De wondere wereld van Petra

De wondere wereld van Petra

Jordanie – 2006

Blij ben ik als ik uitgecheckt heb uit mijn stinkhotel, met een douche te ranzig om te gebruiken. Letterlijk. Op naar Wadi Musa! Vanuit het hotel is het ongeveer 200 meter lopen naar het busstationnetje. De bus naar Petra annex Wadi Musa staat er al, inclusief twee nerveus rond banjerende Fransozen. Nerveus omdat ze al een tijdje staan te wachten om weg te komen. Bussen in Jordanië kennen geen vaste vertrekstaten. Ze vertrekken pas als de bus tot de nok toe vol zit, zeker als het gaat om een bestemming als Petra. Petra is er voor de toeristen. Het is verder een relatief klein stadje, met derhalve ook weinig werkgelegenheid anders dan in het toerisme. Aangezien het gros van de toeristen naar Petra gaat met een luxe touringcar, kan het dus wel even duren voordat deze minibus vertrekt. Maar ja, ik kan me de nervositeit van deze heren ook wel weer voorstellen. Ze hebben namelijk maar één dag, vandaag, uitgetrokken om Petra te bekijken. Dus hoe later de bus vertrekt, hoe korter ze hebben om Petra goed in zich op te nemen. Een dag in Petra is sowieso eerder regel dan uitzondering, waar ik weer niks van begrijp.

Een uurtje nadat ik op het busstation aangekomen ben, scheuren we Aqaba uit. Dus al met al, valt het eigenlijk wel mee. Al snel rijden we door het canyon- en woestijnland. Overal kliffen, afgronden en bergen die bij de minst geringe aanraking in lijken te storten. Onderweg wordt de bus vier keer door militairen tot stoppen gedwongen voor zgn. paspoort controles. Met de mitrailleurs in de aanslag komen de militairen in de bus. Mijn paspoort en dat van de Fransen krijgt maar een geringe blik. Maar alle ID’s van de locals in de bus gaan mee de bus uit, voor nadere inspectie in een of ander betonnen hokje. Ondertussen wacht een militair bij de deur van de minibus, ook weer met een mitrailleur in de aanslag. Hiermee lijkt hij te zeggen dat we de bus tot nader order niet mogen verlaten. Eén van de controles duurt maar liefst twintig minuten, hiermee de tijd van de Fransen in Petra ook weer flink verkortend.

Eenmaal van de Desert Highway af, belandt de bus in een dik pak wolken. Op sommige plekken kan ik niet eens vijf meter voor me uit kijken. Uiteraard is dit sterk beperkte zicht geen enkele aanleiding voor de buschauffeur om rustiger te rijden. Ok, hij doet wel de lichten aan. Hetzelfde geldt gelukkig ook voor de tegenliggers. Er ontstaan de nodige schrikeffecten als op een paar meter afstand plots uit het niks twee lichten door de wolkenmassa heen dringen. Met andere woorden, meer dan tijd genoeg voor de beide chauffeurs om erop te anticiperen.

Her en der staan bedouinen tenten opgesteld. Gelukkig beschikken de bedouinen wel, midden in de woestijn, over dikke kleren. Ook Petra binnenrijdend heb ik weinig vertrouwen op een verblijf met mooie vergezichten, strak blauwe hemels en zo. Eenmaal uit de bus, zoek ik meteen mijn trui op daar het ijs- en ijskoud is. Anton en Britt, ontmoet in Dana, bevolen me van harte Cleopatra hotel aan, welke ik dan ook meteen opzoek. Ze hebben gelijk. Supervriendelijk personeel, prima kamers en idem douches met warm water, al is het maar voor een paar uur per dag, thee bij de vleet en Musla. Musla kan zo als stand-up comedian aan de slag, hij vermaakt de gasten met grapjes en grollen 24 uur per dag.

Deze dag zal ik Petra nog niet verkennen. Ik wil mijn eerste bezoek pas morgen brengen, helemaal omdat het nu ook geen lekker weer is en ik toch meer dan genoeg tijd heb. Ik loop een beetje door het stadje Wadi Musa heen. Veel staat in het teken van het toerisme. Dagelijks komen hier busladingen toeristen aan, welke één nacht verblijven in een van de luxueuze hotels vlakbij de ingang van Petra. Maar als je even van de hoofdweg afgaat, welke ze heel toepasselijk omgedoopt hebben tot Tourist road, zit je al snel in het gewone Jordaanse leven. Compleet met rondrennende kids, moskeeën, krakkemikkige huisjes en rommel op iedere straathoek, waar tussen honden nog een smakelijke maaltijd bij elkaar trachten te sprokkelen.

