Deuren openen in Amman
Jordanie – 2006
Ik word wakker en geniet rustig van een koffie op mijn balkonnetje. Het is voor het eerst dit jaar dat de zonnestralen sterk genoeg zijn om dit toe te laten. Helaas is deze lente voorpret van korte duur, want een klein uurtje later is het steen koud en vallen al weer vele sneeuwvlokjes uit de lucht. De eerste Paas kunstwerkjes liggen zelfs al weer in de etalages. Echter, voordat het Pasen is, heb ik al weer een nieuw avontuur beleefd. Jordanië! Het is overigens al weer het tweede avontuur van minimaal drie weken in dit nog prille jaar. Een soort van bonus, met dank aan mijn ontslagname bij mijn vorige werkgever. De laatste resterende werkstress ren ik eruit met een enkeltje Brouwerij ’t IJ – Bilderdijkstraat. Mijn gedachten zijn hierna maar op één ding gefocust.
Jordanië, een land omringd door buren met een lang en heftig oorlogsverleden en voor sommige ook nog een lange onrustige toekomst. In Irak dient zich een burgeroorlog aan, ook mét Amerikaanse aanwezigheid in het land. Alweer strijd tussen de soennietten en sjiieten. Jordanië is eigenlijk een vreemde eend in de bijt. De laatste oorlog is al relatief lang geleden. De bomaanslag in een drietal toeristenhotels in Amman in november 2005, lijkt een eenmalige oprisping geweest te zijn. Dus niets staat een tweede avontuur naar het Midden-Oosten, na een eerdere reis door Kurdisch Turkije in 2004, in de weg.
Na het hardlopen is het een kwestie van mijn rugzak inpakken, een laatste Hollandse maaltijd en de volgende ochtend vroeg naar het vliegveld. In het vliegtuig is het een circus van ogenschijnlijke Aqaba-gangers, de enige badplaats van het land welke weinig met het echte Jordanië te maken heeft. Royal Jordanian Airlines trakteert haar reizigers op een privé tv-schermpje. Op eén van de beschikbare tv-zenders wordt het aantal kilometers tot aan Mekka afgeteld.
Eenmaal geland is het een kwestie van een stempel annex visum a 10JD, ca. 12 Euro, ophalen, wat geld wisselen, bagage oppikken en op naar down town Amman. Een stad welke niet het Arabische karakter heeft van Cairo of Damascus, aldus de reisgids. Maar Amman is wel een metropool van bijna 2 miljoen mensen en dus zeker goed voor spannende wandelingen ‘all over town’. Ik heb in Nederland al via http://www.hotels.com een overnachting geboekt inclusief een gratis lift van de airport. De man welke me naar de stad zal rijden, heeft verdacht veel weg van een uit een James Bond-film gestapte ‘bad guy’. Spijkerkleding, een kale, glimmende kop, gitzwarte wenkbrauwen, een ingevallen gezicht en een glimlach welke met heel veel moeite zijn norse uitstraling voor al is het maar een seconde verdringt.
Ik loop met hem naar zijn auto, een slee van een Mercedes compleet met de landsticker van Duitsland. Een seconde of vijf nadat beide portieren zijn gesloten, staat de kilometerteller al op 100 km/u. Scheuren geblazen. Af en toe passeren we de 160. De medeweggebruikers werken flink op zijn zenuwen als hij er langs wil. Voorliggers maken er namelijk een gewoonte van om op de tweebaansweg keurig op de stippellijn te rijden. Oftewel er kan eigenlijk niemand langs. Zonder tuteren dan, want spiegels worden toch niet gebruikt. Langs de snelweg staan diverse auto’s in de berm geparkeerd. Groepjes mensen zitten op de railing of op plastic stoeltjes. Gewoon langs de weg, midden tussen de uitlaatgassen. Ik vraag aan de chauffeur wat al die mensen daar in vredesnaam doen. Zijn antwoord: “picknicken”. Hm, ik kan wel een leukere plek verzinnen!
Even later verandert de tweebaans weg in een driebaans weg, regelmatig in gebruik door 4 auto’s naast elkaar, in een persoonlijke race verwikkeld. Mijn chauffeur rijdt ook overigens niet al te best, door niet echt lekker in te spelen op het rijgedrag van anderen. Gas, rem, gas, rem. Oftewel, mijn beenspieren worden flink getraind, aangezien ik niet met mijn neus door de voorruit heen wil gaan. Ondertussen geeft de chauffeur continu af middels wegwerpgebaren, demonische ogen en heftig taalgebruik af op de andere weggebruikers, in plaats van eerst naar zijn eigen sublieme rijgedrag te kijken.
