Te goed van vertrouwen
Jodhpur – India, 2000
Het is 8 uur in de ochtend, plaatselijke tijd in Jodhpur: snikheet! Na een rotnacht van weinig slapen en een deken van hitte om me heen gebonden, heb ik totaal geen zin in hoteltouts, riksjagasten of tourmannetjes. Ik loop rechtstreeks naar het eerste het beste hotel dat ik zie. Ik heb niet meer nodig dan een douchemogelijkheid met buckets en het liefste een bed zonder sporen van ongedierte. Ook graag geen platgedrukte insecten tegen de muren aan. Ik bekijk een kamer en zie al snel dat deze goed genoeg is. “I come down later to sign the book, okay?”.
Na een paar uurtjes slapen en een paar flessen water achterover geslagen te hebben, besluit ik een wandeling door de Blue City, Jodhpur, te maken. Met het stadsfort dat boven me uit torent, baan ik mij een weg door de smalle straatjes vol lemen huisjes, waarvan sommige blauw geschilderd. Op goed gevoel loop ik op het fort af, wetende dat ik een paar meters zal moeten klimmen. De straatjes zigzaggen opdat ik de ene keer het fort links van zie, dan weer rechts. De hitte is immens. Het zweet heeft zich meester van mijn T-shirt gemaakt. Onderweg klampt een jongen zich aan mij, vast die het standaard vragenlijstje op me afvuurt. ‘Where are you? How old are you? Do you like India?’ Ik geef hem bijzonder korte antwoorden, daar ik mijn energie liever spaar totdat de volgende drinkstop is gevonden. Hij zit blijkbaar vol energie, want hij rent voor me uit en verdwijnt in een van de lemen huisje. Na een paar minuten, als ik dezelfde weg omhoog in de brandende hitte heb belopen, staat hij weer voor mijn neus. Hij merkt dat ik zeer moe ben en nodig vocht tot me moet nemen. ‘You want a cup of chai, sir?’ ‘The fort is closed until in the afternoon!’ Het laatste geloofde ik niet helemaal, maar een kopje chai om mijn lichaamsvocht aan te vullen, kan zeker geen kwaad. Zeker als ik een lief ogende moeder voor het huisje de matten zie kloppen en mij een glimlach van hier tot Tokio toewerpt.
Het zal wel goed zijn, is mijn conclusie en besluit met de jongen mee te gaan voor een kopje chai. Ik krijg nauwelijks de kans om het huisje in me op te nemen daar na enkele seconden de jongen me zijn totale munt- en papiergeldcollectie laat zien. Hier heb ik dus nu even geen zin en grijp naar mijn laatst overgebleven stuiver. Zijn ogen dwalen door alles wat ik tevoorschijn haal en hij vindt het briefje van vijfentwintig gulden wel erg interessant. ‘Ruilen voor 500 Rs?’ Het antwoord wat er op volgt is uiteraard nee en hij tovert een bankbiljet van 100 Yuan tevoorschijn. Deze wil hij heel graag ruilen voor Rupees van mijn kant. Mijn eerste gedachte was dat ik geen zin had om drie maanden voordat ik naar China afreis al met Chinese bankbiljetten rond te lopen.
Heel graag willen ruilen gaat op een gegeven moment over in half bedelen. Zijn ogen staan op huilen. Het wordt nu een beetje vervelend. De chai welke ik voorgeschoteld van zijn moeder, smaakt me plots niet zo heel erg lekker meer. Op het moment dat ik op wil staan, komt de vader des huizes binnen. Hij ziet mij, geeft me een hand en trekt zijn shirt uit opdat alleen nog zijn bezwete hemd zijn bovenlichaam bedekt. Hij zit nog maar net of zijn vrouw serveert hem een kopje chai en schenkt mij als waardige gastvrouw bij.
Ik begin een gesprek met deze man over wat allemaal ‘fout’ gaat in India. “Money means nothing to me”, zegt deze man zelfverzekerd. “I have a good job, good money and I hardly have to work for it”. Ik neem aan dat hij een bankemployee is of zo. “Lots of people in India work longer hours, until late in the evening, but they earn almost nothing”. “But I don’t understand it”, zegt hij. “It’s very hot now in Rajasthan, very hot. I am very lucky man, I have air conditioning in my house! Here it’s very cool. I invite people from the street to sleep in my house. I am lucky man, I want to help the not so lucky man”. De man praat nog een paar minuten door over zijn bijdrage aan de maatschappij. Hij blijkt een militair te zijn. Hij wordt nog betaald door de Britten. Nog drie jaar voordat hij met pensioen mag.