Ik loop vervolgens naar Ain’ Musa, zo’n 4 km bergopwaarts. Hier heeft, volgens de bijbelse overlevering, Mozes een rots aangeraakt waarna er water uit de rots sijpelde voor de dorstige bevolking. Of dit ook echt de plek is, weet niemand. Meerdere plekken zijn hierover met elkaar in discussie. Schuin tegenover de bewuste plek, word ik uitgenodigd op de thee door een oudere man. Dat er een commerciële insteek achter schuilt, gezien het feit dat hij een souvenirwinkel heeft, kan me niets schelen. Ik heb net 4 km bergopwaarts gelopen en een kopje thee gaat er wel in. Daarnaast kleurt de lucht momenteel wel erg zwart weg.

De man vult flesjes met verschillende kleuren ‘Petra-zand’, waarmee hij de meest fantastische schilderijtjes maakt. Hij gebruikt zelfs lege Coca-Cola flesjes om zijn winkel te voorzien van genoeg voorraad. Hij gebaart naar een of ander vuil tapijtje, welke dient als mijn zitplaats, en duwt een lege fles in mijn handen. Met een soort van schepje pakt hij de eerste kleur zand en gooit de inhoud in een soort van trechtertje. Hiermee verdeelt hij de inhoud langs de flesrand. Dan is het mijn beurt. Kleur na kleur, laag na laag vul ik de fles tot de nok. Met een ijzerdraadje schraapt hij langs de zijkant van de fles, waarna de kleuren zich met elkaar mengen en er dus ook vormen annex figuurtjes ontstaan. Dan dien ik dit tig keer te herhalen, waarna er een soort van spinnenweb van zwart zand aan de rand van fles ontstaat. Oké, maar hoe maak ik die kameel? Tsja, handvaardigheid was vroeger nooit mijn sterkste vak op de lagere school. Wat een heerlijk stressloos vak heeft deze man. Hij kan ermee ook nog eens zijn gezin onderhouden. Wat wil een mens nog meer?

De lucht wordt al wat lichter, wederom heeft geen druppeltje water het land verblijd. Als ik terugloop richting mijn hotel, word ik gepasseerd door een rennende jongen van een jaar of 14, misschien 16, compleet in sporttenue. Hij onderbreekt zijn training en draait zich om. “Hello”. Ik steek mijn duim omhoog en zeg dat ie goed aan het rennen is. “You run?” Hmm, ik loop hier op mijn bergschoenen, heb een rugzak op, maar dat laat ik me geen twee keer zeggen. Waarschijnlijk bedoelde hij het anders, maar ik begin bergafwaarts te rennen. We rennen zo’n 2 kilometer bergafwaarts. Hij moet om de zoveel honderd meter op adem komen, zeker als ik weer eens een tussensprintje inzet. Af en toe kijkt een omstander me vreemd aan. Het zal er ook wel gek uit hebben gezien, een rennende toerist op bergschoenen naast een jongen in sporttenue. Als hij rechts gaat, waar ik links ga, geven we elkaar een hand waarna hij meteen zijn duim opsteekt. Ik kan totaal niet met hem verbaal communiceren, maar dit is weer een typische geval hoe mooi reizen is. Even later passeer ik een billboard van de Dead Sea Marathon (sponsored by LG), 50 km bergafwaarts rennen. Wellicht traint hij hiervoor?

De volgende ochtend sta ik vroeg op en zet snel pas naar de ingang van Petra. De reisgids begint met een kopje ‘how to leave Petra with a smile’. Hiermee doelende op de ‘horse-ride-sir’ mannetjes, kamelendrivers, souvo-hawkers, ‘please-sit-down-and–have-a-cup-of-bedouin-tea’ dames. Ja, ze kunnen irritant zijn zal later blijken, maar ja voor hen is dat dé manier om aan brood te komen. Niks anders, niks persoonlijks. Een glimlach en ‘no thank you’ begrijpen ze wel, maar toch…

