & vertility’, is nog het meest intact van alle bouwwerken. Van de twaalf ooit gebouwde steunpilaren, staan er zelfs nog elf overeind, allen prachtig gedecoreerd. Maar de meeste indruk op mij maakt toch wel de 800 meter lange colonnade straat, waarvan de betegeling anno 1e eeuw na Christus nog steeds intact is. Een aaneenschakeling van grote in de grond geduwde rotsblokken diende als weg voor duizenden ‘chariot’-wagens. De sporen hiervan zijn nog steeds zichtbaar, getuige de diepe kerven in de straat van rotsen.
De straat mondt uit in een ovaal plein, 90 bij 90 meter, omringd door wederom overal pilaren. Het zal een marktdrukte van jewelste geweest zijn zo’n 19 eeuwen geleden. Anno 2006 wordt het plein vooral bevolkt door honderden schoolkinderen. Pffff. Hierna volgt een hippodrome, nu niets meer dan een grote zandbak met een half vervallen tribune. Vroeger werden hier lansgevechten gehouden, waarbij ruiters elkaar met houten stokken uit het zadel trachtten te wippen.
Als ik op de bus wacht, welke me terug zal brengen naar Irbid, ontmoet ik een afgestuurde chemicus. Hij heeft volgens eigen zeggen zijn doctoraal op zak, maar kan geen baan krijgen. “Hoe kan dat ?”, vraag ik hem. “In Jordan you have to know the right people. Education, experience and knowledge don’t matter”. Hij biedt me al doorpratende een kopje Turkse koffie aan, compleet met dikke drablaag opdat je maar de helft van de inhoud kan opdrinken. Ik hoop wel dat hij beseft dat ik geen connecties heb in de wondere wereld van de chemie.
De volgende dag ga ik naar Ajlun, samen met Sarah, een Engelse meid welke in totaal twee jaar van huis zal zijn. Ze reist in totaal 10 weken door het Midden-Oosten, zal vier maanden werken in een Kibboets in Israël en anderhalf jaar vrijwilligerswerk doen in India. Sweet India! Zij zal vanuit daar naar een nature reserve gaan in de hoop er dieren aan te treffen. Ik loop vanaf het busstation direct de heuvels in op weg naar Qasr-al-Rabat. Het stadje Ajlun is zoals ieder ander Jordanees stadje: een lange hoofdweg en tig moskeeën, welke in canon zingen. De gezangen echoën vervolgens mooi tegen alle omringende heuvelruggen, opdat de muziek me van alle kanten aan komt waaien.
De heuvels zijn ongelooflijk groen. Voor Jordanese begrippen dan. Er groeit zelfs iets groens tussen de lemen huisjes in.
Ajlun kent net als Madaba een relatief groot percentage Christenen. Wat duidelijk zichtbaar is als ik het stadje uitwandel. Veel vrouwen dragen hier geen hoofddoeken en zijn zwaar opgemaakt a la MTV-babes. Eentje kijkt me zeer verleidelijk aan. Sorry, ik houd van puur natuur. Ik zet strak pas omhoog.
Een zigzaggend weggetje begeleidt me op mijn weg de stad uit. Eerst is de klim nog matig, maar het stijgingspercentage neemt al gauw toe opdat de zweetdruppels continu van mijn voorhoofd vallen. In totaal is de voettocht 3,5 kilometer, oftewel 45 minuten hardwerken. Het kasteel is gelegen op de hoogste heuveltop rondom Ajlun. In vroegere tijd stond dit kasteel in een ketting van vele kastelen. Door middel van postduiven konden langs deze ketting berichten in een dag van Damascus naar Cairo worden doorgegeven. Het heeft een soort van Lord Of The Rings gevoel: “light the beacons”.
Eenmaal bij het kasteel aangekomen, blijkt dat maar een handjevol toeristen de moeite heeft genomen om dit kasteel te bezoeken. Er is ongeveer twee keer zo veel politie ter plekke. In heel Jordanië tref je overigens tourist police stations bij trekpleisters om de veiligheid van toeristen enigszins te kunnen garanderen. Het merendeel van de agenten heeft echter geen bal te doen. Ze brengen de dag door met sigaretjes roken en koffie drinken in de schaduw.
Het kasteel is voor de helft opnieuw opgebouwd. De andere helft zal spoedig volgen, maar laat nu nog de gevolgen zien van plunderingen door de Mongolen en Ottomanen. Ook hebben twee aardbevingen aan het einde van de 19e eeuw zo hun invloed gehad op de huidige staan van het monument. In het kasteel is het een wirwar van trappetje en kleine en grote kamers. Grote vraag die bij me opreist is hoe men zich toch warm heeft kunnen houden vroeger.
