Mud miles in Noord-Laos

Mud miles in Noord-Laos

Roadtrip naar The Plain of Jars, Laos 2000

Een trip van Nong Khiaw naar Phonsovan is in principe makkelijk in een uurtje of drie, vier te doen. Ware het niet dat het dorpjes in Laos zijn, daar waar de infrastructuur tot de minst ver ontwikkelde van Zuid-Oost Azie gerekend mag worden. Verder speelt het openbaar vervoer in op de behoefte van de lokale bevolking en niet op die van de toeristen. Daar de lokale bevolking veelal alleen naar de dichtstbijzijnde dorpjes af reist om te ‘handelen’, zal mijn tocht naar Phonsovan eentje van vier etappes worden. Eerst naar Vieng Kham, door naar Vieng Thong en via Nam Noen door naar Phonsovan.

Op een stoffig terreintje staan vier songthaews klaar voor vertrek. Uitzoeken welke voertuig naar Vieng Kham zal rijden is een kwestie vragen en je gewoon van het kastje naar de muur laten sturen. Nog geen tien minuten nadat ik mij een plaatsje heb toegeeigend, zit het voertuig bom- en bomvol. Niet eens met passagiers, maar met de enorme hoeveelheid bagage welke de lokale bevolking meeneemt. Het is ook logisch, als je weet dat driekwart van de bagage feitelijk marktwaar is en men tracht het in Vieng Kham te verkopen opdat er weer sticky rice vanavond geserveerd kan worden aan het waarschijnlijke zeer grote voltallige gezin.

Ik krijg op deze trip gezelschap van een Amerikaanse moeder en dochter, welke samen gedurende twee jaar op reis zijn. Fiji, Papua Nieuw Guinea, Australie, Nieuw-Zeeland, Vietnam hebben ze reeds achter de rug. Na Laos volgen nog India, Nepal en Afrika en hopelijk ook nog Zuid-Amerika. Als ze niet reizen, hebben ze hun domicilie in Colorado, USA. Maar een groot gedeelte van hun leven, zo’n twaalf jaar, hebben ze op boten gewerkt, in allerlei soorten functies. Voor de dochter, Debbie, is het al de tweede grote reis. Voor de moeder, Susan, is het de eerste keer. Ik hoop dat als ik die leeftijd heb bereikt, het nog ‘kan’.

Eenmaal goed op weg valt het me op dat de weg redelijk goed is, op enorme potholes en diverse landslides na. Plotseling hoor ik een enorme knal, eentje die ik niet snel zal vergeten met dank aan het enorme volume. Het blijkt een mijn te zijn, aldus een Engels sprekende Laotiaan. Ze zijn nog steeds mijnen uit de Vietnam oorlog aan het ‘wegwerken’. Dertig jaar na dato. Jakkes, de songthaew chaffeur zou er maar tegen eentje aan rijden. Amerikaanse B-52’s, welke in de Vietnam oorlog het doel hadden bommen te droppen op de Ho Chi Minh trail, konden niet met ‘overgebleven’ bommen terugkeren. Dit gedeelte van Laos maakte destijds nog deel uit van het ‘grote Vietnamese rijk’ en was zodoende zwaar betrokken in deze oorlog van feitelijk de buurman. En zwaar is een understatement want er is voor maar liefst 1,1 miljoen ton aan bommen neergedaald op het Laotiaanse land. Nergens ter wereld zijn er zo veel bommen per hoofd van de bevolking gedropt als hier in Laos. Of anders gezegd: hier zijn meer bommen gedropt dan in de Tweede Wereldoorlog boven Duitsland en Japan tesamen!

De locals kijken niet meer op van de knallen. Zelfs de kinderen niet. De bommen, ook wel UXO’s – unexploded ordnances genoemd, worden na eenmaal gevonden te zijn handmatig afgevuurd. Het komt helaas wel nog regelmatig voor dat spelende kinderen niet weten wat ze wel en niet mogen doen met onontplofte bommen. Ik heb geen idee wat de Amerikanen er allemaal aan doen om het land op te ruimen, maar het zal ongetwijfeld nooit genoeg zijn.