Bij de ingang is het een grote file van toeristen welke naar binnen willen. Als ik me er eenmaal in heb geworsteld, passeer ik snel een groep en baan me een weg naar As-Siq. Een kloof ontstaan door diverse aardplaatverschuivingen eeuwen geleden. Op sommige plekken torenen de rotswanden meer dan 200 meter boven me uit en kruipen tot op minder dan twee meter afstand naar elkaar toe. Bij iedere bocht in de kloof, ben ik vol hoop of de tempel Al-Khazneh alias The Treasury, zich aan mij wil laten zien. Deze tempel is bekend geworden door de laatste film uit de Indiana Jones trilogie. De kloof is echter 1,2 kilometer lang, dus geduld is een schone zaak. De spanning stijgt echter met iedere bocht. Ondertussen zie ik hoe ze hier zo’n 2.000 jaar geleden al slimme irrigatiekanalen konden aanleggen, gebouwd langs de rotswanden. Her en der heeft een heuse boom toch nog genoeg water gevonden om zich te kunnen vestigen in een rotswand. Maar nog steeds geen Al-Khazneh. Her en der verschijnen rotstekeningen en beeldhouw activiteiten in de rotswand. Een aanscheurende huifkar met twee toeristen erin, passeert me in volle vaart en draait al snel de volgende bocht in. Een mannetje met stoffer en blik veegt ondertussen de uitwerpselen op van de paarden, opdat de stank niet blijft hangen in de kloof. Een colonne paarden rijdt me tegemoet en dwingt me zo wat mezelf tegen de rotswanden aan te gooien en zodoende ruimte voor de paarden te maken. Deze paarden met berijders zullen de volgende serie toeristen bij de ingang van een ‘lift’ door de kloof voorzien. Prijzen variërend van 2 tot aan 5 JD zijn me inmiddels aangeboden.

Even verderop staat een groep toeristen stil, terwijl hun camera’s continue aan het werk zijn. Zou het dan nu gaan gebeuren dat Al-Khazneh nu gaan komen? Nee, de camera’s leggen een uit de rotswand gehakte rotswoning met trap vast. De woning bestaat uit niets meer dan een kleine kamer. Als je van een rood roze kamer houdt, hoeft de schilder ook nooit langs te komen. Een kleine vijftig meter staat er weer een groep toeristen stil bij een bocht in de kloof. Daar is tie dan! Zich nog half verschuilend tussen de rotswanden: Al-Khazneh. De eerste contouren zijn slechts zichtbaar, maar nu al heeft het iets magisch. Iets van onschatbare waarde. Iets van bijbelse proporties. Iets wat als het goed is over duizend jaar nog steeds door duizenden toeristen per dag wordt bezocht. De zonnestralen weerkaatsen op de tempel. Na nog een meter of 200 heb ik het perfecte uitzicht, oog in oog met een creatie des Gods. Vanaf deze plek is heel duidelijk dat deze tempel letterlijk uit de rotsen is gehakt. Om exact deze reden is de tempel al die eeuwen goed doorgekomen doordat het goed beschermd is gebleven tegen de natuurlijke elementen. Het monument heeft een uitstraling van patserigheid, hiërarchie, macht, etc. Ik kan me voorstellen dat het bouwen van deze tempel de nodige slaven uren heeft gevergd. Het bouwwerk bestaat uit twee etages, gesteund door zes pilaren en gekroond met drie torentjes. Het geheel valt weg in de rots. Ongelooflijk dat men destijds in staat was zulke prachtige tempels te creëren.

Voor de deur van de tempel staat een enorme vloot van kamelen, ezels en paarden, te wachten op nieuwe berijders.Toeristen maken hier vrij vaak gebruik van omdat, zo zal later blijken, een bezoek aan Petra niet zo maar even een wandelingetje is. Je moet er wel degelijk wat voor doen om op de mooiste plekjes te komen, nl. lopen, zweten, drinken, klimmen, zweten, drinken en nog meer klimmen.

Vanaf Al-Khazneh loop ik eerst naar diverse graven. Een korte klim omhoog om ze te bereiken zorgt ervoor dat het er nagenoeg uitgestorven is. Oftewel, ik heb de plek nagenoeg voor mezelf. De graven, klein, groot en gigantisch, zijn ook al uit de rotsen gehakt. Maar het zijn niet zo maar rotsen. Het lijkt wel alsof Salvador Dali hier aan het werk is geweest. De uitgehakte graven laten vormen van gigantische bogen zien, uitgehakte ramen, deuren, complete huizen, etc. Alles lijkt vervolgens urenlang met een schuurpapiertje bewerkt te zijn, daar de rotsen compleet geëgaliseerd zijn. Om het nog mooier te maken lijkt alsof alles geschilderd is in alle kleuren van de regenboog. Rood, in tientallen tinten, wit, zwart, blauw, bruin. Alle kleuren lopen in vloeiende lijnen langs elkaar over het gesteente. De plafonds zijn ook niet ontkomen aan de nauwkeurige hand van de schilder. Maar toch is het niets anders dan Moeder Natuur, uitgezonderd de beitel dan.

