Rare gedachten in Auckland
Auckland – Nieuw-Zeeland, 2006
“Ha Pa, hoeveel blinde darmen heeft een mens?” Uiteraard weet ik het antwoord wel, maar tegen het einde van het kalenderjaar 2005 voel ik toch een pijn die qua heftigheid aardig in de buurt komt van de pijn die ik destijds in de trein van Zuid-Thailand terug naar Bangkok heb ervaren. De diagnose anno december 2005 luidt ‘nierstenen’, aldus een charmante blonde verpleegster in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam. Veel drinken, pijnstillers in de vorm van kogels als het even te veel wordt, en nog eens veel drinken, is het advies. In de middag van 1 januari volgt er een tweede pijnscheut welke ca. 3 uur duurt. Pijn alsof je op continue basis in je zij wordt gemept annex geschopt. Ik maak me enigszins zorgen. Zorgen omdat ik over een paar weken een vakantie in de planning heb staan naar Nieuw Zeeland. Als deze pijngolven nog zo blijven doorsudderen, heb ik weinig zin om ergens in Nieuw Zeeland te vertoeven. Na een week of wat van drinken als een olifant, volgt er een echo. De uitkomst hiervan stelt me gerust. De nierstenen zijn niet meer te traceren en waarschijnlijk zijn ze via de urinewegen uit mijn lichaam weggeslopen. Ik kan op reis.
Een reis waar ik oprecht hard aan toe ben. Op mijn werk ben ik de afgelopen maanden continu tegen hard houten deuren aangelopen, voor de zoveelste keer zie ik mezelf een serie van maanden van veel te hard werken maken. Vlak voor vertrek naar Nieuw-Zeeland geef ik de hoop op verbetering op en zeg ik het contract op. Op de verjaardag van ’s lands moeder, baan ik me een weg door Schiphol, om de langste van mijn leven te maken.
In het vliegtuig op weg naar Singapore praat ik veel met een Ierse vrouw, een jaar of vijftig schat ik haar, met een bijzonder levensverhaal. Ze vertelt uitgebreid over haar passie voor Afrika. Mijn Afrika ervaringen staan daarbij in schril contrast. Vlak na de val van het marxistische bewind van keizer Haile Selassie vertrok ze naar Ethiopië voor de eerste keer, om daar te helpen met het organiseren van voedselprojecten en het opzetten van vluchtelingenkampen. In die jaren haalde Ethiopië de wereldpers door de vele hongersnoden waaronder het gebukt ging.
Ik vertel haar over de route welke ik in mei 2005 afgelegd heb en hoe ik genoot van de diverse spontane ontvangsten bij mensen thuis. Het huwelijksfeest in Axum, het schooltje in Shire (Inda Selassie) en het familiebezoek in Debark: ze staan nog steeds vers in mijn geheugen gegrift. Zij vertelt dat je in de 80’er jaren absoluut niet van de ‘lijn’ Addis Ababa – Djibouti kon afwijken. Het zou te gevaarlijk zijn. Na Ethiopië heeft ze verder nog vrijwilligerswerk gedaan in landen als Eritrea, Sudan, Rwanda en Kenia. Ze heeft haar hart aan het continent verpand. De rest van haar leven heeft ze nooit meer kunnen wennen aan het Westerse leven en heeft ze keer op keer haar thuisland Ierland om Afrika te helpen met alles wat ze in zich heeft. Wat een mooi mens!
Een paar filmpjes later zet het vliegtuig de landing in naar Singapore. Tientallen, zoniet honderden kleine onbewoonde eilandjes trekken aan het vliegtuig voorbij. De lucht vertoont een prachtige oranje gloed, welke me herinnert aan mijn eerdere reizen door dit gebied in 2000. Eenmaal op Singapore airport gearriveerd voel ik meteen thuis in de fantastische smeltkroes van Hindoes, Sikh’s, Malay en Chinezen. Ik ben weer op reis!
De laatste loodjes naar Auckland, nog maar negen uur vliegen vanaf Auckland. Indutten, wakker worden van een krijsend kind, indutten, wakker worden van een buurman die naar de WC moet, indutten en weer wakker van een stewardess welke met haar karretje beladen met wijn, bier en whiskey tegen mijn benen aanrijdt. Ik weet niet wat het is in vliegtuigen, maar ik slaap nooit echt. Eenmaal geland in Auckland word ik geconfronteerd met de meest inefficiënte paspoortcontrole ooit, welke slechts anderhalf uur in beslag neemt.
Het voelt raar om in Auckland te zijn. Ik heb een giga jetlag na bijna twee volle dagen van reizen, het tijdsverschil niet meegerekend. Verder nestel ik mezelf in een berucht hostel, de Queen Street Backpackers, alwaar ik mezelf tegenkom maar dan zes jaar geleden: ongeschoren, feestend en met vieze kleren aan. Ook raar.
De volgende dag begint mijn verkenningstocht in de Capital of the Pacific bij het busstation. Een enkeltje naar National Parc geboekt, vanaf waar het nog slechts 16km is naar een gehucht genaamd Whakapapa (spreek uit: Fakka Papa). Hier zal ik morgen Annelies en Richard ontmoeten. Een megabak koffie en muffin of twee dienen als brandstof om de eerste uren door de metrapool per voet te verkennen.
