The only way is up
Krabi – Bangkok, Thailand, 2000
Een beetje raar is het om in mijn eentje naar Krabi te reizen. Krabi ligt zo ongeveer halverwege Georgetown en Bangkok, daar waar ik over een paar dagen Annabel en Junin zal ontmoeten.
Krabi is een toeristische trekpleister, welke nu nagenoeg uitgestorven is. Fantastische limestone rotsen kruipen overal uit de grond, verticaal omhoog. In de omringende badplaatsen Ao Nang en Hat Nopparat Thara is het uitzicht nog magnifieker. In deze laatste plaats ontmoet ik een Duitse dame welke nu iets meer dan een jaar door Thailand heeft gereisd, tezamen met haar Thaise lover. De omgekeerde weg kan dus ook. Ze trekken van plek naar plek, om overal gedurende een maand of iets meer te verblijven.
Gedurende de paar keren dat ik hen heb gezien leer ik de Thaise jongen beter kennen haar. Zij is niets anders dan hopeloos verdwaald in haar eigen bestaan en hij is op de vlucht van de verantwoordelijkheden welke vaderschap met zich mee brengt. Hij ziet zijn eigen kind, volgens eigen zeggen, vijf keer per jaar. Hij laat het opvoeden door zijn grootouders welke in het grensgebied met Laos wonen. Hij verteld over de druk welke Thaise families leggen op ‘the young in love’. Het is al na een paar weken van verkering heel normaal om te vragen wanneer het eerste kleinkind er aan komt, aldus de Thaise jongen welke zich Ole noemt. En als de grootouders echt oud zijn, is het ook heel normaal dat ze op een gegeven aankloppen bij hun kinderen om daar te wonen en zich volledig laten verzorgen.
Op mijn laatste dag in Krabi rij ik achterop de motor van Ole op weg naar Wat Tham Seua, een tempel bovenop de hoogste limestone cliff. De tocht er heen is al mooi, dwars door limestone country terwijl Ole plankgas geeft over de weg welke continue als een slang door het landschap slingert. Het uitzicht na de klim, 1300 treden in iets minder dan een half uurtje, is spectaculair. Het past zo in een Hollywood film. Stad en strand in het Zuidoosten, grote kliffen en bergen zoals je die vroeger op school tekende in het Zuidwesten. De overige hoeken worden gevuld met theeplantages en jungle. Groen zo ver het oog reikt. Enkel onderbroken door stukjes land welke in brand zijn gestoken of een baby heuvel welke ver is afgedwaald van zijn grote broers en zussen. Heerlijke rust!
Wat een tegenstelling met de hustle & bustle van Bangkok, waar ik me een dag later begeef. Ik zal er nu maar voor eventjes blijven omdat ik later toch wel weer terug zal komen. Daarom neem ik genoegen met het eerste het beste guest house dat ruimte heeft.Hello Guest House is gelegen in Ko San Road, het backpackers mekka van Bangkok. Het heeft eigenlijk niets meer met Bangkok of Thailand te maken. Overal zijn er bookshops, internetcafé’s, dinner & movie gelegenheden. De lokale bevolking kleedt zich in Bob Marley T-shirts en andere kleren uit grootmoeders klerenkist, draagt piercings en petjes van de NY Yankees en zegt meer Hi dan Sawaat dii. Tevens heeft hier op iedere straathoek zich wel een hoer of een ladyboy geposteerd.
Hoe anders is Chinatown. Een levendige area met overal marktjes, food stands zonder toeristen. Je kan hier live op straat een facelift krijgen. WC Meubilair kunnen je ‘inzitten’ op de stoep.
Vervolgens ga ik door naar Kanchanaburi. Hier logeer ik in, naar wat later zal blijken een van de top guest houses van mijn gehele wereldreis: Nita Raft Huis. Een tot guest house omgebouwde woonboot. De Kwai rivier doet mij hier in slaap vallen en wekt me ook nadat een passerende boot de rivier en derhalve ook mijn kamer in beweging zet. Vanuit Kanchanaburi bezoek ik onder meer Erawan National Parc, een van de officiele nationale parken in Thailand. Een park gevuld met machtige turquoise watervallen, de een mooi en heftiger van kleur dan de ander.Tot aan de zevende waterval ben ik een uurtje of wat aan het klauteren, traplopen, uitglijden over muddy trails. Maar dan.. de achtste waterval, welke vanaf de top van de berg naar beneden stort. Een machtig aangezicht van veraf. Maar hoe kom ik daar als de weg geblokkeerd wordt door een tweeeneenhalve meter hoge rots, welke spekglad is en totaal geen houvast biedt om beklommen te worden? Simpel: de Thaise gastvrijheid is dusdanig van aard dat na een seconde of tien het aanbod van bovenop de rots komt om me bij de armen te grijpen en omhoog te hijsen.
Na enige tijd van relaxen en poedelen heb ik het wel gezien en wil ik wel weer naar beneden. Ik wacht simpelweg totdat de volgende groep aan komt zetten en gooi alvast mijn voeten naar beneden. Oftewel, ze moeten me eerst helpen eer ze zelf omhoog kunnen klauteren. Met een glimlach bieden vijf jongens hun handen en voeten (en als het nodig was ook hun hoofden) aan om mij houvast te bieden in mijn weg naar beneden. Het is dan wel erg frusterend om te zien hoe al die Thaise jochies als bergbokjes omhoog gaan.