Als de zon en de schaduw met elkaar om een plekje op de rotsen bevechten, verdubbelt het aantal kleuren wat ik als gelukkige passant mag aanschouwen. Her en der zijn de trappen uiteraard ook niet aan het oog van de schilder ontschoten, half weg geërodeerd, waardoor ik nog al eens een beetje wegglijd over de gladde rotsen.

Eenmaal voorbij het laatste graf gelopen, zie ik een trap naar boven lopen. Als het goed is, is dit de weg naar het uitzichtpunt boven Al-Khazneh. De trap houdt echter al snel op. Hierna is het klimmen en klauteren geblazen, over een steile rotswand met weinig begroeiing. Hier geen kudde toeristen, maar een kudde schapen welke het pad blokkeert.

Terwijl ik langzaam maar zeker omhoog klauter, verdwijnt Petra ver onder me. De vlakte en de omringende bergen, kleuren knalrood weg in de bakkende zon. Langs me loopt een ravijn all-the-way-down, ik kijk maar even recht voor me uit al waar de volgende hindernis voor me opdoemt. De bergwand houdt op en wil ik verder komen, dan dien ik letterlijk van rots naar rots te springen. Even verderop lijkt het wel een gletsjer met overal spelonken waar ik met gemak in kan geraken en meters lager ‘ergens’ terecht kan komen. Na een keer of tien gesprongen te hebben, vind ik het uitzichtpunt boven Al-Khazneh. Niets dan rust. Het enige geluid dat ik hoor is een geitenbel ergens achter me of het ge-‘ooh-aah’ beneden mij van toeristen die Al-Khazneh voor het eerst beneden zien.

Eenmaal weer beneden aangekomen, loop ik door een heel saai stuk van Petra. Ik loop over de hoofdweg welke de ingang met het toeristenrestaurant verbind, waarlangs allemaal vervallen ruines staan. Opvallend genoeg blijven de meeste toeristen hier het langste staan. Nou ja, ieder zijn meug. Ik vind de ruines totaal niet de moeite waard, maar het landschap is verbluffend mooi. Roze bergwanden waarin eeuwen geleden tientallen of beter gezegd honderden rotswoningen zijn uitgehakt, vormen het decor. De lucht kleurt inmiddels strakblauw is en licht groene sappige grasweiden kabbelen rustig tot aan de horizon voort. De baldadige Jordaanse tienerjeugd kan het allemaal niet bekoren. Zij gillen wat in het rond en dollen met alle toeristen, jong en oud. Met kleding van Nike, Puma, een pet van de New York Yankees, een T-shirt met de tekst “Why” (doelend op de Amerikaanse invasie in Irak?), de meest moderne mobieltjes op zak en moderne merkzonnebrillen op hun hoofd, hebben ze het goed voor elkaar. Zij wel. Wat een verschil met hun landgenoten die hier souvenirs verkopen. Met vuil op hun gezicht en vodden aan hun lijf, lijken ze het relatief wel heel slecht te hebben. In het bijzonder een stenenverkoopster, op een doek zittend in de hoop dat iemand een steen koopt, welke je ook zo kan oppakken.

Het meisje met de stenen

Haar gezicht is vuil van een week niet douchen
De kleren die ze draagt, gaan al 5 generaties mee
Haar haar heeft ze al in maand niet geborsteld
D’r slipperbandjes zullen het morgen begeven
Ze lacht

Ze verkoopt stenen die een ieder overal kan oppakken
Ze smeekt niet, ze gilt niet, ze schreeuwt niet, ze rent me niet achterna
Ze heeft geld nodig, ze bedelt niet, ze wil er wat voor doen
Ze lacht

Een groepje stadsjongeren passeren me
Kleding zoals de westerse jeugd die ook draagt
Mobieltjes hebben ze in de aanslag
Ze schreeuwen naar me: dinar dinar
Ze maken een geintje

Ik wil zeggen: kijk es naar je landgenootje
Kijk es hoe ze er bij loopt
Luister es naar je woorden
Hoe zinloos, hoe pijnvol
Voor het meisje met de stenen
Ze lacht nog steeds

