Eigenlijk is dit geen India
McLeod Ganj – India, 2000
De huizen, de kleuren en geuren, de honden, de monniken in hun roodgele gewaden: alles doet me denken aan Tibet. In de zgn. Dalai Lama tempel is een sessie bezig. Veel jonge monniken leren hier de wijze meditatie lessen van een oudere monnik. Een van de jonge monniken heeft de kunst van meditatie nog niet helemaal onder de knie. Want in zijn persoonlijke weg naar verlichting, krijg ik voor een paar seconden meer aandacht van hem dan zijn leraar. Mijn dagen in McLeod Gang breng ik al relaxend door. Mijn vaste ontbijtplek is in Bhagsu, een half uurtje bergopwaarts lopen. Meteen een goede manier om de eetlust op te wekken.
Hier ontmoet ik dag in dag uit dezelfde groep mensen. Hier ontmoet ik ook een jongen van een jaar of twaalf, die doordat er hier zo veel toeristen komen al heel behoorlijk Engels spreekt. Hij heeft een uitgesproken mening over Pakistanen. Hij wil ze namelijk allemaal neerschieten. ‘Kashmir is from India!’ Ik weet dat het een beetje zinloos is om zo’n jongen tegen te spreken, dus beantwoord ik zijn uitspraak met ‘Kashmir is from Kashmir like Tibet is from Tibet’. Even later zijn de anti-Pakistani gemoederen weer gesust bij een spelletje vier-op-een-rij, een kopje chai en een halve joint.
Zo gaan er een aantal dagen voorbij in relaxt McLeod Ganj. Dit is een van de favoriete plaatsen van backpackers in India. Heel veel mensen komen hier voor een langere tijd, nadat ze door het andere India heen zijn gesjeesd. Sommige zijn zodanig opgefokt dat ze al vloekend en tierend door de straten lopen, met een gezicht continu op ‘oorlog’. Ik geniet echter met volle teugen van de snowcapped mountains, welke zich in de vroege uurtjes heel even laten zien, van een vrouw welke een steen gebruikt als wasplek maar ook als messenslijper, van Indiase toeristen uit het Zuiden van het land welke ook hier een kijkje komen nemen, maar zich alleen in het Engels verstaanbaar kunnen maken doordat Hindi en Tamil twee totaal verschillende talen zijn. Ik geniet ook van het ‘spelen’ met alle wietaanbieders. Om de haverklap wordt je wat aangeboden. Ik beantwoord hun vraag met een wedervraag :”No marihuana thanks, have you got Hagelslag?”. Ze druipen allemaal af.
Op een avond loop ik terug uit Bhagsu, bergafwaarts dus naar McLeod Ganj, na menig biertje gedronken te hebben. Het is pikkedonker maar het is volle maan, dus de weg is redelijk verlicht. Een aantal groene vuurvliegjes zweven voor me uit. Ik heb bijna een toeriste ingehaald, als ik good evening tegen haar zeg. “Where are you from”, vraagt ze mij. Even later praat ik voor het eerst in heel lange tijd voor mijn gevoel weer Nederlands. Ze heet Saskia, is 27 jaar en wist het allemaal even niet meer. Afgestudeerd in de Biologie, maar zal zoals het nu naar uit zien, eerder Engelse les gaan geven in een jungle dorpje in Mexico, dan teruggaan naar Nederland. Zij is ook niet helemaal nuchter als we een kopje chai gaan drinken in Chana Nirvana, de plek waar alle ‘wasted travellers’ hun avonden verdoen met drank, drugs en, zoals wij tweeën dus, chai. Raar om binnen een half uur weer volledig geïntegreerd te zijn in een vreemde omgeving, somewhere in India, terwijl diverse gitaren klinken, bespeeld door mensen die ik ook al in Annapurna Base Camp in Nepal heb ontmoet. Ik geniet!
