Een moment van bezinning
Auschwitz-Birkenau, Polen – 2005
De lucht is grijs als ik mij voor de laatste keer door de stad Krakow een weg baan naar het busstation. Er waait een gure wind. De weg voert me eerst door de oude buurt Podgorze waar mijn hotel is gelegen, circa 2,5 km buiten het centrum. Een buurt waar de nonnen met kromme ruggen door de straten struinen en waar op iedere hoek een oud vrouwtje haar vers gebakken brood verkoopt. Een buurt waar de toerist ogenschijnlijk niks te zoeken heeft. Dit is het gedeelte van de stad waar de arbeiders wonen en voor de doorsnee toerist geen attractie te ontdekken is anders dan het typische lokale leven. Eenmaal de rivier Dietla overgestoken blijkt waarom er zo veel toeristen deze stad aan doen. Ver voor me uit doemt namelijk de Poolse glorie op, Wawel castle. Ik sla echter nu rechtsaf bij een bushokje, waar door middel van een abri het Poolse volk wordt gevraagd ‘tak tak’ te denken over Europa. Vervolgens loop ik nog een kilometer of twee langs de groene zoom, welke om de gehele oude binnenstad is gebouwd. In diverse winkeletalages prijken borden, T-shirts en posters met de beeltenis van de onlangs overleden Poolse paus. Commercie en geloof gaan ook hier hand in hand.
Wat me al twee dagen opvalt, is dat de gelaatsuitdrukkingen van de Polen overwegend nors zijn. Mensen lachen niet op straat. De ouderen hebben veelal zwaar ingevallen gezichten en ogenschijnlijk geen geld voor een kunstgebit. De jongeren daarentegen lopen in de laatste Westerse mode. Een aantal bedelaars spreken me aan. Niet voor geld, maar voor een sigaret en dat terwijl een pakje hier toch echt nog maar iets meer dan een euro kost.
De weg voert me verder door Kazimierz, de oude Joodse buurt. Van deze buurt resteert weinig meer dan een paar totaal verlaten straten waarin de huizen, driekwart zwart geblakerd, niet eens meer voor krakers een wenselijk onderkomen zijn. Een straatje om begint het toeristen circus. Een oude synagoge is omgedoopt tot museum, voor de deur stopt net een bus vol met toeristen met de camera’s in de aanslag om de nek hangend.
Terwijl ik verder richting het busstation loop, gaan we mijn gedachten terug naar de dag van gisteren toen ik me in het heuvellandschap bevond van Ojcow National Parc, waar de rotssperen tussen de bomen door staken. Heerlijk voelde het om in een nagenoeg geheel verlaten natuurpark te lopen. Nog geen half etmaal later bevond ik mij op 120 meter diepte in de oudste zoutmijn van Polen, waar na 700 jaar sinds de opening nog steeds zout wordt gewonnen. In de mijn bevinden zich vele tempels gewijd aan het katholieke geloof, met vele standbeelden uit zout, waaronder een zouten Paus. Ook het symbool van de Poolse vrijheid, Jozef Pilsudski, is uit zout gehakt. Zelfs de vloertegels, welke ogenschijnlijk veel van marmer weg hebben, zijn van zout. Met een natte vinger probeer ik de ‘smaak’ uit, niet beseffend dat er al duizenden en duizenden schoenen de vloer hebben geboend, waardoor deze zo is gaan glimmen.
Mijn voor vandaag geplande bezoek aan Birkenau zal een iets ander inslag hebben. Een moment van bewustwording, van bezinning. Ik boek een buskaartje naar Oswiecim, de Poolse naam van Auschwitz. Echter, er zijn iets meer kaartjes verkocht dan er zitplaatsen zijn. Een aantal toeristen duwt zich een weg naar binnen totdat de buschauffeur de ingang blokkeert. Een aantal toeristen welke nog buiten staat, begint vervolgens de chauffeur voor alles en nog wat uit te maken alsof hun leven ervan afhangt. Alsof hun leven er van afhangt. Je bezoekt Auschwitz om welke persoonlijke reden dan ook en je schreeuwt alsof je leven er van afhangt omdat je de bus niet binnen komt..
Ik zet pas naar het nabijgelegen treinstation om zo alsnog in Auschwitz te komen. Bij het loket ontmoet ik een Zuid-Koreaanse dame. In de treinrit, welke ruim een uur duurt, hebben we het over de reis welke ze aan het maken is alvorens voor haar het werkende leven begint. Het Zuid-Koreaanse leven begint verdacht op het stressmodel van Japan te lijken. Dus zij neemt het er nu maar even goed van. Ze vertelt ook over een plekje net over de grens in de heuvels van Noord-Korea, dat de enige plek is waar mensen uit beiden landen elkaar vrijelijk mogen bezoeken. Een paar jaar geleden werden op die bewuste plek, uit elkaar gedreven families voor het eerst weer met elkaar herenigd, al was het maar eventjes. De vete tussen beide landen is nog lang niet gestreden.