Na voor de honderdste keer met ‘Hello, where are you from’ begroet te zijn door Jordanese schoolkids, besluit ik weer hogere oorden op te zoeken: The Monastery. Diverse ezels met toeristen op hun rug, klimmen voor me omhoog. Gezien de manier waarop de toeristen zich vasthouden aan de stijgbeugels, denk ik dat ze nog wel eens flinke pijn aan hun rug krijgen tegen de tijd dat ze boven zijn. Het pad slingert langs een kloof omhoog. Terwijl ik omhoog klauter, wordt de kloof smaller en smaller. Eenmaal boven kom ik op een soort van plateau terecht alwaar een soort van circus aan de gang is. Aan de zijkant staan drie dozijn ezels uit te hijgen na een toerist omhoog gesjouwd te hebben. De ezeldrijvers staan in de schaduw sigaretjes te roken. Op een terras, ongelooflijk om na een uur klimmen in Jordanië een terras te zien, hijgen die toeristen, die wel omhoog geklommen zijn, uit. Maar eenmaal om een laatste rotswand heen gelopen, ziet mijn oog dat wat deze klim de moeite waarde heeft gemaakt: The Monastery. Een prachtig in tact gebleven tempel in de stijl van Al-Khazneh, maar dan zonder rotsdak en veel groter uitgevallen. Binnen in is weinig te zien. Het enige wat me opvalt is dat het er stinkt.

Een klimmetje van zo’n tien minuten op een licht stijgend hellinkje, brengt me op een panorama punt, welke ik slechts hoef te delen met een eenzame theeverkoper. Een prachtig vergezicht van, ik denk wel, tien berghellingen die langs elkaar heen lopen, verwent mijn ogen. De zon en schaduw doen weer hun werk door de ene berghelling zwart te kleuren en de andere berghelling weer alle details mee te geven. Ver achter alle berghellingen is het begin van de woestijn zichtbaar, ditmaal niet in wolken omhult. Een smalle, groene rivierbedding cirkelt tussen de berghellingen door. Het water is door de hitte al ten hemel gestegen. Het einde van de dag nadert: tijd voor bedouine whiskey in mijn hotelletje en verhalen van mede toeristen aanhoren. Ondertussen verhaalt de TV in de lobby over het ene na het andere geval van vogelgriep. Voorlopig zweer ik mijn favoriete stukje vlees in Jordanië maar even af. Je weet nooit hoe ze het hier klaar maken.

Mijn tweede dag in Petra begint grijs en koud. De tweede keer lopen door de Siq, het aangezicht op Al-Khazneh is nog steeds allemachtig prachtig. Ik sla nu meteen links af. Een enorme trappenreeks voert me naar The High Place of Sacrifice. Niet veel meer dan twee obelisken, ook al niet ontkomen aan Dali’s schilderkunst, vormen het matige decor bovenop de hoge plek. Ik ben natuurlijk ook wel erg verwend na gisteren. Jammer genoeg vallen de vergezichten ook erg tegen daar de lucht maar grijs blijft. Ik tracht een pad langs de andere kant van de berg naar beneden te vinden. Niet zonder moeite. Want als ik eenmaal een pad gevonden denk te hebben, loopt deze even al later weer uit op niets. Maar na een half uurtje denk ik het juiste pad gevonden te hebben. Lichtelijk naar beneden lopend, dus het zal wel goed zijn. Ik passeer weer diverse rotsgraven. Als het mocht gaan regenen, dan heb ik in ieder geval genoeg schuilplaatsen om uit te kiezen. En anders is er nog altijd een gigantische champignonrots. Als het volledige dak van de champignon zou worden benut, dan kunnen er denk ik wel honderd mensen onder schuilen. Ik kijk een aantal keren op mijn plattegrond en ik zou vanaf deze plek naar Jebel Haroun kunnen lopen. Een uurtje of twee lopen vanaf hier, dus dat moet lukken. Ik zet er goed de pas in en laat graf nummer 538 links liggen. Even later ben ik weer op de begane grond van Petra terecht gekomen. Een grote grasweide met tientallen aftakkingen, zo lijkt, van het pad waar ik vandaan ben gekomen. Ehm, deze staan niet op de kaart. Ik besluit het pad te volgen welke het meest uitgesleten lijkt te zijn. Oftewel, hier zouden de meeste mensen over heen gelopen moeten hebben. Na een uurtje lopen, ‘slangt’ de weg echter de verkeerde op en niet zo’n klein beetje ook. In plaats van Zuidwest geeft mijn kompas Noordwest aan. Even later kom ik er middels een bord achter dat ik in de droge rivierbedding van Wadi Farasi loop. Als ik mij omdraai om een nieuw pad te vinden, kleurt de lucht goed grijs. De wind laait op en kiest mijn gezicht als landingsbaan voor honderden, duizenden zandkorrels. Ik probeer het voor een half uurtje om de striemende zandregen niet te voelen. Echter, dit is niet leuk. Ik draai me om en besluit Haroun morgen een nieuwe kans te geven.