Een grote slotgracht, welke het kasteel omringt, diende om de vijand buiten te houden. Echter, een heuvel reikt tot vlak onder een raam in het kasteel. Lijkt me een minpuntje in de verdedigingslinie. Een grote groep Jordaniërs in pak, begeleidt door een grote groep militairen, vormt het merendeel van de bezoekers. Wellicht bekijken ze de vorderingen in het restauratieproces. Na een klein uurtje besluit ik buiten van de vergezichten over de wonderbaarlijk groene heuvels te genieten, terwijl ik lurk aan een kopje koffie.
Als ik wederom terugkeer in Irbid is het een heerlijk gevoel om te exact weten hoe ik terug moet lopen. Een heerlijk gevoel om te weten waar je die lekkere juice kan krijgen, een gesprek aan te knopen met de notenverkoper die me nog herinnert van mijn bezoekje van gisteren, een nieuw gerecht uit te proberen in dat ene restaurantje waar het gisteren ook zo lekker was. Oftewel, ik voel me thuis in Irbid. Een stad die eigenlijk geen ‘sights’ heeft. Een stad waar ik gisteren nog half verdwaald raakte op een vijfsprong van allemaal identieke wegen. Een stad waar in mijn hotel de thee voor me wordt ingeschonken als ik de trap op kom lopen en vervolgens de dag wordt doorgesproken.
In Irbid heb ik op mijn derde avond een ontmoeting met een groep uit de kluiten gewassen jonge mannen. Ik vraag aan ze of ze deel uit maken van het nationale worstelteam. Ze barsten in lachen en zeggen dat ze in het nationale handbal zitten. Binnenkort hebben ze een interland wedstrijd en vanavond moeten ze trainen met het team. Er zijn in ieder geval geen vaste eetregels waaraan deze topatleten zich dienen te houden, want na een paar minuten volgt er een berg shoarma van hier tot Tokio welke in een mum van tijd is weggewerkt. Aan de grootste van de heren, ongeveer type 2 meter hoog 1 meter breed, vraag ik of hij de keeper is. Met zijn omvang is in ieder geval het halve doel afgedekt. Dit keer krijg ik geen lachsalvo op mij afgevuurd, hij is laatste man dus ik zit er niet zo ver van af. De tengerste van de drie bestempel ik tot buitenspeler. In één keer goed. Een glimlach is mijn beloning.
De volgende dag verlaat ik Irbid. Het zou ongeveer 20 minuten lopen moeten zijn, met volledige bepakking op mijn rug naar het North Busstation, als ik de plattegrond van Irbid een beetje goed heb ingeschat. De winkels gaan langzaam open op dit uur van de dag. De verbaasde blikken naar die ene backpacker blijven voortduren. Zou hij verdwaald zijn? Het vlees voor de verkoop van vandaag wordt keurig aan de haak gehangen. De ‘restjes’, alias de afgehakte onderbenen en bebloede hoofden, worden netjes op straat uitgestald. Een stroompje van bloed kleurt de stoep rood. Ik hoop dat de vuilniswagen zo komt opdat de indringende geur niet de halve wijk verlamd.
Volgens de plattegrond was het ‘immer gerade aus’ en dan ergens naar links om bij het busstation uit te komen. Als ik na ruim twintig minuten vier bussen uit een zijstraat zie komen rijden met piepende banden, weet ik genoeg. Eén blik die zijstraat in, laat mij inderdaad een stoffig terrein zien, omringd door marktkraampjes en gevuld met twintig minibusjes. Na een klein kwartier vertrekt er al een bus naar Umm Qais, gelegen op een steenworp afstand van de Golan Hoogvlakte. De rit zelf duurt ongeveer dertig minuten, waarvan het merendeel wordt doorgebracht in de hoofdstraat van Umm Qais. Om de vijf meter besluit namelijk weer iemand in of uit te stappen.
Ik drop mijn bagage in het eerste het beste hotel in Umm Qais. Oké, er is er maar één. Ik besluit vrijwel meteen om het stadje een beetje te verkennen, welke letterlijk uit niets meer dan een lange hoofdstraat bestaat. De weerszijden van het dorpje is onbebouwbaar gemaakt door moeder natuur. Aan de ene kant van de weg begint een groene heuvelvallei, aan de andere kant begint een immens ravijn. Dus Umm Qais kan alleen in de lengte groeien. Na een minuut of vijf lopen word ik uitgenodigd door een beeldhouwkunstenaar om zijn atelier te bekijken. Hij zal hopelijk wel beseffen dat ik niet de mogelijkheid om iets 1-2-3 mee te nemen naar huis, laat staan om het aan te schaffen. Allereerst wordt me een bak stomende thee aangeboden. Vol trots vertelt hij over zijn werk, massieve rotsblokken waarin menselijke gezichten, bloemen en dieren zijn uitgehakt. Ik gebaar dat hij door al dat hakken wel enorme spierballen moet hebben uitgehakt.