Een aantal interessante links:
http://www.wereldreis.tv/countries/laos.htm#oorlog
http://nl.wikipedia.org/wiki/Laos
http://www.usatoday.com/news/world/2003-12-11-laos-bombs_x.htm
http://www.itvs.org/bombies/resources.html
http://www.uxolao.org/
http://www.stayanotherday.org/project/UXO_Laos/introduction
http://www.aiipowmia.com/inter1/in081800lao.html

Na een uurtje of zo zie ik een grote groep, veelal kinderen, langs de weg staan. Het blijken ramptoeristen te zijn. Een songthaew, eentje van het kaliber waarin ik me nu begeef, ligt ‘vers’ in een ravijn van enkele tientallen meters diep. De rookpluimen hangen er nog rond. Gruwel, je zal er maar in gezeten hebben.

Na in totaal twee uur gereden te hebben, rijden we Vieng Kham binnen, een stoffig stadje van enkel houten huizen a la het Wilde Westen. Voor 22.000 kip mag ik mee naar Vieng Thong in een reeds klaar voor vertrek staande songthaew. Ik zie dat de lokale bevolking slechts 6.000 kip overhandigd aan de songthaew chauffeur. Tsja, het is het enige transport van A naar B in deze uithoek van het land en we hebben het nog steeds over mini-bedragjes, ca. 3 guldentjes. Na vijf minuutjes dien ik echter over te stappen in een pick-up van, zonder extra kosten overigens. Samen met de twee Amerikaanse dames nestelen we ons in de achterbak, nu maar hopen dat het niet gaat regenen. Tegenover over me zit een mannetje die niet zo heel fijn, vriendelijk en gezellig uit zijn ogen kijkt. Zijn duimnagel heeft ongeveer drie keer de lengte van het nagelbed en is keurig ‘geslepen’, waardoor hij zijn duim als een soort van keeldoorsnijd-wapen kan gebruiken. Gelukkig biedt hij ook snel een fles Lao whiskey aan ons aan, waardoor de sfeer snel gemoedelijk wordt. Bottom’s up!

Bij ieder dorpje worden we hartelijk begroet en toegezwaaid. Sommige dorpjes bestaan uit niet meer dan 2 of 3 Oma Duck look-a-like boerderijen, waar het een grote beestenboel is met kippen, schapen, eenden, kalkoenen en koeien. Gedurende de tocht is het een komen en gaan van nieuwe passagiers, met veel bagage en soms zelfs met motor en al ons in de achterbak vergezellen. Gezellig drukte dus achterin de pick-up van. Soms heb ik ook even de ruimte om even lekker languit te liggen met een baal rijst als rugkussentje. Life’s is great! Af en toe rijden we door de wolken, ergens op een bergweggetje. Meteen daalt de temperatuur dan zodanig, dat ik zwaar twijfel om al dan niet mijn trui uit mijn rugzak vandaan te toveren. Als we weer dalen rijden we door een gebied vol van groene heuvelruggen, gekleurd in diverse teinten groen met dank aan de werking van zon en wolken. Het valt me gedurende deze trip door feitelijk een zeer armoedig gedeelte van Laos op, dat niemand echt hongerig lijkt. Ik zie nergens mensen bedelen als de truck een stop maakt, nergens zijn uitgemergelde mensen annex zeer dunne mensen te bespeuren. En dat geldt eigenlijk voor heel Laos. Ook niet in de grote stad Vientiane, nog niet eens zo groot als Haarlem maar toch de hoofdstad van dit armste land in de regio. Maar arm blijkt dus relatief te zijn. Niemand hoeft te bedelen, omdat het land de bevolking alles biedt wat ze maar nodig heeft. Niemand heeft honger. Iedereen lijkt te handelen op basis van ruil. Een banaan voor een muesli bar, een kokosnoot voor een opiumpijpje. Is dit dan wat je noemt de werking van het communisme? Geen idee!