Het merendeel van de toeristen welke ik spreek in het hotelletje, blijft maar voor een dag of twee maximaal in Petra. Echt de tijd om te genieten van alle pracht en praal is er dus niet voor hen. Ik ben blij dat ik zonder schema naar Petra ben gekomen om alles goed in me op te nemen. De hotelmannetjes kennen me inmiddels bij mijn voornaam en vragen vol interesse waar ik morgen weer heen wil gaan lopen. Ze geven me ook tips bij de vleet. Terwijl ik mijn benen de rust geef, mijn foto’s nog eens terugkijk en wat lees en schrijf, doet het personeel rustig hun Allah-gebeden op een tapijtje in een hoek van de lobby. BBC World laat beelden zien van een ‘Kurdish uprising’, deze keer in Diyarbakir in het Oosten van Turkije. Het leek er zo rustig toen ik dit stadje in 2004 aandeed. Wat willen ze nu weer? Afsplitsing van Turkije? Een eigen land? Samenvoeging met Iraaks kurdistan? Of gewoon rellen?

Dag 3 en kans 2 voor Jebel Haroun. Het weer oogt vandaag prima. Het pad is snel gevonden. De retourtocht zal volgens planning een kleine zes uur in beslag nemen, dus ik heb van te voren flink wat water en uiteraard chocola als zijnde potentiële lifesafer ingeslagen. De tocht begint achter Qasr-al-Bint, een drie kwart vergaan monument. Een beetje omhoog klimmen en bij de viersprong de tak pakken welke Zuidwest slingert. Even later duik ik het dal in. Na 500 meter of zo staat er een bord welke toeristen waarschuwt vanaf dit punt niet alleen verder te lopen. Een wachthoudende militair laat me gelukkig wel verder lopen, zodra ik mijn kompas heb laten zien. “Look mister, I can always find my way back!” Even later loop ik in een vallei vol droog gevallen riviertjes. Her en der loopt de langzaam aflopende trail ook dwars door diverse riviertjes. De rotswanden naast me worden hoger en hoger, de toeristenkudde is nergens te bekennen. Rust!

Ook dit gedeelte van Petra was vroeger bewoond, getuige de diverse rotswoningen. Een rots zit zelfs bomvol met woningen, een soort van suburb van Petra. De hedendaagse bedouinen zijn verhuisd naar tenten, welke overal in de vallei staan opgesteld. Maar niet allemaal, is mijn vermoeden. Sommige bedouinen zouden best nog wel eens in de rotswoningen kunnen wonen, getuige het feit dat er in een ogenschijnlijke deuropening een ijzeren deur is geplaatst. Een korte nieuwsgierige blik naar binnen laat me matrassen en dekens zien. Mijn vermoeden is dus waar. Nog steeds wonen er mensen in dit droge gebied, puur van wat het land en het langzaam na 9/11 opkrabbelende toerisme hen biedt. Ver weg van steden met ziekenhuizen, benutten ze hier de schaarse planten en struiken waarvan volgens de overlevering menigeen genezende werkingen hebben.

Af en toe komt een bedouine vrouw op me afgelopen om me wat munten te laten zien en hopelijk aan me te verkopen. De kleren van de mensen zijn in erbarmelijke staat, de gezicht en zijn vies van minimaal een week niet wassen.

