Veel AU in Mordor!
Tongariro National Parc, Nieuw Zeeland, 2006
Mijn benen zijn voorzien van beenbeschermers tegen rots en gruis, terwijl we al lang uit het lavagruis weg zijn. Mijn benen voelen aan als melkpakken, die ver, heel ver, over de datum heen zijn. Ze lijken uit elkaar te knappen. Ze voelen loodzwaar aan en zijn ongeveer twee keer zo dik als normaal. De track waarop we lopen, welke niet bijster moeilijk of zwaar is, is veranderd in een hel. Mijn ademhaling vertoont daarentegen geen enkel probleem, in verband met mogelijk moeheid of zo. What happened?
We beginnen relatief laat aan de trekking. Rond een uurtje of negen, komen we bij de carpark aan. We zijn dusdanig zwaar bepakt om een paar dagen geen honger of kou hoeven te leiden. Better safe than sorry! Het begin van de track is erg simpel, zeg maar gerust ‘watjes-proof’.Over een rotsachtige vlakte zijn letterlijk planken gelegd en grindpaadjes ‘gebouwd’ om de wandelaars een makkelijk begin te gunnen.
Zodra het pad is verdwenen begint de lol waar je het als ‘trekky’ voor doet. Een beetje afzien in een machtig landschap onder een strakblauwe hemel. De rotsen komen als een soort van speren loodrecht uit de grond. Her en der groeit er nog wat was en heide. Echter, deze begroeiing verdwijnt in rap tempo naarmate de wandeling in de richting van de Zee van Zand vordert.
Een poel van eindeloze nietsheid, waar Moeder Natuur niets maar dan ook werkelijk niets laat groeien, op wat mosachtigen na. Een ideaal decor voor Mordor derhalve. Rotsen en kiezels tot in de oneindigheid, vormen het looppad. Aan de zijkanten tonen de vulkanische toppen van Tongariro, Ruapehu en Ngauruhoe hun macht, al sinds miljoenen en miljoenen jaren. Hun ruige toppen zijn prachtig omgeven door een blauwe hemel. Tongariro vertoont een beetje de zgn. Tafelbergtrekjes en is veruit de laagste van de drie. Ngauruhoe heeft de klassieke vulkaanvorm aangenomen en is met zijn steile hellingen ogenschijnlijk het moeilijkst te beklimmen. De helling bij de top vertoont een rode gloed. Ruapehu is de meest agressieve van de drie, met zijn nog relatief recente uitbarstingen. Het is deze laatste vulkaan welke dan ook nog de nodige as af en toe uitspuugt, wat her en der in het landschap verspreid ligt.
De Zee van Zand is het resultaat van recente uitbarstingen, waarbij rotsen door de lucht werd geslingerd alsof het veertjes waren. Eenmaal deze Zee overgestoken te hebben, komen we aan bij Highway 1. Een soort van bergmuur waar we naar boven moeten klimmen. Een file van toeristen welke zich in een lange ketting bergopwaarts slakt. Het heeft geen zin om even te wachten om dan versneld omhoog te kunnen lopen, want na ons sluiten de mensen ook weer in rap tempo achter aan. Oftewel, er zit niets anders op dan in een zeer laag tempo omhoog te kruipen. Des te meer kan ik genieten van het uitzicht over het snel klein wordende land onder me. De Zee van Zand wordt her en der door zwarte vlekken van schaduw bedekt. De wolken komen er aan. Ik hoop dat we het droog houden. Vlakbij de top van de muur aangekomen, worden we verrast door een straffe, gure wind. Mijn lichaam koelt hierdoor in een rap tempo af. Echt tijd, om op de top van de muur van het uitzicht te genieten is er dus helaas niet. Mijn benen beginnen inmiddels behoorlijk bij te kleuren door de sterk brandende zon, welke hoog aan de hemel staat, in hartje winter. Oh nee: harte zomer, ik begeef me aan de andere kant van de wereld.
Eenmaal een stukje doorgelopen door dit indrukwekkende landschap, waar de nietigheid van de mens eens te meer blijkt, komen we aan bij de ‘Red Crater’. Een gapend gat van tientallen meters diep, waarvan de muren rood zijn uitgeslagen. In de krater zit een soort van uitstekende spelonk. Met een beetje fantasie kun je er een soort van mond in herkennen, maar dan wel eentje met gigantische zulu lippen, waaruit stinkend zwavelgas onze kant op komt drijven. Een soort van eierlucht, maar dan erger, drijft mijn neus binnen. Veel as is geplakt tegen de rand van de krater.