Bij aankomst bij het ‘museum (!)’ Auschwitz, blijkt het een heksenketel van af en aanrijdende tourbussen te zijn. Vlak naast een ingang spelen kinderen in een speeltuin. Niks lijkt erop dat mensen hierheen gaan voor een moment van bewustwording, van bezinning. Een Amerikaanse jongen, welke ik eerder op het busstation in Krakow had ontmoet zegt ‘Have fun’ tegen me. Have fun? Nogal ongepast, maar ik ga er verder niet op in. Even later sta ik oog in oog met het meeste bekende overblijfsel van Auschwitz, de metalen poort met de tekst ‘Arbeit macht frei’. Onder deze poort liepen destijds duizenden en duizenden mensen het kamp in om vergast te worden en het kamp uit om slavenarbeid onder barbaarse omstandigheden te verrichten, totdat het lichaam de inspanningen niet meer aankon. ‘Arbeit macht frei’ is in mijn optiek een van de allergrootste leugens geweest. In mijn gedachten leek de poort altijd gigantisch, maar de fysieke grootte valt erg mee. Wat dan weer totaal onbegrijpelijk is, is dat mensen zich onder deze poort laten fotograferen met een glimlach op hun gezicht. Met een glimlach!
Eenmaal onder de poort doorgelopen, zie ik de talloze herbouwde barakken, welke een indruk geven van hoe het er destijds uit moet hebben gezien. Het is alsof je op een filmset loopt, zo irrealistisch. De gedachten wat er op dit terrein plaats heeft gevonden, worden versterkt door diverse borden welke bij een aantal van de barakken staan. Een in het bijzonder grijpt me aan. ‘Familie van mensen welke kampgenoten helpen ontsnappen, worden in deze barak berecht’. In de barakken staan diverse relikwieën als restanten van gasinstallaties. Heel aangrijpend is een glazen bak van ca. tien meter diep, twintig meter lang welke in zijn geheel gevuld met schoenen van kampbewoners. Er zitten ook een groot aantal klompen in deze bak. Een andere is weer gevuld met tandenborstels, protheses, koffers met adressen erop gekalkt. Op een van de koffers is de naam ‘Amsterdam’ nog net te herkennen. De tand des tijds heeft de verf flink aangetast. Ook is er een bak gevuld met potten, pannen en ander kookgerei. De bewoners werden namelijk verteld dat ze naar een beter onderkomen werden gebracht, nog zo’n leugen van de nazi’s destijds. Kinderkleren, poppen met kapotte hoofden of met een ontbrekende arm, ook deze zijn allen verzameld in een bak. Terwijl ik langzaam langs de bakken slenter, me bewust wordend van de enorme hel welke hier heeft plaatsgevonden, rennen kinderen langs me heen achter een balletje aanrennend. Als ik oog in ook sta met een zelfde glazen bak gevuld met haar, menselijk haar, moet ik pas echt slikken. Van dit menselijk haar werden gewoon weer kleren gemaakt. Een van de laatste bakken is gevuld met honderden, duizenden blikken gas, waarmee de gasinstallaties van ‘zuurstof’ werden voorzien. Recht voor mijn neus ligt het grootste moordwapen aller tijden. Onbegrip, onmacht, woede.
In alle barakken zijn de muren van de meterslange hallen bedekt met fotolijstjes van mensen die hun verblijf in Auschwitz niet hebben kunnen navertellen. Onder de foto staat de datum van aankomst en datum van overlijden vermeld. Zelden zie ik een grotere kloof tussen beide data van 3 maanden. De gezichtsuitdrukkingen spreken veelal boekdelen. De meeste spreken wanhoop uit, terwijl een aantal gezichten een uitdrukking vertonen van ‘mij krijg je er niet onder’. Qua leeftijd zou ik een groot aantal van de gefotografeerde mensen 40-45 jaar schatten. Echter, het merendeel is nog maar net nipt de twintig gepasseerd.
Eenmaal de poort weer onder door gelopen, probeer ik te beseffen wat ik allemaal gezien hebben. Maar het meest aangrijpende moet nog komen. Ik wandel naar het ‘andere’ kamp, Birkenau. De ‘spoorlijn’ welke in vele films is vertoond, ligt er nog. Het spoor loopt onder een poort door, waarna de grote schifting begon, 25% mag werken, 75% mag een douche nemen. Kamp Birkenau bestaat uit een enorm grote vlakte, tot zover de horizon reikt. Vroeger hebben hier ook allemaal barakken gestaan. Nu is er een rijtje barakken opnieuw opgebouwd. Terwijl de nazi’s het kamp verlieten, staken ze al het bewijs in de brand, maar de schoorstenen zijn overeind gebleven. Nu staan er op deze grasvlakte honderden en honderden van deze schoorstenen nog overeind. Iedere twee schoorstenen staat voor een barak met minimaal 400 inwoners. Iedere twee schoorstenen! Een hel tot ver het oog reikt. Nu vliegen de vogels er over heen en wandelen toeristen over dit weiland nog steeds omheind met de dubbele rijen prikkeldraad. Ik bemerk wel dat de mensen die hier heen komen meer bewust zijn van het verleden van dit terrein, getuige de rust welke ze in acht nemen. Velen wandelen met de handen in de zakken, verzonken in gedachten. Ik doe niet anders.