De krachten van Pacha Mama III
Waimangu/Rotorua – Nieuw Zeeland, 2006
Het is geen pretje om in Rotorua te moeten wonen. Allereerst omdat meer dan de helft van de bevolking uit dronken toeristen bestaat, welke de talloze pubs bevolken. Maar in de stad had een continue stankdamp van de vulkanische parken in de omgeving. Dus niet alleen als de wind verkeerd staat.
Per fiets baan ik me een weg over de SH5 in de richting van Waimangu. De weg slangt zich over diverse heuvels, welke op een relatief eenvoudige fiets nog de nodige kracht vergen om te beklimmen. Het fietspad is feitelijk de vluchtstrook en soms wordt ook deze door de roekeloos rijdende Kiwi’s geclaimd. Ze mogen dan een feitelijk relaxt volkje vormen. Als het gaat om autorijden houden ze geen rekening met de eenzame fietser. Ze scheuren hard aan me voorbij en dwingen me af en toe maar even van de weg af te rijden. Want in de slipstream rijden van een met 100km/u voorbijscheurende vrachtwagen, is geen pretje. Dit doen ze ook als er bordjes zijn welke de weggebruikers gebiedt maximaal 30 te rijden, bijv. bij het bord ‘Rainbow mountain road improvements’. De arme possums hebben het er ook zwaar mee. Zeker vijftig aangereden beesten, met dodelijke afloop, heb ik denk ik onderweg gepasseerd. Echt rouwig zijn de Kiwi’s er niet om, daar er zo’n 60 miljoen van die beesten het landschap aantasten. Ooit ingevoerd door de Europeaanse overheersers van destijds om een bontindustrie in Nieuw Zeeland te starten en nu is het feitelijk een plaag. Iedere aangereden Possum levert 1.000 bonuspunten op.
Na nog een paar heuvels beklommen te hebben kom ik aan bij Waimangu National Park, alwaar ik een mooie wandeling maak. Na de fietsinspanningen is het goed om te weten dat de wandeling alleen maar bergafwaarts verloopt en ik aan het einde van het parcours een busje omhoog kan nemen.
Het park lijkt in het begin op slechts een groene oase gevuld met bossen, veilig uitziende meertjes en rotswanden, welke allen eindigen in Lake Rotomahana. Gewoon lekker wandelen, te midden van het groen. Mijn hoofd is ook weer even uit de zon door alle bomen, en dat is maar goed ook. Ik ben goed verbrand gisteren.
Echter, al snel doemt een nooit eerder gezien fenomeen voor me op: het huis van de duivel. In Kiwi-taal: Cathedral Rock. De rooksignalen zijn al van verre te zien. Ze komen uit een soort van schoorsteen, welke fier en krachtig, doch eenzaam, overeind staat te midden van de groene heuvels. Te midden van de groene sereniteit doorbreekt deze rotskolos de rust van het landschap. De constante rook ziet er dreigend uit, alsof de duivel omstanders wil waarschuwen: kom niet dichterbij stervelingen! Echt dichtbij komen lukt ook niet, want de duivel heeft een waterpartij om zijn huis aangelegd. Maar niet zo maar een waterpartij. Er dwarrelt continu stoom over het groen/blauwe water, welke blijk geeft van de hoge temperatuur van het water en welke de mysterieze sfeer van de omgeving compleet maakt. De naam voor dit meer is zeer toepasselijk ‘frying pan lake’. En al zou je door of over het water weten te geraken, dan zijn het wel de steile wanden van de schoorstenen die je belemmeren om de ring terug in de lava te kunnen gooien. Aan de andere kant van de oever blijkt dat het water inderdaad niet zo onschuldig is, daar de bodem in diverse tinten groen, bruin en wit weg kleurt door de chemicaliën. De lucht boven het huis van de duivel kleurt inmiddels donkergrijs: tijd om weer de veilige bossen in te duiken.
Even verderop ligt een hels blauw meertje, met de toepasselijk naam inferno crater lake, verstopt onder een deken van omhoog schietend stoom, welke ook de halve rotswand waaronder het meertje ligt, bedekt.
Na nog een klein stukje door het bos gelopen te hebben, beland ik bij wederom een fraai huzarenstukje van Moeder Natuur: de ‘Warbrick Terrace’. Het is een soort van versteende ondergrond in licht aflopende terrasvorm, waarover chemisch water langzaam naar beneden sijpelt en zo zijn kleurensporen, groen/bruin/wit, achterlaat. Op de grootste krater, annex ‘gasontsnapplek’, stapelt met de name de kleur wit zich op tot een hoop smeurie van een halve meter hoog en tien meter breed. De felle helse gloed tegen de groene beboste achtergrond doet gewoon pijn aan mijn ogen, zeker als de zon een lichtje op de witte hoop laat schijnen. Een boom tracht schuin boven de gasluchten te overleven, waarmee ik hem alle succes toewens.
Nog een paar honderd meter verderop ligt het meer Rotomahana vredig te kabbelen, met een kudde zwarte zwanen welke vrolijk ronddobbert. Ook dat is Moeder Natuur, maar dan in een rustige gemoedstoestand.