Zijn naam is Harron en hij blijkt de eigenaar van het hotel te zijn waar ik overnacht. Als we Amman zijn binnen gereden, valt het me meteen op dat de huizen nauwelijks verlicht zijn, terwijl het toch pas een uurtje of half acht ’s avonds is. Is er een bijzonder event waardoor niemand thuis is? Is de elektriciteit en masse uitgevallen? Is er geen geld om lichten aan te doen? Geen idee.
De stad laat meteen zijn heuvelachtige karakter zien, geen enkele weg loopt namelijk waterpas, snelwegen lopen over en onder elkaar door. Een heerlijke raceparcours voor Harron.”I wouldn’t like to cross a street here”, zeg ik tegen Harron. Zowaar valt mij een glimlach ten deel. Nog een keer trapt hij vol op de rem, we zijn namelijk gearriveerd bij het hotel. Tea first!
Al zittend in de hotellobby, ontmoet ik een man van zo’n 40 misschien 45 jaar, woonachtig in Petra. Hij doceert op de Universiteit van Mu’tah en twee dagen per week werkt hij in Amman aan zijn Ph. D. in Quality Management. Ik zeg exporteren naar Nederland die cursus, ik ken nog wel een aantal mensen, welke deze cursus hard nodig hebben. Hij is verbaasd over het feit dat ik drie hele weken in Jordanië verblijf. “Most people only come for 8 days, stay in Aqaba en take a day trip to Petra”.
Na mijn bagage gedumpt te hebben en even een plens koud Ammanees leidingwater door mijn gezicht gegooid te hebben, is het tijd geworden voor een eerste maaltijd in Amman. Ik loop door de stad in de richting welke Harron me aanbevolen had. De stad is echter compleet verduisterd. Nergens een lichtje, op een straatlantaarn om de honderd meter na dan. Af en toe loopt iemand me tegemoet. Het is rustig, misschien wel te rustig. Alleen het lawaai van een voorbij scheurende auto verstoort de rust. De hoofdweg welke ik afloop wordt af en toe ‘gekruist’ door een nog donkerder steegje. In een aantal van deze steegjes hebben zich hotelletjes gevestigd. De geur welke uit de steegjes komt, zorgt niet echt voor een welkome entree. Een metertje of tweehonderd verder hoor ik voor het eerst wat geluiden en zie ik enige tekens van leven. Ik ga bij het eerste het beste restaurantje naar binnen. Binnen zitten twee gasten en een in slaap gevallen ober. De muziek schalt door de boxen op volume tien met een enorm gekraak. Een ander ouder mannetje brengt me, zonder eerst een menu in gezien te hebben, een bord met rijst en halve kip erop gekwakt. Goh, daar had ik nou net zin in. Een zakenmannetje krijgt tegelijkertijd met mij exact hetzelfde geserveerd.
Het begrip druk, druk, druk is hier ook ingeburgerd. Het zakenmannetje neemt in een minuut of twee zo veel als mogelijk happen, laat de helft staan, werpt wat muntjes op tafel en haast zich uit het restaurant, zijn stropdas weer om bindend. Er wordt dus nog ergens in de stad wel gewerkt.
Na een half uurtje of zo loop ik terug door het donkere Amman. De hoofdstraat is simpelweg spooky. De heuvels laten dit gedeelte van de stad nergens waterpas lopen. De huizenblokken kruipen over de helling omhoog, opdat ze op bepaalde punten hoog boven me uit torenen. Het lijkt wel op een verduisterde favela van Rio. Ben benieuwd hoe het er bij daglicht uitziet.
Het antwoord daarop simpel. Er zijn nu wel contouren te herkennen, maar de stad is een aaneenschakeling van heuvels, compleet volgebouwd met huizen, allen in zeer onbetrouwbare toestand. De lucht is donkergrijs. Het lijkt erop of de hemel de stad ieder moment een natte plensdouche wil geven. De mensen lopen enorm gehaast over straat, alsof er een wilde hond achter hen aanzit. De gezichten staan op oorlog, totdat je ze een glimlacht toewerpt, welke onmiddellijk wordt beantwoord met een dito glimlach. Maar daarna keert de haast snel terug bij de lokale bevolking. Veel winkeliers staan ook gewoon in een deuropening van een of ander duisterwinkeltje, een sigaret rokend en de wereld aanstarend. Aan hen gaat de stress voorbij. Af en toe komt er voor hen een bekende langs, welke al dan niet met zoenen of omhelzingen wordt begroet. Maar onderling echt converserende mannen is een ander verhaal. Met vuur in hun ogen bestoken ze elkaar met woorden, afgevuurd op een dusdanig emotioneel niveau dat ik behoorlijke afstand houd. Maar waarom zo emotioneel? Zijn ze slechthorend? Is dit hun manier om hun mannelijkheid te bewijzen? Is het onzekerheid en is dit hun manier om er van af te komen? Gelukkig is het merendeel van de conversaties meer toneelspel. Als ze namelijk uitgeraasd zijn, lopen ze even later weer al knuffelend en handje vasthoudend over straat.
