Mukawir – Terug naar het stenen tijdperk
Jordanie – 2006
Mukawir schijnt de reiziger, die een beetje moeite wil doen, prachtige vergezichten te bieden. Dat het ook de plek is waar Johannes de Doper onthoofd is, interesseert me niet zo veel. Het avontuur begint al op het busstation. De juiste bus vinden naar Madaba in Amman was een eitje. Gewoonweg ‘Madaba, Madaba’ roepen en tig handen willen je naar de juiste bus begeleiden. ‘Mukawir, Mukawir’ leidt vandaag meer tot vragende gezichten zo van ‘wat wil je daar in vredesnaam doen’. En de bus, ja die zal wel ergens vandaag gaan, toch? Een rondje vragen levert me de volgende antwoorden op: “Yes, 10 minutes”, “Yes, half hour”, “Yes, 9 a.m.”, “Yes, 12 p.m.”, “No bus, too far away. Mukawir is only a small village”.
Dit laatste antwoord krijg ik van, jawel, een taxichauffeur. Hij wil me er uiteraard wel graag naar toe brengen voor het luttele bedrag van 15 JD. Dit is zo’n beetje de oudste scam voor backpackers. Deze man krijgt zelfs een politieagent zo ver “JA” te laten knikken op een vraag in het Jordanees waar ergens Mukawir in voor komt. Terug vertaald naar het Engels, zou het er op neer komen dat het alleen per privé vervoer mogelijk is Mukawir te bereiken. Ik vertrouw deze man niet en besluit te gaan zitten op de plek waar de potentiële bus naar Mukawir zou moeten komen. Een vriendelijke Palestijn bevestigt deze plek nogmaals. Een vrouw met kind zegt dat ze ook naar Mukawir gaat en blijft ook op dezelfde plek staan. Aangezien vrouwen nooit liegen, gok ik erop dat er daadwerkelijk ook vandaag nog een bus naar Mukawir gaat. Hopelijk gaat er ook nog een bus terug…
De Jordaniërs berusten erg in hun lot als het gaat om wachten op openbaar vervoer. Een klein leger van vrouwen met rondrennende kinderen, bewapend met manden vol aardappelen en uien, wachtend een halte verderop. Op zich rijden er best veel bussen af en aan, maar geen van de bussen komt naar de bushalte waar ik sta annex zit. Na een uurtje wachten of zo, komt er een Palestijnse man naar me toe :”Mukawir, Mukawir”. Hij wijst hierbij naar een bus, welke aan komt rijden. Met een glimlach op zijn gezicht, waarbij zijn nog twee resterende voortanden zich laten zien, denkt hij mij een goede dienst bewezen te hebben. Maar helaas, ook deze bus gaat een andere kant op. Een kwartiertje later komt de bus uiteindelijk. Gelukkig wacht de chauffeur niet totdat de bus vol zit, want naast mij en de vrouw met kind wil niemand naar Mukawir. De buschauffeur kijkt me wel erg vragend aan als ik zeg dat ik naar Mukawir wil gaan, zo van “wat moet jij daar nou in hemelsnaam doen”.
Eenmaal de stad uit, laat vrijwel meteen Wadi Mujib zich zien, een immense woestijn geflankeerd door een blauwe gloed van de Dode Zee, welke in schril contrast staat tegen de grijze gloed van de bergruggen welke de woestijn doorkruisen. De rit naar Mukawir, duurt een uurtje. Een uurtje van bochtjes draaien terwijl de hitte van de woestijn de bus binnendringt.