Het verschil tussen arm en rijk is te groot is het vervolg van mijn kant van het gesprek. Een klein gedeelte kan het zich veroorloven om te internetten, een Pepsi Cola te drinken of om in een relatief mooi huis te wonen. Dit terwijl het grootste gedeelte van de bevolking met nagenoeg lege handen aan het lot wordt overgelaten. Om alles erger te maken bestaat deze grote groep ‘armen’ ook nog eens uit grote gezinnen. “Veel monden te voeden, maar ook een grotere kans dat de ouders later verzorgd worden door hun kinderen die het overleefd hebben”, is de reactie van de man.
Nu de middag wat gevorderd is en het ook wat koeler zou moeten zijn, vervolg ik mijn klim naar het fort. Het is maar een klein stukje lopen, maar de weg ernaar toe loopt steil omhoog. Al gauw open ik waterfles nummer vier van de dag om het weggevloeide vocht aan te vullen.
In een toeristenwinkeltje zie ik een toeriste, die ik ook al eerder in de lobby van mijn hotel had gespot, in een heftig gesprek gewikkeld met de verkoper. We begroeten elkaar en de verkoper gebaart “please have a seat sir!”. Compleet van chai voorzien meng ik mij in het gesprek. Zij is een Britse kledingontwerpster, hier in Rajasthan om ideeën voor patronen op te doen. Plotseling draait hun gesprek om naar Gandhi. Zij (en ik eigenlijk ook) is in de veronderstelling dat Gandhi een soort van “Father of the nation” is, de held van India onder wiens vredelievende, passieve houding India van de Britten werd bevrijd. Deze man echter is een iets andere mening bedeeld. “Don’t speak good about him”. “He’s a traitor, a liar”. Ondertussen lijken er een soort van vuurballen van oprechte woede uit zijn ogen te komen. “Thanks to him, lots of poor people in India. Due to the partition, remember Banghla Desh, Punjab, Pakistan, Kashmir, many killings in India. Ghandi … not good man”.
Na nog een kopje chai en nadat de man al zijn woede van zich af heeft gepraat, vervolg ik mijn weg omhoog. Toegang voor het fort: 50 Rs. Camera: 50 Rs. Het fort van de binnenkant is niet zo heel denderend. De muren zijn in vergevorderd stadium van afbrokkeling. Maar de uitzichten vanaf de top van het fort zijn magistraal. Nu pas wordt duidelijk hoe ‘blauw’ de stad Jodhpur is. Ik zie ook hoe dicht deze stad eigenlijk tegen de dorre Thar woestijn aan ligt.
Een groepje werkloze guides bij de ingang gebaren of ik bij hen kom zitten. Gewoon praten, zeggen ze tegen me. Ze willen wat Engels bij leren. Ik vind vandaag in deze hitte alles best, als ik maar niet te veel in de zon hoef te zitten. We praten een kwartiertje of zo onder het genot van wederom vele kopjes chai. Ik heb het fort nog geen 5 minuten verlaten of een man roept tegen mij: “Look my house sir”. Op deze dag van volledige overgave aan de lokale bevolking, kan nog een huisbezoek er wel bij. Ik hoop dat ook deze man air-conditioning heeft, de hitte wil namelijk nog niet echt de stad verlaten.
Alle buren staan plotseling voor het tuinhek en word ik vol trots gepresenteerd als zijn ‘friend from Holland’, met uiteraard al weer een kopje chai in mijn handen. Deze man is een Brahmin, een afgeleide van het Hindi-geloof, maar met behoorlijk wat regels. Mensen die het Brahmin-geloof volgen, onthouden zich van alle geneugten des levens. Geen drank, geen sigaretten, geen coke, etc. “Geen sex?”, vraag ik hem. Hij lacht en schudt zijn hoofd. Deze groep mensen, de Bramin, geniet een hoog aanzien in India. Onder Hindus ziet hij zichzelf geplaatst in de hoogste kaste.
