Barbarossa goed Akha
Hilltribe trekking bij Chang Mai, Thailand – 2000
Terug in Thailand, in Chang Mai om precies te zijn, na een mooie trip in Laos, al waar ik herenigd wordt met mijn kleine zusje Annelies. Terug in het land van Pat Pong, Beer Chang en internettende orange-jersey dragende Buddhistische monniken, welke drie kwart van het intercafé vullen al chattende met de jeugdige dames welke op de pc er naast zitten. Tsja, geloof zegt voor heel veel jongeren niet zo heel meer. Het is voor vele Thaise jongens niets meer dan een gedwongen monnikenjaar. De familie eer wil je toch niet schaden?
Chang Mai is een toeristenstad welke zijn weerga niet kent. Een nightmarket met souvenirkraampjes van in totaal een kilometer lang. De verkopers zitten futloos achter hun stalletje. Maar zodra je ook meer even langzamer voorbij loopt, veren ze op van hun kruk, grijpen de rekenmachine achter zich en zeggen “Something for you?”. Chang Mai heeft daarnaast veel te veel boozplaces, veel te veel Westerse films om te kijken. Jeetje, er is zelfs McDonald’s. Dit is met recht wat je een cultuurshock kan noemen na drie weken ‘bikkelen’ in Laos. Leuk voor een dag om bij te praten met vrienden, maar met reizen heeft het weinig te maken.
Per songthaew banen we ons dan ook snel een weg uit de civilized world, op weg naar unspoiled natuur. Nou ja … We gaan in gezelschap van een klein dozijn andere reizigers een trekking maken door het gebied ten noorden van deze ‘metropool’. Een paar uur per dag lopen, klauteren, vallen en opstaan, rivieren en modderstromen oversteken, genieten van de natuur, terwijl we ook hier en daar wat dorpjes passeren welke zo uit het houten tijdperk lijken te stammen. De groep is een heerlijk mix van nationaliteiten en persoonlijkheden. Het typetje ‘o mijn nagel’ (Ingeborg) is ook vertegenwoordigd. Met name Kirra en Lee vallen op. Zij reizen samen door Thailand maar hebben allebei de handicap dat ze doof zijn. Echter, samen vullen ze elkaar goed aan doordat Kirra nog verrassend goed zichzelf verstaanbaar kan maken en Lee is haar rots in de branding (letterlijk) als zij haar evenwicht dreigt te verliezen in een relatief snel stromend riviertje. Sarah maakt een nogal angstige indruk, welke met het verstrijken van de dagen pas zal verdwijnen. Overigens logisch als je kamergenote op een gegeven moment levenloos wordt aangetroffen na een avondje stappen in Chang Mai. De verdachte bleek de hoteleigenaar te zijn. Af en toe heeft ze het moeilijk en ondersteunt een ieder uit de groep haar. Even stond ze op het moment om haar sabbatical year af te breken en huiswaarts te keren. Echter, haar broer is toen snel overgekomen om haar over de moeilijkste momenten heen te helpen.
Na een uiterst makkelijke eerste wandeldag zal de eerste overnachting plaats vinden in een Akha dorpje, een tribe welke van oorsprong uit Tibet komt. Lees: Mao heeft ze er weggejaagd door met het rode boekje te wapperen. Normaal wonen er ca. 80 mensen. Echter, de dag dat we er aankomen is een weekdag en dat betekent dat alle kinderen naar school zijn, welke op drie uur lopen ligt. De kinderen lopen maandagochtend vroeg naar school en keren pas vrijdagmiddag terug naar hun families. Onderwijs kent zo zijn prijs!
Echter van unspoiled tribal life is geen sprake meer, aangezien de toeristengroep, twaalf man in totaal, continue souvenirs wordt voorgehouden. Als iedereen na de eerste dag gedoucht heeft en lekker van een biertje aan het genieten is, jawel midden in de jungle is de tap ook al aangesloten, komen de dorpsbewoners op ons af gelopen en begint het duw- en trekproces. Polsbandjes, akhahoofddeksel, kettingen, armbanden van echt (yeah right) zilver vormen de munitie.