Groene weiden, of beter gezegd, groene plantjes die her en der uit de rotsondergrond groeien, geven het landschap wat kleur. Babybergjes springen uit het droge land, op jonge leeftijd trachtend te reiken naar de strakblauwe hemel. De rotsen, nog steeds rood/roze, completeren het prachtige schilderspallet, waar ik het grote voorrecht heb om er rond te mogen lopen. Een balkende ezel is het enige geluid in verre en heinde. Ik geniet. Sommige rotsen laten hun fantastische beschilderingen van dichtbij zien. De kleuren rood, bruin, wit en zwart lopen in prachtige banen langs elkaar. Iedere kleurenbaan heeft een ander reliëf. Voor me doemt inmiddels Jebel Haroun op, herkenbaar aan een witte dome op het dak. Deze vertoont een beetje gelijkenis met een Boeddhistische stupa, zo lijkt van verre. De weg omhoog laat zich niet 1-2-3 vinden. Soms lijkt een droge rivierbedding op de trail. Soms lijk ik een pad te zien in de hoefsporen van een ezel, welke even later weer ophouden. Soms lijk ik een pad te herkennen in een witte baan over de rotsen, als zijnde de slijtage sporen van mensen die er al over heen hebben gelopen. Tsja, als alle drie bij elkaar komen weet ik het niet meer. Keuzes in het leven…

Als ik mogelijke trail nummer één volgt, eindig ik op een serie rotsplaten welke een dead-end kent, bij mogelijkheid twee eindig ik op een rots met een droge rivierbedding tientallen meters lager, bij mogelijkheid drie wijst mijn kompas weer Zuidoost aan. Oftewel, ettelijke keren een kwestie van omdraaien om weer op de viersprong terecht te komen. Dan ontmoet ik een jonge ezeldrijver die uiteraard mij wel naar de top van Jebel Haroun wil gidsen. Ik besluit hem ‘aan te nemen’ voor het vinden van de weg naar de top.

Achteraf gezien is de trail gemakkelijk te vinden, ik zat vanaf het begin gewoonweg compleet verkeerd. Maar het voelt toch wel veilig om iemand bij me te hebben in de brandende zon. Helemaal aangezien de weg omhoog flink zwaar is en niet zonder gevaren gezien de vele ravijnen welke langs het smalle pad op de loer liggen. Het gruis dat continu onder mijn voeten wegglijdt, maakt de klim er niet makkelijker op. Rotsplaten welke losser liggen dan vooraf geschat, werken behoorlijk op mijn zenuwen. Met de minuut wordt het landschap onder me kleiner, de wind heftiger, het uitzicht waanzinniger en mijn T-shirt natter. In totaal heb ik er anderhalf uur voor nodig om omhoog te klimmen.

Eenmaal op de top is het spektakel compleet. Overal schieten broccoli rotsjes uit de moederberg, lijken de bergen te smelten als in Dana. Tussen twee hoofd bergaders lijkt zich een baby vulkaantje genesteld te hebben. Beneden op het plateau zijn alle uitgedroogde riviertjes goed te herkennen aan het groen wat zich nog in de bodem kan manifesteren en als een slang wegkruipt. De ondergrond van het plateau is fel rood, welke af en toe onderbroken wordt door een groene gloed van plantjes. Aan de horizon laten de bergketens hun tanden zien, waarin de diverse holwoningen nog nauwelijks te herkennen zijn. Op een van de rotsen op de top van Jebel Haroun, weet zich ook nog een dorre boom staande te houden welke in schril contrast staat tot de blauwe lucht. De tempel op de top is compleet wit geschilderd. De felle zon erop weerkaatst alle kanten op, opdat het aanzicht pijn aan mijn ogen doet. Alles is hemels vanaf de top van Jebel Haroun. Je zou het bijna vergeten, maar de tempel zou volgens de overlevering het graf zijn van de broer van Mozes.

Mijn laatste dag in Petra, dag vier, benut ik voor de beklimming van Umm-al-Biyara. Een half in elkaar gestort trappenstelsel vormt het pad der beklimming. Het zand op de treden doet me keer op keer uitglijden. Een gedeelte van het pad lijkt wel op een soort van toegangsweg, uitgehakt uit de rotswand, met aan weerszijden twee rotswanden. Ik kan me zo voorstellen dat dit een soort van verdedigingslinie was in vroegere tijden. De weg was dan met een poort afgesloten ter verdediging tegen binnenvallende stammen welke de stad op de top van de berg wilden veroveren. Door massieve rotsblokken naar beneden te laten rollen, kan een aanval simpel gepareerd worden. De rotsblokken weer omhoog krijgen is een tweede uiteraard… Overal in de rots zijn kleine nisjes uitgehakt. Boven de rots geniet ik van de laatste keer in Petra van een machtig uitzicht over het land en boven alles van de enorme rust, want toeristen zijn hier niet te bekennen. Heerlijk!