Na in totaal 3,5 uur na vertrek uit Vieng Kham rijdt de pickup van Vieng Thong binnen. Hier zal ik de reis opbreken en wellicht morgen al doorreizen naar Phonsovan. Dit dorpje is net als Vieng Kham een stoffig stadje met voor het merendeel houten bouwvallen als onderkomen voor de lokale bevolkingen. En ja, ook hier zijn al guest houses. Wel zo slim, wetende dat er op dit tijdsstip geen songhtaew meer Vieng Thong in of uit rijdt. Het eerste het beste guest house wat ik zie, wordt mijn thuisbasis. Voor de deur zijn wat kinderen aan het badmintonnen, de jongste spelen het alom bekende ‘jeu de slipper’. De honden huilen vanuit de omringende heuvels. Als dat maar goed komt in dit dorpje, waarover in de Lonely Planet verder niks staat opgenomen. Dus laat ik de eerste zijn die dit dorpje in kaart brengt, waar er volgens de guest house eigenaar enkel stroom is middels generatoren tussen 18.30 en 19.00 uur. Mmmm, dat wordt een koude douche. What’s new!

Vlak na aankomst begint het overigens hard te plenzen, Vieng Thong verandert in een grote modderbedoeling. Ik ben blij dat ik hier mijn reis naar Phonsovan moet onderbreken, anders was ik namelijk flink nat geworden in de open laadbak van de pickup truck. En het is toch haast dinnertime, dus tijd om de overdekte markt te gaan verkennen. ‘I like it hot & spicy’, zeg ik tegen een dame welke noodle soep verkoopt, niet wetende of ze me uberhaupt wel kan verstaan. Ik krijg de lachers op mijn hand, als ik de heetste noodle soep ooit geserveerd, naar binnen tracht te werken. Als ik een cartoon figuur was geweest, zou mijn hoofd tomaatrood hebben gekleurd en zou er stoom uit mond, oren en neusgaten komen. Als ik eenmaal bij ben gekomen van dit ‘hitte geweld’, vangt mijn neus een heerlijke geur op. Uiteraard volg ik mijn neus in zo’n situatie en kom uit bij een iet wat dikkige man met ontbloot bovenlijf welke ‘stokjes vlees’ boven een geimproveerd barbequetje verkoopt. Als ik het vlees nader inspecteer, blijkt het well-done vleermuis te zijn, compleet met vleugels en snuit. Voor nu zeg ik even ‘no thanks’, met het oog op mijn niet al te sterke gestel van de laatste paar dagen, en loop al fladderend naar een kraampje even verderop, al waar de ‘veilige’ mueslirepen uitkomst bieden. Even verderop hoor ik ‘Boom boom boom’ oftewel de Vengaboys, Neerlands beste export product ooit. Ik schaam me er echter rot voor. Als ik bij de bron ben aanbeland, een of ander mini restaurantje in de overdekte markt, doe ik alsof ik aan het huilen ben. ‘Are you sad?’, vraagt de ‘kok’. “Yes, when I hear the Vengaboys, I am very sad!’. Ik drink een Lao beer of twee bij hem om een beetje vrolijker te worden, terwijl de kok voor zichzelf een half glas Lao Lao inschenkt, oftewel een zelf gestookt 40%+ alcoholische versnapering. Daarvan kan hij zeker ‘happy’ worden. Ondertussen maakt hij een zgn. suprise menu voor me klaar, bij gebrek aan een menu. Oftewel, ook een surpriseprijs. 10.000 kip voor een vol bord noodle met waterbuffalo. Lijkt veel, maar is feitelijk minder dan een guldentje.

Als ik terugloop naar mijn guest house is het reeds donker. De enige verlichting welke er op straat te zien is, zijn de lichtbundels van drie voorbereide toeristen. Nu wordt het zeker geen warme douche meer. Bij een ander marktkraampje, fladderen nog lekkere luchtjes door de lucht. Toch nog maar even vleermuis proberen. ‘Bat, bat?’, vraag ik aan de verkoper, welke vervolgens zijn schouders ophaalt. Oke, Engels begrijpt hij niet en het woord ‘Bat’ staat helaas niet in het phraseboekje. ‘Skrie, skrie’ gepaard gaande met fladderende armen, wekt alleen maar de lachlust op. Dus nog maar een stokje waterbuffalo om de laatste beetjes trek te doen verdwijnen.