Maar Kanchanaburi staat nog veel meer bekend als de plek van misschien wel de meest beruchte brug ter wereld: Death Railway Bridge ofwel de Bridge Over The River Kwai. Ik besluit er heen te lopen. Echter, vanaf Nita blijkt het uiteindelijk iets langer lopen te zijn dan verwacht. Even denk ik compleet fout gelopen te hebben, daar ik me plotseling enkel door jungle omringd zie. Echter, een hoekje om begeef ik me letterlijk in een toeristencircus. Een toeristencircus op deze plek. Beeld je zelf eens in alle woede welke hier heeft geheerst. Alle haat, alle martelingen, alle zinloze doden, alle foutgeplaatst macht. Een bloemboot restaurant ligt pal naast de brug. Hoe ironisch.
Dit is een van de meest bezochte toeristische plekken in Thailand. Omringd door eindeloze vlakten met graven, pijn tot aan de horizon, heeft de regering besloten hier een happy face place van te maken. Onbegrijpelijk.
Ik zet een paar passen over de brug, welke niet de originele brug is uiteraard. Deze is in ’45 gebombardeerd door de geallieerden. Naast mij loopt een Japanse man met aan zijn zijde zijn beeldschone vrouw en twee jengelende kinderen. “Sir can you take picture”, vragen ze aan een oudere Westerse toerist. Vier glimlachende mensen op deze plek des doods. Onbegrijpelijk.
Ayuthaya, de oude hoofdstad van Siam, is mijn volgende bestemming. De stad is feitelijk gebouwd op een eiland omringd door de Lopburi river. De stad zelf stelt niks voor. De oude ruines des te meer. Sommige zijn half overwoekerd door planten. Sommige hebben het iets zwaarder te verduren gehad met de tand des tijds. Ik loop gezellig een middag in de volle zon, vluchtend van waterkraam naar waterkraam. Onderweg ontmoet ik diverse toeristen. Jerry & Michelle zijn een zeer apart stel. Jerry is een zgn. fucked up technofreak. Volgens eigen zeggen spuit en slikt hij alles wat met drugs te maken heeft. Michelle is nog een maatje aparter. Een ex-juvenile delinquent. Ze heeft ooit in een vlaag van verstandsverbijstering een man met een vork bewerkt nadat deze man haar vriendje geplaagd had, hetgeen haar op een maand isolatiecel was komen te staan. Ik vermoed dat het ook een vlaag van verstandsverbijstering is geweest dat ze me dit even tussen neus en lippen door vertelt. Ik was in ieder geval op de hoogte van het mogelijke gevaar en besluit haar op een veilige afstand te houden en vooral heel aardig en begripvol voor Jerry te zijn.
’s Avonds in het hotel, onder het genot van een paar biertjes en in gezelschap van ondermeer een beauty van een Ierse meid, vertelt Michelle over haar verleden. “I met Kurt Cobain and we did heroin. The baseplayers sister was my roommate in college. So we hang out with Nirvana. Yeah. Yeah.” In een drugsvolle avond op Phi Phi zou ze volgens eigen zeggen eens naar een ander eiland hebben willen zwemmen. Een vriendin heeft haar daar gelukkig van kunnen weerhouden.
In het dagelijks leven woont ze in een Self Supportive Community ten zuiden van Vancouver. Een groepering welke leeft van wat het land hen schenkt. Zou ze ook zelf papaver verbouwen? De artsen aldaar hadden haar in ieder geval afgeraden malaria pillen te gebruiken gezien haar alcoholverleden. Nu de avond haar einde nadert, leert een snelle blik op de tafel dat er in inderdaad niet helemaal evenredig is gedronken. Gemiddeld drie halve liters per persoon, maar stiekum zeven (!) door haar.
Ach ja. “If everyday of travelling is not an adventure in any way, you are doing something wrong”
Terug naar Bangkok. Om 8.00 uur in de ochtend voor het eerst een fenomeen meegemaakt, welke ik nog menigmaal zal meemaken. Het inzetten van het volkslied. Iedereen die zit gaat plotseling staan, iedereen die liep blijft plotseling staan, iedereen die praat is plotseling stil, iedereen die iemand aankijkt, kijkt alleen nog naar het portret van de koning. Ik heb het gevoel dat ik maar beter mee kan doen.
De volgende dag voltrekt zich hetzelfde ritueel, maar dan op Hualamphon, annex Bangkok CS. Het portret van de koning is er nu echter een van 5 bij 2,5 meter. Even nadat het volkslied is afgelopen, komen er wel twee hele bekende gezichten onder het portret vandaan gelopen mijn kant op. Bel en Junin. Na 4,5 maand elkaar niet gezien te hebben, ontmoeten we elkaar hier in Bangkok. De dag erna ontmoeten we onze ouders in Hua Hin. Een week van big beers, big steaks, clean beds, warm showers (de eerste sinds Chomrrong) en vooral relaxen breekt aan. We praten veel over wat we mee hebben gemaakt op onze reis, over wat er allemaal is gebeurd in Nederland.
Erg rare situatie als ik op de laatste ochtend met mijn ouders, vlak nadat Bel en Junin al weer op weg zijn naar China, ik mijn paspoort even ophaal op armetierig Ko San Road. Alsof ik deze metropool op mijn duimpje ken, ben ik ook zo per stadsbus weer terug in het luxe hotel, Pathumwan Princess, gelegen aan de andere kant van de stad. En luxe went snel.
Met de nodige tranen in mijn ogen vertrek ik uit het hotel op weg naar Hualamphon station om de trein naar Nong Khai, gelegen aan de Laotiaanse grens, te pakken. Bel en Junin staan deze keer niet onder het portret van de Thaise koning.
Time to travel on again.