De auto’s razen onverminderd voort. Een straat oversteken in Amman is een kunst op zich. Maar na een paar keer kom ik tot een onvoorstelbare ontdekking: auto’s passen zich aan aan overstekende voetgangers! De eerste keer volg ik een oud mannetje die wel heel erg lukraak oversteekt. Maar warempel, auto’s stoppen of remmen af al relatief ver van te voren. Op het moment dat ik besluit zonder ‘hulp’ van anderen over te steken, blijkt dat je het verkeer kunt ‘dirigeren’. Zodoende kan je ook auto’s laten stoppen annex afremmen, onder het mom van ”nu ben ik aan de beurt”.
De stad Amman is oorspronkelijk, in navolging van Rome, gebouwd op zeven heuvels. Echter, de stad spreidt zich inmiddels uit over meer dan achttien heuvels. De eerste dag van de stad verkennen is dan ook loodzwaar. Steil omhoog lopend, dan weer omlaag, mijn conditie zal er hier niet veel slechter van worden. Jammer alleen van de grote zwarte wolken van vrachtwagens en bussen.Vele, haast loodrecht omhoog lopende, trappen verbinden de hoofdwegen met elkaar. Deze zijn gebouwd voor de voetgangers die niet honderden meters willen omlopen. Aan weerzijden van de trappen zijn veelal krakkemikkige huisjes gebouwd. Deze trappenstelsels zijn het terrein van zgn. ‘hang-Jordanen’, die er zich ophouden. Veelal zitten ze er gewoon te roken, te kletsen en werpen af en toe een blik op degene die er omhoog komt geklauterd. Geen moment voel ik me als een indringer in verboden of gevaarlijk terrein. Eén keer slechts voelde ik me geïntimideerd, maar niet in gevaar. Een man, ca. 25 jaar of zo, ziet me aan komen klimmen. Zodra ik op één trede afstand ben gekomen, staat hij op en doet een stap opzij in mijn looprichting. Hij kijkt nu feitelijk op me neer op een afstand van 10 cm of zo. Hm, okay en nu? Hij kijkt me aan een zegt al relatief snel: “Hello, where are you from?”. Als hij een lange stilte had aangehouden had ik me denk heel snel omgedraaid. Ik loop met een boogje om hem heen, geef hem antwoord op zijn vraag. “Welcome to Jordan” is zijn antwoord daarop. “Shukran” en ik klim door naar de top van de trap.
Na een paar uur door het centrum gedoold te hebben, ieder steegje doorgelopen te hebben, half doof te zijn geworden met dank aan alle auto’s welke over de hoofdwegen razen, kom ik aan bij een oase van rust: Hashemite Square. Een parkje, met bankjes, een theekraampje, een grasveldje. Rust! Her en der zitten wat oudere Palestijnse mannen een waterpijpje te roken. Even verder doet het Roman Theater langzaam maar zeker de deuren open. Een stadion in de vorm van een halve cirkel met stenen zitplaatsen, enkele tientallen meters omhoog gebouwd tegen een rotswand aan. Een steile trap a la de Amsterdam Arena brengt me naar de top, alwaar het theater podium heel klein lijkt. Vanaf hier bekeken valt goed te zien hoe de ene heuvel achter de ander verdwijnt. Alle heuvels zijn nagenoeg compleet volgebouwd. De hoogste heuvel, Jebel Amman, herbergt een van de oudste bouwwerken van de stad, de Citadel.
De weg erheen laat zich echter niet zo gemakkelijk vinden aangezien er iets meer wegen, straatjes en steegjes in het echt zijn dan op de plattegrond verwerkt zijn. Bij iedere straat, welke ‘omhoog’ loopt, sla ik af in de hoop dat dit de meeste logische weg omhoog is. Straatnamen zijn er niet of nauwelijks dus mijn zoektocht is echt op goed geluk. Erg frustrerend als de weg na een flinke klim omhoog, weer net zo hard afloopt.
De Citadel laat zich al aanschouwen, echter er lijken nog minimaal 3 heuvelruggen overbrugd te moeten worden. Na nog een half uur dolen, vraag ik de weg aan een voor zich uitstarend oud mannetje. Hij wijst ‘omhoog’. Middels weer een steile trap wel te verstaan. Na vijf minuten traplopen bevind ik me in een voortuin, dus ik denk dat het een doodlopende trappenweg is. Maar nee hoor, gewoon de voortuin doorsteken en de trap klimt even later verder de heuvel op. Na ongeveer vijftien minuten trap lopen kom ik op een soort van hoofdweg uit, welke de goede kant op lijkt te lopen.