Mukawir is niet meer dan een verzameling van één misschien twee dozijn lemen huisjes. Honderden schapen bezetten de tuintjes, straatjes en heuvels. Het enige geluid wat ik hoor, komt uit de even verderop gelegen school. Voor de rest is het er helemaal stil. Geen restaurants, geen hotel, geen drukke theebar, geen hangouderen, geen auto’s. Rust, een strak blauwe hemel, en af en toe het geluid van een geitenbel. Een complete lege weg, waar de tand des tijds behoorlijk heeft toegeslagen, begeleidt mij naar een fort. Langs de weg staan naar wat lijkt schier verlaten huisjes. Als de weg naar het fort vordert, herinneren stenen omheiningen aan wat vroeger een huis met tuin geweest moet zijn. Begroeiing in de vorm van planten, bomen, struiken of alleen maar een graspol is schaars. Dus de schapen zullen niet aan hun lijn hoeven te denken. Bij het laatste huisje van het dorpje, steekt een klein jochie zijn gezicht even buiten het raam. Een zwaai en ‘hello’ van mijn kant, vindt hij nog te eng. De weg richting de berg waarop het fort ligt, loopt bergafwaarts. Des te meer klimmen op de weg terug in de brandende zon. Het water van de Dode Zee weerkaatst de zonnestralen alle kanten op. Schaduw is nergens te bekennen.
Even later zie ik een aantal gaten in een rotswand. Wellicht oude bedouine rotswoningen? Als ik recht voor de gaten sta, zie ik dat tegen de rotswand aan gekleurde doeken hangen te drogen. Plotseling komt er ook nog een vrouw met een idem doek in haar handen uit een van de gaten gelopen. Als ze de doek tegen de rotswand gooit en weer het rotsgat in schiet, weet ik het zeker: ik ben beland in het stenen tijdperk. Ik weet niet hoe ik 1-2-3 bij de woning kan komen. Zonder touw om mee te abseilen, lijkt het haast schier onmogelijk. Maar waarschijnlijk is er ergens een geheim pad waarmee de inwoners op slippertjes hun woning kunnen bereiken. Ik kan deze alleen niet echt ontdekken.
Na een uurtje lopen, sta ik oog in oog met de berg van ca. 800 meter hoog, al waar op de top een fort staat. Een soort van toegangsweg compleet met half afgebrokkelde muurtjes aan beide kanten, leidt me naar de top in iets meer dan een half uurtje. Bovenop tref ik niet meer aan dan paar opnieuw overeind gezette palen en wat rotsblokken. Maar het uitzicht over het droge bergland met de Dode Zee en de eerste lijnen van Israël aan de horizon, is prachtig. De diverse berghellingen welke naar Dode Zee leiden, zijn allen zwaar onderhevig geweest aan de erosie woede van Moeder Natuur. Hiervan getuigen de vreemde vormen van de bergen en de lijnen welke in de hellingen getekend lijken.
De zon heeft duidelijk niet de intentie om minder zonnekracht af te stoten, dus ik besluit om vrij snel weer de tocht naar Madaba te aanvaarden. Als ik na een anderhalf uur terug ben op de plek waar de bus me eerder eruit had gelaten, komt een man naar me toe gelopen. Hij kan in ieder geval bevestigen dat er op deze plek een bus naar Madaba komt. We trachten te communiceren, maar mijn phraseboekje ligt in Madaba, dus erg ver komen we niet. Na een kwartiertje of zo loopt hij een gebouwtje binnen met speakers op het dak. De gezangen welke even later uit de speakers schallen, doorbreken de intense stilte voor een paar minuten.
Na een uur wachten begin ik hem nog niet zo zeer te knijpen of die bus nu wel of niet komt opdagen. Ik vind het in ieder geval niet meer leuk. Helemaal niet omdat het zo snik en snikheet is. Een aantal trucks doen me iedere keer opveren van mijn tot stoel omgetoverde rots, in de hoop dat het een bus is. Echter, iedere keer tevergeefs. Na anderhalf uur word ik uit mijn lijden verlost. Een pick-up truck stopt en roept : “You, Madaba?” “Come in”, zo lijkt hij te gebaren. 1JD is zijn vraagprijs. Ik gun deze man zijn winst van een halve JD, als ik maar uit de zon ben. Een klein uurtje en twee handen vol tandenbrekende pinda’s later, rijden we Madaba binnen waar hij me ergens aan de rand van het centrum afzet. Het oriëntatiepunt voor de looproute naar het centrum is de kerk met bloementuin op de heuveltop. Al snel herken ik plekken, alsof ik hier al weken ben. Morgen is het tijd ‘to move on’.