Iedereen in deze Akhastam is familie van elkaar. Mannen mogen twee vrouwen hebben. Echter, sexen mag alleen in “THE HAPPY HOUSE”. Iedereen leeft en werkt en kookt, en eet in de centrale hut, waar mannen geschieden van vrouwen leven. Dus als ik een stelletje THE HAPPY HOUSE zie binnen gaan, dan weet ik wat er gaat gebeuren.
De volgende dag vindt er een olifanten-safari plaats. Ik besluit echter achter de oli’s aan te lopen. Na wat beelden van mishandelde oli’s in India in mijn geheugen gegrift te hebben, ga ik niet met mijn toeristen-reet op de rug van een olifant zitten. Dit niet om de rest van de groep te beoordelen, of om wat extra lichaamsbeweging te krijgen, maar meer om het principe wat ik zelf heb voorgenomen. Een nadeel, als je achter de oli’s aan loopt moet ik nog meer rivieren oversteken: de urinestralen van de oerbeesten vormen af en toe woeste stroompjes. Voetballen kan ook met de keutels welke de beesten continu lijken af te werpen. Een voordeel is dat ik alle tijd om heb om met de gids te praten over het wel en wee van de olifant in Thailand. Het blijkt dat de olifant hier in principe een prima leven heeft. Op driejarige leeftijd gaat de jonge olifant op trainingskamp, waar hij opgevangen wordt door een Thaise man en zijn zoon. Als vader de leeftijd heeft bereikt om naar nirvana af te reizen, is zoonlief verplicht het werk van zijn over te nemen en zijn eigen zoon er ook bij te betrekken. Op 50-jarige leeftijd worden de olifanten weer vrijgelaten in het wild en hebben de vader, zoon en ook inmiddels de kleinzoon de verplichting om te blijven kijken of de olifant het wel redt, terug in het wild.
Ook praat ik met de gids over de rol van de diverse stammen, woonachtig in dit gedeelte van Thailand. Deze stammen lopen een paar eeuwen achter op de rest van Thailand qua ontwikkeling en de Thaise regering ziet ze het liefst hun rieten hutjes verlaten om een onderkomen in de steden te zoeken. Ten eerste bannen ze hiermee een groot gedeelte van de illegale opium handel uit. Maar belangrijker: deze stammen doen alles met ruilhandel, oftewel er komt geen Baht aan te pas in hun leven. En dus komt er ook geen Baht in de schatkist.
We overnachten op de tweede dag bij een Phalong-tribe village, een tikje armoediger nog dan het vorige dorpje. De waterput doet ook dienst als douche, de WC stinkt als in zijn beste dagen, de whiskey om het kampvuur vloeit rijkelijk. De dames van het dorp voeren een zgn. tribal dance op, om verwende toeristen te vermaken. Deze ‘dans’ valt niet echt als authentiek te betitelen: een paar dames welke rondom het kampvuur lopen, keurig gesorteerd van klein naar groot, terwijl ze hun handen bepaalde simpele bewegingen laten uitvoeren. Mij bekruipt het gevoel dat ik hier pottenkijker ben, welke toevallig met veel geld op zak een reis kan maken. Een uur of twee later voel ik me behoorlijk King of The World, na 11 opiumpijpjes. Deze keer is het effect niet te onderkennen.
De twee overnachtingen in de villages gaan gepaard met rattengeluiden, jankende honden, roffelende trommels tot twee uur ’s nachts (ehm, zijn wij het ontbijt voor de lokale bevolking?). Gelukkig ben ik niet de enige die er wakker van heeft gelegen, oftewel ik heb nog steeds geen malaria paranoia.
De laatste dag van de trekking beginnen we, na een uurtje wandelen, terwijl de guide en ik nog gedeeltelijk onder invloed zijn van de opium, aan een rafttocht. Oftewel we peddelen wat door een beekje wat niet sneller stroomt dan de beekjes rondom Oma Duck’s landerijen. Dan maar een watergevecht initieren, waarbij alles is geoorloofd tot aan vlot omduwen, roeispaan stelen, etc. It is great to feel like a kid!