Op drie van de vijf avonden in Wadi Musa heb ik leuke gesprekken met een winkelier in Wadi Musa. Hij vertelt veel over zijn oorlogsverleden. Zo heeft hij gediend als brigadier in de Servië-oorlog. Hij is 48 jaar en heeft de bruidsschat nog steeds niet kunnen betalen. Hij heeft het over 15.000 JD. Zijn grote liefde heeft hij ontmoet in Servië destijds, maar de fysieke afstand bleek te groot. Zij, een Oostenrijkse VN-medewerkster is inmiddels met een andere man getrouwd. Hij wacht nog steeds op een nieuwe liefde. Een vriend van hem komt ook een aantal keren voorbij. Hij is 33 en net als de winkeleigenaar ook nog steeds maagd. Dit onderwerp wordt al snel van tafel geveegd, daar het voor mij als Westerse man wel mogelijk is om sex te hebben voor het huwelijk. Een sterke vorm van jaloezie steekt op. Helemaal als ik vertel dat als ik op iemand uitgekeken ben, ik er gewoon mee kan kappen. In Jordanië is dat niet aan de orde. De enige manier van acceptabele scheiding is als blijkt dat na de huwelijksceremonie je kersverse echtgeno(o)t(e) geen maagd meer blijkt te zijn.

Een ander onderwerp wordt al gauw een dagelijks ritueel: Amerika! In het begin is hij nog relatief zacht met zijn woordengebruik. “De media laten een verkeerd beeld zien van de landen in het Midden-Oosten”. Dit kan ik inmiddels goed beamen want Jordanië is voor toeristen zo veilig als wat. Maar het gaat hem natuurlijk om wat er naar buiten wordt gebracht op het politieke vlak. Zo vertelt hij dat de landen door BBC World en CNN in een dusdanig verkeerd daglicht worden geplaatst, en dan met name Irak natuurlijk. Ik vertel hem dat er inmiddels vanuit het Westen zeer veel weerstand is tegen het beleid van Bush en co., maar dat er inderdaad wel veel angst heerst onder mensen om naar dit gebied af te reizen. Dus een kern van waarheid zit zeker in zijn verhaal.

Deze man is tevens ‘liefhebber’ van Saddam Hussein, getuige een foto welke hij schuin achter de kassa heeft opgehangen. Hij vertelt over het huidige Irak en hoe het veramerikaniseerd wordt, over de stijgende werkeloosheid en uiteraard over de duizenden en duizenden onnodig gestorven onschuldige mensen. Onder Saddam was het volgens hem een vredelievend land waar iedereen gelukkig was, iedereen geld had en eten op zijn bord. Ik ken niet alle feiten uit mijn hoofd, maar volgens mij hebben de Soennieten en Sjiieten elkaar op regelmatige basis trachten uit te moorden. En er was ook nog iets met de Koerden in de jaren 80. Ik besluit niet deze discussie met hem aan te gaan. Hij is als winkelier zijnde een van de ‘lucky ones’. Als ik de 5 kilometer van Wadi Musa naar de ingang van Petra loop, denk ik dat er minimaal 30 winkels, hotels of restaurants de deuren hebben moeten sluiten, wegens het weg blijven van toeristen na 9/11.

In de lobby van mijn hotel in Wadi Musa staat regelmatig BBC world op. De vogelgriep is veruit het meest voorkomende onderwerp. Maar dit kan de hotelstaff niet echt boeien, gezien hun regelmatige ‘bidden-tot-Allah’ activiteiten in de lobby. Daar waar diverse dorpen annex steden in Jordanië nog een behoorlijke Christelijke populatie hebben, waaronder Madaba en Umm Qais, laat de bevolking in Wadi Musa er geen misverstand over bestaan. “Allah is the only God, and Mohammed is His messenger”, aldus een gigantisch groot spandoek bij het drukste kruispunt in het dorp op weg naar Petra.

Maar aan alles komt een eind. Zo ook aan mijn verblijf in Petra. Ik heb één dag het standaard pakketje van ‘things-to-see tot me genomen en drie dagen gevuld met wandelingen ver buiten het toeristencircus. Scheiden doet leiden. Ik voelde me helemaal thuis. Thuis in Cleopatra, het hotelletje. Thuis in het Turkse restaurantje waar ik iedere avond at. Thuis in de winkel van de brigadier, met de talloze kopjes thee. Maar boven alles thuis in het fantastische rustgevende landschap.

Plaats een reactie