Die nacht slaap ik slecht in de tochtige kamer. Overal zitten kieren in de muren, vloeren en deuren, allen gebouwd van wat houten latjes. Ik hoor, zo meen ik, overal muizen en/of ratten lopen. Als ik vervolgens met mijn zaklamp een blik werp op mijn voorraadje mueslirepen, blijkt de helft reeds opgevroten te zijn. Het heeft geen zin om te analyseren waar die krengen van beesten vandaan komen, want mijn kamer is simpelweg een groten gatenkaas. Een beetje paranoia geworden (met dank aan lariam?), neem ik mijn daypack mee in mijn bed onder de klamboe. Ik wil dat ze in ieder geval niet aan mijn geld, traveller cheques of paspoort gaan knagen. Ik laat een theelichtje branden op een geimproveerd nachtkastje bestaan uit mijn rechtopstaande backpack met een paar houten latjes er boven op, in de hoop dat dat de ellendige knaagbeestjes afschrikt. Ik hoor ze op een gegeven moment niet meer door mijn kamer trippelen, waarschijnlijk doordat ik de mueslirepen uit het raam het gegooid. De volgende ochtend blijkt dat de beestjes toch nog wel erg hongerig waren, want ik bemerk een aantal beten… In mijn knie… Ontsmetten met zeep, desinfectiespul en wat whiskey en hopen dat het geen infectie compleet met honds- annex ratsdolheid oplevert.

De volgende ochtend is het al vroeg opstaan geblazen om de songthaew voor etappe drie naar Nam Noen niet te missen. Etappe vier kan spoedig daarop, nog voor het middaguur, worden gestart. Als ik het juiste voertuig heb ontdekt, heb ik deze nog haast helemaal voor mezelf. Maar zodra de songthaew koers zet naar de echte vertrekplaats, volgt er al spoedig een ware stormloop op de stoelen. Charge! Op mijn voeten worden een aantal nog levende kippen gelegd, welke met snavel aan de voeten zijn vastgebonden. In welke buik zullen die vanavond verdwijnen? Overal passeren we army trucks. Het is mij een raadsel wat die hier doen, maar ik weet wel dat de militairen, welke erin zitten, niet erg lief kijken. De weg naar Phonsovan is de slechtste ooit bereden door mij in Laos. Overal modder, veroorzaakt door de overvloedige regen van de afgelopen dagen. Overal gaten in de weg, waar kleine Fiat-jes 500 in kunnen verdwijnen. Landslides maken de dienst uit op de weg. Ook blokkeert een rockslide van ca. 200 meter de weg. De chauffeur is vol van zichzelf en probeert er een weg over te heen manouvreren. Zonder succes, want al snel zitten we vast tussen de rotsen en modder. De chauffeur gebaart dat iedereen uit moet stappen, waarna de driver vol gas geeft in de hoop dat het voertuig los schiet. Het voertuig blaast vervolgens enorm veel gitzwarte rook uit, welke de modder een gekleurd laagje geeft. ‘No problem’ zegt de chauffeur. Hmmm… Na wat duwwerk van alle passagiers, geraken we toch nog uit de modderbende. Mijn broekpijpen zijn in ieder geval nog nooit zo smerig geweest. De tocht schiet dus niet echt lekker op. zeker niet als we op een goed gedeelte van de weg ongeveer vijf kilometer in twaalf minuten afleggen. Dit wordt mede veroorzaakt doordat er continu mensen in- en uitstappen. ‘Papai’, roep ik na iedere stop, hetgeen zo veel als ‘gogogo’ betekent. Vlak voor het avonduur arriveren we in Phonsovan. Het eerste het beste guest house is wederom voldoende na deze lange dag van reizen. Ik spoel mijn schoenen even af onder de koude douche, om de ergste modder er af te krijgen. Maar na een korte wandeling door het stadje, kan ik weer van voren af aan beginnen. Phonsovan is namelijk een grote modderblubberbende. Overal modderpoeltjes, waarvan een aantal een gigantisch gat in de weg verbloemen. Een van mijn benen verdwijnt dan ook regelmatig in een van de bedekte potholes in de weg. En dit is toch een van de grotere plaatsen van Laos.

