Op naar rust van de eilanden

Op naar rust van de eilanden

Chang Mai, Tha Ton, Chang Rai, Phrae, Sukothai, Phitsanulok, Bangkok, Pak Chong, Khorat, Bangkok (Thailand – 2000)

Na een nachtje bijslapen te hebben in Chang Mai, na een jungle trektocht van een aantal dagen, zet ik mijn reis samen met Annelies voort naar Tha Ton , een rustiek stadje aan de Me Kok river, welke zichzelf uiteindelijk leegt in de Me Kong rivier. Dit stadje ligt vlakbij de Birmese grens, welke we vanaf deze kant niet mogen benaderen. Een Thai army camp, lees een Thai soldaatje of tien drinkt een kopje thee en wil ons er niet door laten. We reizen per boot door naar Chang Rai. De boottocht is niet echt spectaculair, maar wel heel relaxt, als je tenminste vooruit komt. In de middle of nowhere begeeft de boot het namelijk en dobberen we toch wel voor een uur of wat. Ach, is ook avontuurlijk. De schipper gaat met vreemde middelen, een aansteker, aan de slag om de boot te fixen. Ik weet niet wat hij er mee doet, maar het lukt hem ook nog. Als we eenmaal weer varen begint het te plensen en het zal niet eerder ophouden voordat we de limestone cliffs, waar Chang Rai omheen is gebouwd, van dichtbij kunnen bewonderen. Compleet doorwerkt.

Chiang Rai, een stadje van werkelijk 3x nix, doet erg Chinees aan. Maar de night market maakt het er erg plezant voor een middag of wat. Een kevertje hier, een gefrituurd wormpje daar, beiden niet echt smaakvol, maar leuk om geprobeerd te hebben. En net als de Akha eet ik altijd keurig mijn bordje leeg. De volgende dag neem ik afscheid van Annelies en het Akha gebied van Thailand en zal ik samen met Sam afreizen naar zuiderlijke gedeeltes van Thailand.

Phrae om precies te zijn, een plaatsje waar de Lonely Planet geen woord te veel over schrijft. Echter een postkaart gevonden in Chiang Rai van deze plek wees me op on-Thais natuurschoon. Let’s check it out. De plek in kwestie, met de mooie naam Phae Muang Phi, is inderdaad bijzonder, maar een stuk kleiner dan verwacht. Tsja, de fotograaf heeft goed zijn best gedaan. Het betreft een gebied waar de rotsen door erosie zijn omgetoverd tot een soort van ijshoorntjes van limestone. De Thai beschouwen dit gebied als hun eigen Grand Canyon. Mmmmm. Dat geeft deze plek net iets te veel eer. Het stadje Phrae zelf ziet vrij wel geen toeristen, blijkens de prijzen van eten op de lokale langgerekte night market: 2 Baht voor een sateetje in plaats van de gebruikelijke 5 Baht. Het kan dus toch nog goedkoper. Nou, doe er maar twintig!

Van hieruit reizen we door naar Sukothai. New Sukothai is een typisch Thais provinciaal stadje, helemaal niks dus. Het is er warm, smerig en overal marcheren zwerfhonden in gangs van tien over de straten. Old Sukothai, tevens de oude hoofdstad van het Thaise koningrijk is nu een uitgestrekt tempelcomplex welke we per fiets verkennen. Er zijn opvallend weinig toeristen in het park. Enkel bij de hoofdtempel treffen we de bekende hordes Japanners aan met giga camera’s continu in de aanslag om ieder detail vast te leggen. De Thai lijken overigens meer aandacht te geven aan de groene grasvelden, de ricepaddies, het in bedwang houden van de oprukkende (!) jungle en de aangelegde tuinen en waterpartijen in het park, dan aan de monumenten zelf. Deze zien er dan, compleet met onkruid wat er aan alle kanten tussen de Buddha beelden doorgroeit, echt authentiek uit. Maar ik denk dat ze er toch iets meer aandacht aan zullen moeten geven, anders resteert er van alle beelden over een paar decennia niets meer dan een paar donker uitgeslagen op elkaar gestapelde stenen.

Philok (Phitsanulok), ook niets meer dan een stinkend provinciaal stadje, maar uiteraard weer goed gevuld met streetstalls, is de volgende aanlegplaats. Van hieruit reizen we na een pitstop van een aantal uurtjes, door naar Bangkok per nachttrein. Het mooie van treinreizen in Thailand is dat je nooit je eigen eten hoeft te regelen van te voren. Want in de trein is het een komen en gaan van eten, in allerlei geuren, kleuren en smaken en steeds keurig aangeboden vanuit een emmer, alwaar de curry kruiden een onuitwisbare indruk op de binnenkant van de emmer hebben achtergelaten. In Bangkok zal ik enkel een visum voor China regelen. Pak Chong zou de aanlegplaats moeten worden voor een bezoek aan Khao Yai National Parc. In de treinrit erheen begint het al onophoudelijk te regenen. 24 lang achterelkaar regent het aan een stuk door. Tsja, dan is er weinig lol te beleven aan een dag jungle trekking, dus besluiten we snel door te gaan naar Khorat om Phanom Rung te bezoeken, een oud Khmer-complex. Vlak voordat de trein Khorat, ook wel Nakhon Ratchasima geheten, binnenrijdt, zie ik dat de regen hier voor een behoorlijke overstroming heeft gezorgd. Mensen staan langs de rails voor de helft in het water en de ricepaddies zijn veranderd in enorme zwembaden. Ik hoop dat dit de oogst niet al te zeer zal schaden. Ook Khorat heeft voor de toerist op het eerste gezicht weinig te bieden anders dan, wederom, een gigantische markt alwaar de varkenskoppen tentoon gesteld worden en de padden voor je ogen worden gefileerd…