Na iets van een half uurtje loop ik weer verder terug bergafwaarts, op weg naar mijn hotel. Ik meen dezelfde weg terug gelopen te hebben, maar kom toch ergens totaal anders uit, nl. bij de clock tower: oftewel aan de andere kant van het centrum. Ik bevind me dan op een hectische markt. “He sir! Excuse me! Hello!”. Pff, nu wil ik wel rust. “You want to go swimming?”, vraagt een of andere jochie aan me. “Very tempting boy, maybe tomorrow”. Het jochie ziet er meer uit als een zwerver, dus echt vertrouwen op zijn woord om te gaan zwemmen in een nabijgelegen meer, doe ik niet. Nu wil ik toch echt terug naar mijn hotel. Aan omstanders vraag ik de weg naar het treinstation. Juist het treinstation, want niet iedereen hoeft te weten waar ik slaap. Vanaf het station zou ik toch echt de weg terug moeten kunnen vinden, het ligt er namelijk schuin tegenover. Maar in deze zingende hitte ben ik ook niet helemaal scherp meer.
Eenmaal voor mijn hotel gearriveerd spreekt een wat oudere man, met een beetje hippie ogen, of ik een kopje thee wil drinken. ‘Just here, sir’. Hmm, zo vlak bij mijn hotel. Kan weinig mis mee zijn. Ik heb eigenlijk wel ongelooflijk zin om even te gaan liggen op mijn half doorzakte bed, maar ik laat me toch overtuigen om een kopje thee te gaan drinken. Wel nadat ik me heel even heb teruggetrokken in mijn hotelkamer voor een korte opfrisbeurt.
Een klein uurtje later zitten we aan de chai. De man spreekt bijzonder goed Engels, heeft half lang haar, meer grijs dan zwart, met een golvende scheiding in het midden en een baardje van twee dagen. Na een paar minuten praten, weet ik inmiddels dat hij uit Goa komt, Nirkinda heet en inderdaad liever in de zeventiger jaren had willen leven, getuige zijn woordengebruik. “Oh yeah”. “Right on”. “Shit man”.Veel meer kwam er niet uit de mond van deze half verdwaalde hippie. Hij is zelf ook aan het reizen door eigen land. Volgens eigen zeggen al heel lang, maar even later blijkt uit het gesprek dat hij iets meer twee maanden onderweg is. Een deel van de reis zou hij met een Nederlander per motor hebben afgelegd. Hij noemde hem Kreis, een leuke contaminatie van Chris en Gijs. Eén chai worden er uiteindelijk vijf. De WC lonkt. ‘Have a beer tonight?’, vraagt ie nadat ik wat rupees voor de chai heb neergelegd. Sure! Then you can also meet Kreis, he is also coming tonight”.
Ik ren zowat naar mijn hotel terug om de inhoud van mijn blaas te legen. Even een moment van rust op mijn hotelkamer met een muziekje erbij, een hapje langs de weg en op weg naar de plek waar ik Nirkinda weer zou ontmoeten. Een minuut na aankomst komt hij met twee geopende halve liter flessen Kingfisher het terrasje opgelopen, alsmede met een fles water. Een reeds geopende fles water. In India moet je altijd uitkijken met water of deze wel ‘vers’ is en of het niet gewoon een met Indiaas kraanwater hervulde fles is. Hmmm, als het niet goed is, merk ik het morgen wel… Kreis was er niet. “He is selling his bike, he needs money to travel”. Na een paar slokken gerstenat, komen bij Nirkinda de grootste verhalen naar buiten. Sex, drugs, parties in Goa, Bangkok, etc. “Shall we take another beer?” Hmm, ik had maar 100Rs meegenomen, dus ik zeg dat er eentje kunnen delen. “Ok, if you order, I go pee, you know…”.
Hij blijft zeker 20, 25 minuten weg. Twee ogenschijnlijk welgestelde Indiase mannen delen mijn vermoeden dat hij niet terugkomt naar mij. Ik verzin vast hoe ik de bareigenaar moet vertellen dat ik nog wat extra cash uit mijn hotelkamer moet halen, omdat ik niet genoeg geld heb meegenomen. Maar, wonder boven wonder, hij komt terug. Na nog een paar woorden, besluit ik terug te gaan naar hotel. Ik ben moe, mijn ogen vallen continu dicht. Afrekentijd dus. “How much have you got?”. 100 Rupees. “Oh shit man” wordt al gauw “ok no problem”. Met mijn 100 Rs gaat ie naar de barman hangt er een minutenlang verhaal op en komt er nog mee weg ook. “I have a bill here, you know”.
“Wanna go to the mountains tomorrow. Kreis is also going to be here tomorrow. Then we have two motorbikes, so we don’t have to take the bus”. “Some nice plants grow there, man!”