De volgende dag is het regen, regen en nog eens regen. Geen goede dag dus om de attractie te bezoeken waarvoor ik deze hele omweg heb gemaakt. The Plain of the Jars. Morgen misschien? Wel ga ik naar de lokale airport om een ticket naar Vientiane te bemachtigen. Aangezien ik geen zin heb om het gehele stuk te backtracken en de weg van Phonsovan naar Vientiane door guerilla territory gaat, is dat mijn beste optie. De weg is overigens tot op de dag vandaag verboden terrein voor toeristen. Nu snap ik in ieder geval ook de aanwezigheid van de militairen op de weg naar de wereldstad Phonsovan, welke compleet onder de modder ligt. De markt is een grote modderbedoeling. De gaten in de weg voor de deur van het guest house zorgt er voor dat menig auto vast komt te zitten. Aangezien ik vandaag naast het boeken van een enkeltje Vientiane a $44 weinig meer te doen te heb dan een beetje relaxen, lezen, een Beerlao drinken en een paar gesprekken met verwende Israeliers en Nederlanse gabbertjes aan te gaan, duw ik samen met andere mensen een aantal van de vastgelopen voertuigen uit de modder. Sommige passagiers van de voertuigen hebben overigens moeite met te begrijpen dat het makkelijker is om een voertuig uit de poel te duwen als ze eerst de auto verlaten. Tsja, het regent he.

De vader van het gabberzoontje heeft jarenlang voor Akzo Nobel gewerkt in onder meer Maleisie, Brunei en ook China. Hij vertelt over het China van toen, 27 jaar geleden. Hoe de lokale bevolking hem toen meed, omdat hij als Westerling niet goed genoeg was. Alleen China is goed, Mao’s China wel te verstaan. Of was men bang dat politieagenten de lokale bevolking zag praten met toeristen annex Westerlingen over zogenaamde staatsgeheimen.

In de namiddag filosofeer ik onder het genut van halve liter Beerlao met een Australier over de geschiedenis van de enorme kruiken, welke de Plain of the Jars zijn naam hebben gegeven. Waren ze bedoeld voor voedselopslag, of om zelf gestookte Lao Lao in op te slaan? Dienden ze als graven of waren het schaakstukken voor reuzen? Geen idee.

Die nacht heb ik weer eens een onverklaarbare Lariamdroom. Ik zie mezelf terug in de klas bij Meneer Geurtsen, mijn leraar in de 5e en 6e klas van de lagere school, de Vondelschool te Aerdenhout. Hij klapt de wereldkaart uit, normaliter opgerold rondom een lang stuk hout. Alleen dit is niet zo maar een wereldkaart, maar een wereldkaart hoe de wereld eruit ziet over X jaar. Alleen Noord-, Midden- en Zuid-Amerika zijn overgebleven. De overige continenten zijn verzwolgen onder het stijgende waterpeil. Twee landen in Noord- en Zuid-Amerika zouden de macht hebben, wie zijn het? Ik herinner me ook vaag dat ie iets zei in de trant van: ”Wie blijven het proberen?”. Doelend op de dijken continu te verhogen om het water tegen te houden? Canada zou de VS hebben opgekocht uit nood aan vers in plaas van zout zeewater, iets waar Canada geen gebrek heeft. Colombia heeft de macht in het zuiden met dank aan de dan nog steeds operende drugsbendes. Alleen raar dat ook de Himalayas zijn verdwenen. En om de droom nog wat realistisch mee te geven zag ik Meneer Geurtsen ook weer huilen boven de cassetterecorder, als hij de muziek kwijt is bij een van de laatste liedjes van de musical ‘Het spoor van Bijster’. Heftige droom in ieder geval.