Iets onbeschrijflijks moois in dit natuurgeweld vormen ook de drie emerald lakes. Drie verschillende groottes, drie verschillende vormen. Je hoeft je hoofd maar heel eventjes een paar graden te draaien en je kan weer geheel nieuwe vormen erin ontdekken. De meren liggen onder een bergpiek welke zo voor piramide kan doorgaan. Op de berghellingen bedreigen diverse, voor het oog loszittende rotsblokken durfals, welke deze piramide wagen te beklimmen. Doordat de zon perfect haar stralen laat vallen op deze meren, komt de emerald blauwe kleur perfect tot zijn recht voor de zeer verwende toerist welke dit natuurlijke wereldwonder mag aanschouwen. Langs de randen van de drie meren hopen de chemicaliën zich op en derhalve vertonen de meren daar een andere kleur, wit/grijs. Een baantje trekken in deze meertjes lijkt me dan ook niet verstandig. Als we een klein beetje afdalen richting de meertjes zie ik ook dat de wolk van gas boven de meertjes hangt. Dit afdalen gebeurt al springende door een soort grindbak. Het doet me een beetje denken aan het afdalen van de vulkaan Pacaya in Guatemala, anno 1998.
Even later komen we aan bij het aangrenzende ‘blue lake’. Een meer welke in een vulkaan is gelegen, waarvan de wanden langs 70% van de omtrek zijn weggeslagen. Eenmaal op gelijke hoogte met het meer gekomen te zijn, heb je een uitzicht over de blauwe meer en het land er ver, ver beneden gelegen waar de zon en schaduw met elkaar aan het risk-en zijn. Uit de nog wel overeind staande vulkaanwand, trachten de gassen te ontsnappen aan de sterke greep van Moeder Aarde. Mijn lichaam is inmiddels goed aan afkoelen. Na de heftige inspanning van het beklimmen van highway, is stilstaan en genieten natuurlijk funest voor de innerlijke temperatuur.
Na alle meren bewonderd te hebben, is het tijd om de afdaling in te zetten. De afdaling welke niet naar de uitgang voert, waar alle toeristen heen slenteren. Maar een afdaling welke ons via een mooie slinger dwars door het park terug zal begeleiden bij Skotel. De afdaling verloopt grotendeels over een gigantische lavatong. Een lavatong welke Whakapapa net niet heeft bereikt. De tong vertoont overal uitsteeksels in de vorm van rotsen welke meters omhoog schieten. Het maakt het wandelen er over heen niet gemakkelijker op en dus des te leuker. Het is flink klauteren geblazen. Vallen en weer opstaan. Jezelf omhoog hijsen aan uitstekende rotspunten. Als je een zacht tikje tegen op de bodem liggende rotsen geeft, vallen ze van ellende zo wat uit elkaar. Lopen op de maan vergt wat kracht en doorzettingsvermogen, maar het is een groot feest. Keer op keer draai ik me om de werkelijkheid van dit landschap ook vanaf een andere invalshoek te zien. Zeker gezien de snelheid waarmee de wolken zich bewegen en daarmee ook de schaduwvlekken op het land en de vulkaanhellingen, loont het meer dan de moeite om regelmatig terug te kijken op hetgeen zojuist gepasseerd aangezien het er continu anders uit ziet. Een nieuwe blik op dezelfde werkelijkheid.
In 1996 was hier voor het laatste een grote eruptie, de herhaling van de uitbarsting van Ruapehu is te zien in het museum Te Papa in Wellington. Nu is deze vulkaan al weer een decennium in ruste, net als zijn twee broertjes en zijn achternichtje Taranaki. Deze laatste vulkaan is gelegen aan de kust bij New Plymouth. Volgens een Maori legende was deze vulkaan ooit onderdeel van de Tongariro vulkaanketen. Maar Taranaki verleidde de vriendin van Tongariro, waardoor Taranaki het hazenpad koos en naar de Westkust vertrok om maar de boze en veel sterkere Tongariro te ontvluchten. Ik hoop Taranaki ook deze reis nog te mogen aanschouwen.