Triund, ik heb hier wat van menig toerist over gehoord. Dat het een leuke plek is om in een dag naar toe te lopen door de bergen. Ik sla flink wat eten en de nodige liters water in en maak mij op voor de klim naar bijna 3.000 meter hoogte. De eerste aanwijzingen over de route krijg ik van de man van de ontbijtplek in Bhagsu. “Yes, there’s a path!”. Ik hoop dat ik hier en daar locals ontmoet, die mij op de juiste weg kunnen blijven wijzen, opdat ik weer de sneeuwgrens mag begroeten. Bhagsu eenmaal uitgelopen, begeef ik mij al snel in een complete rimboe. De schaarse huizen zijn nauwelijks bereikbaar door de jungle en rotsformaties. Eenmaal de trail gevonden, ben ik deze ook weer na 50 meter kwijt door alle begroeiing. Ik beland vervolgens menigmaal op een driesprong van weggetjes en alle drie kunnen ze wel eens de trail zijn die ik moet hebben. ‘Just follow the arrows’, heb ik nog als advies meegekregen. Jaja! Ergens verderop zie ik een huisje. Ik loop en klauter er naar toe in de hoop dat er iemand thuis is om me de weg te wijzen. Er woont een oude Tibetaanse monnik. ‘Triund?’. ‘Up, up’, is zijn veelzeggende antwoord. Zo ver was ik ook nog wel. Ik klim naar een volgende hutje waar een local in conclaaf is met een toeriste. De local wil een verkregen buitenlands muntstuk omwisselen voor rupees. Maar deze local geeft me een wel heel ongeloofwaardig antwoord op mijn vraag hoe verder te lopen: ”down, down”. Ik klim verder omhoog. Van rotspunt naar rotspunt, her en der vasthoudend aan een graspol omdat de helling erg steil is en het gruis onder mijn voeten wegglijd. Even later sta ik oog in oog met wat erg veel lijkt op een slang. Ik loop er met een grote boog omheen. Er lijkt echter geen einde te komen aan het klauteren van rotspunt naar rotspunt.
Na zo’n 2,5 uur ga ik maar es zitten en begin te twijfelen of dit toch wel de goede trail is. Na nog een half uurtje zweten, ben ik het zat en baan me een weg naar beneden. Bij het eerste beste guest house wat ik tegenkom, ontmoet ik een toeriste. Na een kort moment van oogcontact, besluit ik daar mijn verloren vocht aan te vullen met een bakje chai en met haar een gesprekje aan te gaan. Hoe gemakkelijk is het toch als je op reis bent om in contact te komen met mensen. Hoe anders is toch de instelling van mensen op reis in tegenstelling tot mensen in eigen land vol van stress, rennend van afspraak, naar werk en naar de volgende afspraak. Ze vertelt me dat ze deze lokatie even ten noorden van Bhagsu voor een jaar tot haar thuis heeft gemaakt.
“Ik was de stress van thuis zo zat. Iedereen die aan me kop zeurt. Heb geld genoeg gespaard om hier lekker een jaar tot mezelf te komen. Lekker een jaar van persoonlijke ontwikkeling, van bezinning”.
Het lijkt mij ook wel een beetje op een jaar van afzondering, want in het guest house waar ze vertoeft, is ze de enige gaste. Ze brengt haar tijd door met meditatie, boeken lezen en goede gesprekken met de huiseigenaar. Ik hoop dat ze samen met die paar dozijn andere toeristen, die voor langere tijd verblijven in de heuvels boven Bhagsu, genoeg rust in zichzelf kan vinden hier. Genoeg bezinning om, na die lange tijd van leven in dit zo beschermde gedeelte van het echte India, de stap naar de echte wereld ook goed te volbrengen zonder finaal de weg kwijt te zijn thuis.
Na nog een paar bakjes chai gedronken te hebben, vervolg ik mijn weg naar beneden weer. Na een uurtje of wat kom ik op een overduidelijke hoofdpas terecht die me in een keer in Dharamkot brengt. Vanaf hier hoef ik slechts nog de vallei door te steken om weer in Bhagsu terecht te komen om even goed te eten. Mijn benen willen echt niet meer.