De volgende dag begint als de vijf of zes voorgaande dagen, met een flinke plensbui. De rondscheurende tuktuk’s hebben het er maar moeilijk mee en het duurt dan ook niet lang of de eerste tuktuk komt vast te zitten in een van de verborgen potholes. Gelukkig is een tuktuk er makkelijk uit te duwen. De driver en de passagiers stappen na ‘bevrijd’ te zijn al snel uit en lopen met naar elkaar toegevouwen handen op me af en vullen dit aan met het mooiste Laotiaanse woordje van allemaal: ‘Kapjai’. Sure, no problem. Tuktuk nummer 2 zit al snel daarop ook vast. Ik gebaar naar een wachtende tuktuk (3) driver om even een handje te komen helpen. Deze derde tuktuk driver leert echter niet van zijn voorganger en rijdt over exact hetzelfde stukje van de modderweg. U raadt het al. Ook deze komt vast te zitten. De daaropvolgende truck mag de ANWB bellen. Eerst maar es even ontbijten. Overigens verloopt het ‘gaten-in-de-weg-opvul-proces’ niet echt efficient. Twee mensen scheppen zand in een zak, twee andere mensen legen de zak zand in een ondergelopen gat in de weg en 8 andere mensen kijken met de handen in de zij toe of alles wel ‘goed’ verloopt. Hmm, hoe houd je mensen aan het werk? De guide welke me naar de Plain of Jars zal brengen is er niet op de afgesproken tijd. Boeien. Ben op reis. Kan mij de tijd schelen.

Ondertussen ga ik ook met Debbie eens rustig kansloos filosoferen over zijn geen botten in de kruiken gevonden, maar wel er rondom heen. De Laotianen zijn fervente genieters van Lao Lao. Begraafplaatsen kennen ze niet echt. Lijkverbrandingen is meer iets voor India. Oftewel onze conclusie: men stopt de lijken in de kruiken, men vult vervolgens de kruik volledig met Lao Lao, opdat de lijken er uit drijven. De Lao Lao krijgt ook zo nog eens een apart smaakje. En de eventuele menselijke resten worden door de 40% alcohol wel ‘weggewerkt’.

Als ik kijk waar de grote goed betaalde archeologen tot dusverre op gekomen zijn zit ik er nog niet eens ver naast, zeker met het oog op de eerder ‘bedachte’ schaakstukken voor reuzen…
“Archaeologists believe that the jars were used 1,500–2,000 years ago, by an ancient Mon-Khmer race whose culture is now totally unknown. Most of the excavated material has been dated to around 500 BC–800 AD. Anthropologists and archeologists have theorized that the jars may have been used as funeral urns or perhaps storage for food. Lao stories and legends claim that there was a race of giants who once inhabited the area. Local legend tells of an ancient king called Khun Cheung, who fought a long, victorious battle against his enemy. He supposedly created the jars to brew and store huge amounts of lao lao rice wine to celebrate his victory.
Bron: Wikipedia

Mijn feitelijke bezoek aan de Jars brengt me bij site 1 t/m 4, welke ik in omgekeerde volgorde bezoek. De laatste twee sites vragen met name wat loopvermogen om ze te bereiken, daar het pad erheen me over slippery modderachtige ricepaddies voert. Op deze site tref ik met name relatief kleine kruiken aan, welke gezien de gaten welke erin zijn geslagen wel wat weg hebben van volgelopen WC’s. Ook is er een kruik welke goed gevuld is met veel Buddha beeldjes. De persoon welke de Buddha offert, ontvangt hiermee ‘Chokdee’, hetgeen in de letterlijke zin ‘To Life’ betekent. In de volkstaal wordt het doorgaan gebruikt om te proosten met Lao Lao. Aanraken of zelfs oppakken van de beeldjes is uiteraard ten strengste verboden. De gids kan echter niet boos worden op Debbie welke er per ongeluk wel eentje oppakt. Boos worden ligt ook op de een of andere manier niet in de aard van het Laotiaanse beestje, zelfs niet als iemands Buddha beeldje zich heeft ontdaan van de reinheid en dus per heden ongeluk zal brengen.