Ding dong! Wilde Kreis niet toevallig zijn motorfiets niet verkopen vandaag. Zo ja, met zijn drieën op een motorfiets wordt wel erg krap. Bestaat Kreis wel? “Okay, let’s meet here tomorrow at noon?” “I see tomorrow what I wanna do, okay?”. Echter, ik weet nu al dat ik morgen hoogstwaarschijnlijk iets willekeurigs anders ga doen. Eenmaal terug in mijn hotel ben ik werkelijk totaal niet lekker. Alles draait, ik krijg het ijskoud, terwijl het ook ’s avonds minimaal 40 graden Celsius is. Slapen en gauw! Ik check of de deur goed op slot zit, haal vast wat extra WC-papier uit mijn backpack. Check mijn watervoorraad. Anderhalve liter. Het moet genoeg zijn. Het is acht uur of zo, maar het enige waar ik nu aan wil denken is slapen!
Is het het water van gisteren, een van de vele kopjes thee bij de gezinnen, een van de chais met Nirkinda, of het van te voren geopende biertje van Nirkinda? Het maakt me een beetje boel paranoïde. Tien seconden na een vijfde bezoek aan de toilet, slaap ik.
De volgende ochtend, of beter gezegd middag, word ik om 2 uur wakker. Oftewel, achttien uur aan een steek door geslapen. 18 uur! Slaapmiddel in de thee? Het moet haast wel. Ik voel me kut, ik voel me beroerd, ik voel me slap, ik heb honger en toch ook weer totaal niet. Dorst, ja altijd. Met veel moeite een kopje tomatensoep naar binnen geslobberd en twee bananen gegeten. Toch besluit ik wat later die middag naar buiten te gaan. Waarom weet ik eigenlijk niet meer. Zo veel rillingen gaan door mijn lijf. Zodra ik pas zet in de richting van het meeting point, honderd meter van m’n hotel gelegen, hoor ik plotseling iemand mijn naam uitschreeuwen. Ik draai me om en zie dat in de verte Nirkinda aan komt rennen.
Even later komt de hoteleigenaar op zijn scooter naast me rijden en begint tegen me te praten. Ik voel me zo klote dat ik hem niet eens herken en wuif hem als zijnde ‘just another’ Indiase man, die iets van me wil. Paranoia alom. De hoteleigenaar heeft nog een paar momenten voordat Nirkinda zich bij ons voegt. De hotelman etaleert zijn mening over Nirkinda ettelijke keren. “Are you meeting the small man with the bandage around his wrist? I don’t trust this man. I don’t trust him at all”. Het verband om zijn pols heeft hij, volgens eigen zeggen, te danken aan een niet oplettende riskja driver, die hem ‘raakte’.
Ik voel me dusdanig K. dat ik verder totaal geen aandacht aan de hoteleigenaar besteed. Nirkinda staat voor mijn neus en moet me hebben zien rillen, zweten, etc. Ik benadruk het maar door te zeggen dat ik me zwaar klote voel en zo weer onder mijn dekbedhoes duik, na nog wat liters water met verzegeling te hebben ingeslagen. “Let’s have some chai man, or a beer”. “You will feel better afterwards!” WAT? Nee man, ik ga zo weer slapen waar is die ‘imaginary’ Kreis eigenlijk? “He’s having lunch in his hotel, he’ll be here in the evening! But we can go together to the lake. But first a beer?”
“Are you crazy, I am sick man! Who is this Kreis figure anyway?” Ik draai me om, terug in de richting van mijn hotel. Boos. Laaiend. Deze man heeft me gewoon bedonderd. Kreis heeft nooit bestaan. Hij komt me achterna gerend, trekt wat aan mijn mouw. Ik trek mijn arm in en duik mijn hotelletje weer in. Ik bedank mijn hoteleigenaar alsnog voor zijn zorgzaamheid. Ik ga naar mijn kamer, doe de deur op slot en knal mijn zware backpack voor de deur. Jeetje, wat voel ik me bedonderd. Een groot bende van leugens en de reden van alles zal ik uiteindelijk nooit te weten komen, want het was de laatste keer dat ik die Nirkinda heb gezien.
De slaap kan ik helaas niet vatten daar mijn buik nu echt alles er uit wil gooien. Plus, continu scheren er straaljagers over en gaan er sirenes af. Ik begrijp er helemaal niks van. Ligt Jodhpur onder vuur? Pakistaanse invasie? Later blijkt dat hier op heel regelmatige basis de sirenes worden gecontroleerd, gezien het feit dat Jodhpur, met net iets minder dan 1.000.000 inwoners, de laatste grote stad van India is voordat Pakistan begint.