De drie andere vulkanen zijn gewoon gebleven en laten zich nu in volle glorie bewonderen. Soms met een wit wattendak er langs geschilderd, soms met een oranje deken om zich heen geslagen. Het uitzicht over de woestijn, de eindeloos lijkende nietsheid van rotsen en mosachtigen, is overweldigend. Zeker met altijd wel een van drie vulkanen in de buurt om de vlakte te doorbreken. Naast ons drieën loopt er verder helemaal niemand over het door ons uitverkozen pad. Geen beste plek om je enkel te verzwikken.
De lucht kleurt langzaam maar zeker zwart. Er staat ons iets te wachten, wat we niet leuk gaan vinden. De zon doet nog haar uiterste best de wolken te verdrijven, maar ik zie het somber in. Op de rotsvlakte zie ik een lonely tree moedig in leven te blijven. De wortels zijn omhoog gegroeid, de schaarse bladeren kleuren met de laatste zonnestraaltjes fel groen weg en daarmee een prachtig contrast vormend tegen de helgrijze lucht.
Na nog een paar uur lopen, voor het merendeel bergafwaarts, zie ik hoe we plotseling op een bos aflopen. Een bos, gelegen op de bodem van een bergrug. Van bovenaf lijkt het een streepje groen in de woestijn. De hand van God, of heeft Bob Ross het bos er net op geschilderd? De afdaling naar het bos toe, is oppassen geblazen. Alle rotsblokken liggen zo wat los. Mijn hoofd tuurt daarom continu naar de bodem, trachtend een pijnlijke val te voorkomen.
Eenmaal in het bos is het ook weer oppassen geblazen. De boomreuzen hebben gigantische wortels gecreëerd, welke her en der het pad door het bos van een fijne hindernis voorzien. Als ik omhoog kijk, zie ik hoe de takken van de kolossen half in elkaar verstrengeld zijn, waardoor het licht nauwelijks wordt toegelaten op de vochtige bodem. Het mos op de hogere takken geeft de bomen een wollig, beetje angstaanjagend jasje.
Angstaanjagend aangezien door het weinige licht, het jasje iets demonisch over zich heeft. In dit bos ligt een stenen hutje alwaar we de nacht doorbrengen. De slaapzak houdt me warm.
De next day is het eerste wat ik roep: “AU”.”Hell”. Mijn benen doen ongelooflijk pijn. Niet normaal meer. Niet van de spierpijn alleen. Maar van de verbranding door de zon. Heb namelijk gisteren weer es vergeten mijn benen in te smeren, hetgeen niet zo slim is want ik gun mijn benen gemiddeld 1 of 2 keer per jaar wat zonlicht. De laatste keer is denk geweest in Addis Abeba aan de rand van een zwembad. Smeren dus voordat we verder lopen, terug naar Whakapapa. Na een half uur voort gestrompeld te hebben, kleuren mijn benen net zo rood als de neus van Dr. Bibber die continu wordt gekieteld. Een grassprietje waar ik toevallig tegen aan loopt, voelt aan als een messteek in mijn benen. Laat staan als ik toevallig langs een rotsblok aan loop.
Richard geeft zijn beenbeschermers aan mij, welke hem tegen rotsjes beschermt. Mijn benen zijn door de verbrandingen inmiddels twee keer zo dik als normaal. Het omdoen van de beschermers gaat gepaard met helse pijn. “You’ll get used to it”, zegt Richard. Na twee uur lopen voel ik de pijn nog steeds, maar in ieder geval komt er geen zon meer op mijn onderbenen. Blij ben ik in ieder geval dat we de eerste dag extra kilometers hebben gemaakt. Kilometers welke ik nu, met helse verbrandingspijn lopende, niet hoef af te leggen. Blij ben ik ook ten zeerste als ik het bordje ‘Taranaki Falls’ zie. Ik weet nu dat we relatief dicht bij het hotel zijn. Dichtbij de verlossing. Mijn ademhaling is picobello in orde, conditioneel gaat het prima, mijn ogen genieten nog ten zeerste van al het moois om me heen, maar mijn onderbenen willen echt niet meer. Biertje dan maar?