Een bus zet ons vervolgens af op een driesprong en route naar Phanom Rung . Op deze driesprong staan vervolgens motorrijders klaar om de schaarse toerist de laatste kilometers naar het Khmer-complex te vervoeren. Deze motorrijders schuwen te hard rijden in ieder geval niet. Het complex zelf laat weer een heel andere kant zien van de rijke Thaise bouwkundige geschiedenis. De tempels zijn nog redelijk goed in tact en laten prachtige uitgehouwen gezichten e.d. zien van een totaal ander karakter dan bijvoorbeeld Sukothai. Wat me met name opvalt is dat veel gezichten strak, arrogant, haast boos lijken te kijken. Of is het angst wat de gezichten moet uitbeelden, daar veel tempels ook bewerkt zijn met machtig lijkende slangenfiguren. Daarnaast tonen deze tempels ook veel meer grandeur dan de andere Thaise tempelcomplexen. Met name doordat de toegangs-oprit gigantisch lang is en de bezoekers ook nog eens gedwongen worden een steile lange trap te beklimmen.

Van Khorat gaan we de dag daarop weer terug naar Bangkok om door naar de eilanden te gaan, nadat ik mijn paspoort bij de Chinese ambassade inclusief visum opgehaald heb. Onderweg passeren we ondermeer het Khorat Plateau, een prachtig natuur fenomeen gevuld met groene jungleheuvelruggen en limestone cliffs. Wat zal het heerlijk zijn om daar rond te lopen. Het lawaai van de treinvretenverkopers is voor eventjes compleet op de achtergrond verdwenen. Echter, deze mooie droom wordt plotseling wreed verstoord. Tussen twee bergen in heeft een of andere malloot een compleet fabrieksmonster neergeplemd, in omvang zo groot als het DSM-monster in Limburg. Zwarte stinkende rook onderbreekt de groene oase en dwingt de treinreiziger tot het versneld dicht doen van de ramen om niet vergast te worden. De circulerende rookpluimen maken deze plek erg sinister. Laat ik het een omgekeerde of negatieve fata morgana noemen.

Op dit ogenschijnlijk kleine stukje treinen, staat de vertragingsteller voor vertrek echter al op 4,5 uur, waardoor we nu in het pikkedonker in Bangkok zullen arriveren in plaats van in de namiddag. Het eerste het beste hotel voldoet voor deze ene nacht. De buurt van het station, is als in zo veel steden ter wereld, nu niet bepaald de meest charmante. Derhalve doen we ook niet moeite voor het zoeken naar een gezellig restaurant. Helemaal niet omdat vele hondenoogjes ons niet bepaald vrolijk aankijken. Een klein hapje van een van de beesten, is genoeg voor een enkeltje Bangkok – Schiphol.

Wachtend op de trein naar zuidelijk gelegen eilandjes, brengen we nog een bezoek aan de gigantische Bangkok weekendmarkt. 8672 (!) stalletjes bij elkaar: een chaotisch, compleet onoverzichtelijk tafereel. De busrit erheen is voor de simpele, niet-al-te-zeer-kooplustige man zoals ik, nog de mooiste ervaring gebleken. De buschauffeur heeft gedurende de gehele rit al een gigantische haast. Hij roept mensen om snel in- en uit te stappen. Veel nut heeft het niet, want grote deel van de rit erheen staat de bus toch klem in het verkeer van Bangkok. Een agent tracht het verkeer met gebaren te doen laten doorrijden, terwijl ze geen kant op kunnen. Ook slim is de agent die een auto aanhoudt in de spits op het midden van de weg, oftewel het verkeer kan vervolgens nog minder kanten op. Enkel op de freeways kan het grif betalende verkeer een beetje doorijden, terwijl de ene na de andere skyscraper voor bij vliegt.

Tegen de tijd dat het onze beurt is om uit te stappen, drukt de chaufffeur veel te vroeg weer het gaspedaal in. Oftewel, op het moment dat ik uit wil stappen, geeft de buschauffeur weer gas. Gevolg: ik lig gestrekt, midden op het warme wegdek. Ik strompel terug naar de stoep, alwaar een oud Thais dametje gebaart dat ik op een kruk moet gaan zitten. On the spot begint ze mijn knie en been met tijgerbalsem te masseren. Zonder te vragen om wat Baht of zo. Prachtig. Ik mag het potje tijferbalsem ook nog eens houden. Iets minder prachtig zijn de georganiseerde hanengevechten welke ook bij de markt worden georganiseerd. Nooit geweten dat die beesten zo agressief kunnen worden. Een haan verdedigt zijn eigen leven met met man en macht, terwijl hij al een enorme wond heeft in zijn nek. Nu ben ik echt toe aan de rust van de eilanden.

Plaats een reactie