Even later zie ik nog een paar overeind staande Romeinse kolommen. Meer dan een paar is het ook niet. De top van de heuvel is in ieder geval bereikt! Er staan drie mannen in dure pakken bij de ingang van een moskee, omringd door tien man security. Zal wel een belangrijke moskee zijn! Als ik de moskee doorloop, waarvan ik als leek weinig bijzonders aan kan herleiden, tref ik aan de andere kant een verzameling van oude ‘dakloze’ huisjes. Het er naast gelegen museum laat voor mij persoonlijk weinig boeiende dingen te zien. Maar de klim erheen wordt in zijn geheel goed gemaakt door het uitzicht over Amman. Overal heuvels, tot aan de horizon, waarover Amman zich heeft uitgebreid. Op de top van een van de heuvels wappert een Jordanese vlag van ongelooflijke afmetingen. Een groepje voetballende kids, gewoon tussen de restanten van de omgevallen Romeinse kolommen, heeft mij al vrij snel in het vizier. De voetbal is plotseling niet meer interessant, mijn tas des te meer want van achteren voel ik overal jochies aan mijn tas trekken. Wellicht een geintje, maar het blijft niet bij een seconde of wat dus ik ruk me los en loop weg. Jammer, een balletje trappen is denk ik leuker.
Tijd om het busstation te vinden om wat dingen voor de tocht van morgen naar Madaba uit te zoeken. Ditmaal probeer ik de plattegrond goed te volgen, maar al gauw ben ik al weer van de kaart afgelopen. Gelukkig is de te maken correctie dit maal eenvoudiger: bergafwaarts! Na slechts een uurtje van lopen, dolen, vragen etc. kom ik aan bij Abdali busstation. Een heerlijke chaos van tientallen minibusjes, taxi’s en vooral veel schreeuwende en rennende mensen. Er is geen loket, geen wachtrij, geen vertrekstaatje, geen inlichtingenkantoortje, alleen maar Arabische tekens geschilderd op de busjes. Dat wordt dus veel rondvragen morgen om in de goede minibus naar Madaba terecht te komen. Schuin achter het busstation staan de kleuren van de fel blauwe King Abdullah moskee in schril contrast tot de reeds aardig donkergrijze lucht. Ik zet de looppas erin, terug naar ‘down town’. Al lopende wil een man uit Aqaba een gesprek aanknopen. Na een serie standaardvragen, krijg ik de vraag voorgeschoteld of ik Arabieren mag. Het lijkt me gezien het feit dat ik ogenschijnlijk de enige toerist ben in de nabije omgeving, een nogal retorische vraag. Even later vervolgt hij: “You are here, this is reality! TV is no reality! Only lies! All Arabian countries are nice! No difference!” Of ik naar Irak wil? Nog even niet graag.
Een hapje eten in Hashem restaurant, een doorsnee fallafel tokootje, is een schouwspel op zich. Alle zeven obers hebben stress om de misschien tien aanwezige mannen van eten en drinken te voorzien. Ze lopen als gekken door elkaar heen met dienbladen. De kok gooit de ene na de andere fallafel bal in het vet. Een jochie met een leeg dienblad sprint naar buiten om twee minuten later terug te komen met een dienblad vol gevulde ienemienie theekopjes terug te komen. Eén slok en leeg, waarna het jochie weer naar buiten schiet. De obers gooien overal broden op de tafels, een bordje met vijf sauzen en wat hummus volgt vijf minuten later, want er zijn nog te weinig uien geschild. Een om brood vragende man, krijgt deze zowat toegefrisbeet. De flesjes cola worden dusdanig neergezet, dat het beter is om niet meteen de dop eraf te halen. Ondertussen verveelt de kassier en waarschijnlijk ook de baas, zich gruwelijk. Een papiertje van een JD, wat muntjes retour. Verder niks te doen. Het ergste van alles: niemand lacht. Totdat een of andere half verdwaalde toerist in het Arabisch tracht te vragen hoeveel hij moet betalen: “Kam Masari”. BAF! Glimlach in mijn gezicht.
Eenmaal terug in het hotel blijkt mijn sleutel niet meer te werken. De eigenaar kijkt me verbaast en een beetje lacherig aan. Echter, het lachen is hem snel vergaan. Het lukt hem namelijk ook niet om de sleutel om te draaien zonder deze af te laten breken, waarna hij al gauw begint te vloeken, tieren, brullen. Na een minuut of twee heeft hij er genoeg van. Hij trapt de deur in, laat me mijn bagage pakken en geeft me een nieuwe kamer.