Ondertussen zie ik dat de ene na de andere toeristenbus voorbij rijdt in de richting van de ruines, even buiten de stad gelegen. Ik hoop niet dat het er net zo’n circus is als in Petra. Maar ik vrees… Uit iedere passerende bus klinkt het geluid van bonzende trommels, gillende gezangen, etc. Op de parkeerplaats van het terrein is het een groot mierennest van hossende kids, terwijl de Jordanese vlag her en der in de lucht wordt gehouden en fier in de wind wappert. Trots zijn ze, de Jordaniërs, op hun eigen land. Als ik het geluid van de trommels imiteer met handgeklap, krijg ik meteen alle vrouwelijke ogen op mij gericht gecombineerd met soms hele mooie glimlachen. De ruines zijn jammer genoeg zwaar vervallen en dat is een understatement. De brokstukken zijn genummerd, opdat ze weer gemakkelijk op en in elkaar gezet kunnen worden. Kunnen, want overal waar ik tot nu toe ben geweest ligt er een hoop restauratiewerk. Erg veel actie om oude glorie in ere te herstellen heb ik tot dusverre niet gezien. Zo trots zijn ze dus niet op een historie, of is het dat schijn bedriegt?
De ruines van Umm Qais stellen in ieder geval voorlopig nog niks voor. Maar de groene velden vol met gele en rode bloemen, welke hun territorium hebben uitgebreid tot in de ruines, bieden prachtige vergezichten. Op een rustig plekje, even buiten het ruïne complex, komen de vrolijke vogelgezangen boven het lawaai van de schoolkinderen uit. Dit plekje biedt me een prachtig uitzicht op Lake Tiberias (Galilee) waar een enorme mistbank boven hangt. Dichterbij nog dan het meer, doemt de Golan hoogvlakte voor me op. De hoogvlakten en het meer zijn in de jaren vijftig weer verloren gegaan aan of heroverd door Israël. In het vredesakkoord tussen Jordanië en Israël is destijds wel opgenomen dat Jordanië jaarlijks recht heeft op ettelijke miljoenen liters water uit het meer.
Even verderop staat een lemen huisje op de rand van letterlijk een afgrond, waar ik geniet van een moment van rust. Als snel komen er twee militairen uit het huisje gelopen, welke me nieuwsgierig aankijken. Gelukkig hebben ze geen geweren in de aanslag. Ze vertrouwen me hun verrekijker toe alwaar ik de Golan Hoogvlakte nader inspecteer. Aan de ‘overkant’ staan ook diverse inspectieposten opgesteld. Op deze manier houden beiden landen elkaars ‘activiteiten’ in dit gevoelige gebied in de gaten. Terwijl ik een beetje met de verrekijker speel, vinden de militairen hun mobiele mogelijkheden interessanter dan daadwerkelijk de wacht te houden. Waarschijnlijk uit verveling, want volgens mij is het hier een lange tijd rustig op wat vluchtelingen heen en weer na dan.
Terug in het ruïne complex loop ik een van de drie arena’s binnen. Alle vlagdragers en trommelaars hebben elkaar gevonden op de tribunes van deze arena. Nu maar hopen dat de antieke tribunes de hossende menigte voor langere tijd kunnen dragen. Op de ‘begane grond’ staan diverse dames al kontwiebelend te dansen. Als jonge Shakira’tjes en uiteraard zonder hoofddoek dansend, lijken ze te gebaren ‘look at me’. Als ik mijn duim omhoog steek in de richting van een van de dames, onder het mom van ‘ziet goed uit’, verbergt ze zich vlug achter haar vriendinnen.