Site 2 is de mooiste van allen. Enorme kruiken staan opgesteld op een uitgestrekte heuvelachtige vlakte. Ricepaddies welke er overal om heen zijn aangelegd en de puntige bergketens, maken het typische Laotiaanse beeld compleet. Wel is deze site moeilijk bereikbaar door de moddertrail welke eerst afgelopen dient te worden. Overal glijd ik weg in de modder en ga dan ook tig keer op mijn plaat. Ik tracht de modder een keer met behulp van wat graspollen van mijn bergschoenen te poetsen, maar het is toch dweilen met de kraan open want vijf minuten later zitten deze toch weer onder de modder.

Site 1 zal ik me voornamelijk herinneren als de bommensite. Overal zijn gigantische kraters gecreerd door de gedropte bommen door het Amerikaanse leger. Deze site ligt op een steenworp afstand van Vietnam en dus ook de Ho Chi Minh trail. Maar het is alsof de Goden met de kruiken zijn, want er zijn er nog heel veel in tact. Of andersom, de getroffen kruiken zijn netjes opgeruimd. In Phonsovan rijden overigens vele oude Russische legertrucks rond, waarschijnlijk een communistisch vriendengebaar, welke bereden worden door Laotiaanse militairen welke zich volledig bezig houden met het opruimen van UXO’s. “The war is over, not quite yet”. Deze militairen zouden overigens op de loonlijst bij de Amerikaanse overheid staan als soort van goedmakertje. Maar getuige het feit dat nog lang niet alles is opgeruimd, want wekelijks ontploffen er nog bommen, gaat het niet erg snel allemaal. Naast mijn guest house liggen ‘voor de sier’ overigens een aantal bommen, hopelijk zijn deze wel gewoon ontmanteld…

De volgende dag vlieg ik terug naar de grote stad Vientiane. Vliegveld ahum, een weilandje met een korte landingsbaan met ricepaddies aan weerszijden. De toegangsweg verraadt ook niet echt dat deze leidt naar een vliegveld. Mijn ticket zegt dat ik bij gate 36 moet zijn. Gate 36? Er is maar één gate. De paspoortcontrole is gedenkenswaardig. Mijn naam, sofi- en paspoortnummer worden opgeschreven in een soort van kasboekje. Bagagecheck? Doen ze niet aan. Wel lekker slim, als je je bedenkt dat er vier weken geleden nog een bom op Wattay International Airport is gevonden. De bagage wordt overigens per tuk tuk naar het vliegtuig, een groot uitgevallen zweefvliegtuigje, vervoerd.

In de ‘vertrekhal’ zie ik een groep militairen vergezeld door vrouw en kinderen zich aardig lamlendig zuipen, want er staan letterlijk 20 halve liter flessen Beerlao op tafel en de vrouwen drinken niet. Hmmm, gaan de mannen op UXO-jacht en nemen op deze manier voor de zekerheid met een geforceerde glimlach afscheid van hun gezin, voor het geval dat … ?

Eenmaal airborn zie ik pas echt goed hoeveel bommen hier gevallen zijn. Overal zie ik enorme gaten in het land, waarna de jungle het beeld overneemt terwijl de wolken onverminderd ingeklemd liggen tussen de puntige heuvelruggen. 35 minuten later arriveer ik in Vientiane, een tocht welke overland me normaal minimaal vier dagen had gekost. Na nog een dagje rond gehangen te hebben in de hoofdstad, met een onvermijdelijke laatste Beerlao langs de oevers van de Mekong, is het tijd geworden om Laos te verlaten en me een weg te banen in de richting van Chang Mai via Nong Khai en Udon Thani, daar waar Annelies op me wacht.

Wat een verschil met Laos! Er is weer koude Coca-Cola. Er zijn weer airconbussen! De wegen zijn weer goed. Er is weer verkeer en luchtvervuiling. Mensen willen weer alles van je weten en alles aan je verkopen. Ik wil nu al weer terug naar Laos!

Plaats een reactie