Toeristenbussen, welke op de paar hotspots stoppen, schieten om het kwartier zo’n beetje aan me voorbij. Echter, daar heb ik geen zin in. Auckland moet meer hebben dan een Sky Tower (het hoogste bouwwerk van het Zuidelijk Halfrond), een haven vol met zeilbootjes, een brug en de diverse winkelcentra. Dus: te voet. Dus: zweten. Zweten ja, want deze stad is gebouwd op 48 (!) uitgewerkte vulkanen. Dus menig straatje loopt steil omhoog of omlaag. Ik zet pas naar Mt. Eden. Het eerste dat me opvalt is dat mensen in het verkeer zo laid-back zijn. Het verkeer rijdt ‘gentle’ over de heuvels, ze stoppen voor oranje, een zebrapad is ook functioneel, taxi’s rijden in hetzelfde tempo als normale auto’s, mensen groeten elkaar op klaarlichte dag op straat: men heeft geen haast. ‘Hi-ja’ in plaats van elkaar nauwelijks aan te durven kijken.
Verder wordt de stad kleur gegeven door veel Aziatische immigranten, hetgeen veel foodcourts met zich meebrengt. Armoede is er nauwelijks, in het centrum waar Victoriaanse kerken, glimmende skyscrapers en Starbucks filialen het stadsbeeld bepalen. De enige bedelaars, welke ik onderweg tegenkom, zijn de tamelijk dik uitgevallen Maori’s, de oorspronkelijk bewoners van Ao Tea Roa, ofwel ‘land van de lange witte wolken’, ofwel Nieuw Zeeland. Ten opzichte de aboriginals, welke nog steeds aan het ruziën zijn om financiële zaken, zou het voor Maori’s in ‘eigen land’ allemaal juist goed geregeld moeten zijn.
Buiten het centrum echter zijn er bijna alleen maar vrijstaande villa’s in oude Victoriaanse stijl. Ieder met een tuintje en tuinhuisje, vandaar dat de stad enorm wijd verspreid is. Onderweg passeer ik ook diverse schooltjes. Op het plein trappen diverse kinderen in Brits uniform een balletje.
Op weg naar Mt. Eden gaan mijn gedachten voor korte duur even alle kanten op. Raar vind ik om weer alleen op reis te zijn na Ethiopië. Raar om nu, zo ver weg van huis, niet iemand naast me hebben te lopen. Ik voel me er een beetje eenzaam bij. Niet eenzaam vanwege het feit dat ik alleen loop, maar meer omdat ik nog steeds niet begrijp wat er destijds na terugkomst uit Ethiopië in twee korte ontmoetingen mis is gegaan. Mijn werk schiet ook dwars door al mijn gedachten heen. Ook daar voel ik me onbegrepen, door mijn bazen, dus ja, ik heb een goede keuze gemaakt om daar weg te gaan. Zelfs zonder de zekerheid van een nieuwe baan. Is dit misschien de oorsprong van eenzaamheid, dat men je niet begrijpt…?
Na wat linksaf en rechtsaf geslagen te hebben, geniet ik steeds meer en meer van het feit dat ik weer ver weg ben. Dat ik weer een nieuw land mag toevoegen aan mijn toch al lange lijst van bezochte landen. De gedachten aan werk nemen langzamerhand af. Ik geniet meer en meer. De lucht trekt langzamer hand open, het ‘blauw’ verschijnt recht boven me en voert me naar de top van Mt. Eden. Ik geniet!
Vanaf de top van Mt. Eden zie ik hoe groot Auckland echt is en hoeveel vulkaantopjes er door de stad verspreid heen liggen. Even buiten de haven van Auckland springt ook een vulkaan uit het water, Mt. Rangitoto. In het ‘Auckland Museum’ is een filmpje te zien wat er zal gebeuren als er een vulkaan in de haven omhoog komt op dezelfde manier als Rangitoto 600 jaar geleden heeft gedaan. In het kort: einde Auckland. Jammer genoeg is de vulkaan waarop ik me nu begeef, Mt. Eden, helemaal uitgewerkt.
Na Mt. Eden afgedaald te hebben en meegedaan te hebben aan een van de ‘favourite things to do’ onder Kiwi’s, koffiedrinken, zet ik pas naar de Harbour Front. Per ferry steek ik de baai over en beland in een compleet andere gedeelte van Auckland met nauwelijks autoverkeer en minder smog en stank. Devonport en Cheltenham. Een bonte verzameling authentieke Victoriaanse huizen onderaan de voet van, jawel, twee kleine vulkaantjes. Op de top van de vulkanen staan nog diverse originele kanonnen uit de Tweede Wereldoorlog. Invasies van diverse Japanse vloten waar iets te veel van het goede voor deze Nieuw Zeelandse verdediging destijds. De lucht kleurt inmiddels helemaal grijs, wat van Rangitoto een spooky ghost island maakt. Tijd om een schuilplaats te zoeken.