Hierna ga ik op zoek naar een van de rotsschilderijen waar het ruïne complex zo bekend om staat. Het staat nergens op de beschikbare plattegronden aangegeven, dus het zal een kwestie van goed zoeken worden en veel rondvragen. Iedere suppoost of toerleider welke ik het vraag, verwijst me naar het museum welke zich ook in het archeologische park bevind. Het museum zit alleen hutje mutje vol met schoolkinderen, dus ik besluit iets later hier naar binnen te gaan, daar ik namelijk het ‘ge-hello’ een klein beetje boel zat ben. Na een half uurtje rond lopen, probeer ik het opnieuw. Er bevinden zich nu slechts 2 busladingen schoolkinderen, welke weinig respect tonen voor de voorwerpen uit de oudheid. Standbeelden dienen namelijk rustig als ‘leun en zit’-voorwerp. Er is ook geen leraar of suppoost die er wat van zegt. Op zoek naar het rotsschilderij, kam ik hele museum uit. Doorloop sommige gedeeltes zelfs twee keer om zeker te weten dat ik het niet over het hoofd heb gezien. Als een van de twee klassen het museum verlaat, blijkt ook dat de rotsschilderij andere doeleinden heeft gediend: als stoel. De benen van een aantal kids hebben het schilderij van een menselijk schild voorzien. Nu pas kan ik het zien.
Een dagje er op uit in eigen land is een groot feest voor de lokale bevolking. Met busladingen tegelijkertijd laten ze zich naar de diverse attracties rijden. In de bus zelf klinken tien tallen trommels door elkaar, waarop de passagiers en masse beginnen te dansen, springen en zingen.Vlaggen met de vierkleur van Jordanië wapperen in grote aantallen. Al dit enthousiasme zorgt voor een iet wat onontspannen situatie voor de schaarse toerist. In dat geval wacht ik even met genieten van de plek totdat de rust is teruggekeerd. Zo ook als ik loop naar Al Himma, ca. 1.200 meter lager gelegen, welke bekend zou staan om zijn ‘ancient Roman baths’.
Het is een strakblauwe dag, dus ik durf die 10 kilometer bergafwaarts lopen wel aan, met in mijn rugzakje een zwembroek en handdoek. Direct achter de gisteren bezochte ruines, duikt de weg al slingerend middels diverse haarspeldbochten het dal in. De Golan Hoogvlakte is een niet te missen oriëntatiepunt gedurende de gehele afdaling. Uiteindelijk zal ik van 1.000 meter boven de zeespiegel afdalen tot en met 200 meter onder de zeespiegel. Dit heeft uiteraard de nodige gevolgen voor de natuur. Boven op de berg groeien al relatief veel bloemen, voor Jordanese begrippen dan, beneden in het dal wordt dit aangevuld met palm-, olijf-, en pijnbomen, bananenplanten tot zo ver het oog reikt. De Golan Hoogvlakte wordt meer en meer een imposante klif, schier onmogelijk zo lijkt het om deze even te beklimmen hetzij af te dalen. Een onneembare vesting zou je zo zeggen. Toch heeft het Jordanese leger her en der een uitkijktoren staan en hebben de Israëliërs een ketting van legerposten over de gehele Golan Hoogvlakte staan.
Onderweg kom ik bij een paar Jordanese legerposten. Als ik zeg dat ik naar Al Himma wil lopen, glimlachen ze en laten me mijn weg vervolgen. De mannen bij de meeste posten hebben het echter te druk met kaarten, sigaretjes roken en het oppoetsen van de in al tien jaar niet gebruikte tanks, compleet voorzien van mitrailleur installaties.
Her en der passeren bussen me met dreunende trommels. Sommigen zwaaien hun deur open en gebaren dat ik mee kan rijden. Ik wil vandaag echter gewoon lekker lopen. Misschien op de weg terug omhoog? Langs de weg hebben vele mensen een stuk gras tot hun picknick plek gemaakt. Opvallend is dat de vrouwen met kinderen apart picknicken van de grote hordes mannen.
Een kleine 2 uur later wandel ik Al Himma binnen, alwaar het wederom een groot circus is van bussen, gillende kinderen, barbecues, etc. Het blijkt namelijk een of andere feestdag te zijn, wederom, en alle ‘Roman Baths’ zitten vol en zijn voor de rest van de dag gereserveerd. Het was een mooie wandeling. Maar de drukte al hier is niet leuk. Ik besluit na een drankje of twee weer te gaan, per bus weliswaar naar Umm Qais. Helemaal aangezien in Al Himma ongeveer tien keer per minuut om ‘dinar, dinar’ wordt gezeurd. Eenmaal terug in Umm Qais komen er ook direct weer kinderen op me afgerend. Deze willen gelukkig enkel en alleen voetballen. Ben niet zo’n talent en het duurt niet lang of een magistraal schot van mij dreigt het ravijn in te rollen. Gelukkig trekt een van de kinderen een sprintje en houdt de bal nog niet uit het ravijn. Shukran! Leuk om te zien dat niet ieder kindje reeds ‘spoiled’ is in Jordanië.