Eenmaal terug in McLeod Ganj is het niet anders dan normaal. De hippies lopen er rond, niks anders te doen dan te roken op een helling, biertjes te drinken in cafe’s, elkaar met spannende levensverhalen trachten te imponeren terwijl ze in kleren rondlopen die niet misstaan in het Woodstock tijdperk. Diverse locals nemen deze gebruiken over, om maar in de smaak te vallen bij de toeristen. De monniken lopen wel gewoon in hun oranje gewaden rond, maar wees niet verrast als je deze jongens in een internetcafe ziet te MSN-en met een blikje Pepsi in hun vrije hand geklemd.
Al dit irrealistische van India komt op een nacht bij elkaar op een full moon rave ergens op een bergtop boven McLeod Ganj. Ik ben zelf totaal geen liefhebber van rave music, maar ik wil toch de sfeer wel even proeven. Al na 10 seconden word me de eerste joint aangeboden door een Indiase jongen, met wel heel kleine, rooie oogjes. Als ik het geheel gade sla weet ik niet wat ik ervan moet denken. Allerlei jongeren van diverse nationaliteiten, gecombineerd met de Westerse Indiërs staan op een bergtop te dansen op beukende muziek. Ieder met zijn eigen dansstijl: van schaduwboksen, tot een soort van cha-cha, beetje links-rechts en een soort van meditatiedans die al hier voor het eerst wordt vertoond. Dit is geen India! Na een uurtje of wat vind ik het genoeg. Manushek, het Fins meisje met wie ik een paar dagen geleden Shimla verliet, staat volledig in trance te dansen op de muziek. “Ik ga door tot zonsopgang”, zegt ze tegen me. “Enjoy, ik ga slapen”. Ik loop in mijn eentje terug, bergafwaarts. Overal hoor ik honden blaffen en janken. Ze lijken elkaar wel af te maken! Ik zet er maar flink de pas in. Ik wil niet een van die honden tegen komen. Na een kleine twintig minuten bereik ik gelukkig mijn hotelletje. Even later begint het te hozen. Einde feestje daarboven op de berg?
De volgende ochtend zet ik pas naar Dal Lake, een kunstmatig gecreëerd meer in een groen bosgebied. Het meer op zichzelf is niets bijzonders, maar in de vispopulatie in het meer herken ik het Indiase kastensysteem. Er zijn ca. 1.000 magere goudvisjes en 100 forelletjes en een paar heel grote forellen. Een Indiase man werpt voor ongeveer een half uur continu brood in het water voor de gulzige vissen die er, met dank aan de vervuiling in het meer, graag gebruik van willen maken. De vervuiling is te herkennen aan het feit dat er diverse goudvisjes rondzwemmen wier oranje gloed aan het verkleuren is naar wit. Zodra het brood in het meer valt, worden de goudvisjes weggeduwd door een van de forellen. De goudvisjes proberen het wel met volle overgave, maar zodra ze een dozijn grote forellen op zich af zien stormen, kiezen ze het hazenpad.
The rich only get richer. Om het geheel nog Indischer maken, wordt het meer alleen bezocht door welstandige Indische gezinnen. Ik vraag aan een van de vaders wie zoal een dagtripje maakt naar deze plek. Hij antwoordt door te zeggen dat de verschillen in India te groot zijn. Hij is zelf blij met zijn huidige situatie, maar af en toe heeft hij medelijden met de overgrote meerderheid van het Indiase volk. De meerderheid kan het zich namelijk niet permitteren om een dag niet te werken. Een dag niet te bedelen voor sommigen. Even verderop wordt er een spelletje cricket gespeeld, de nationale sport van India. Maar ook hier geldt: beoefening van de sport is alleen mogelijk voor de well-to-do.
Als ik in een restaurantje een berg chopsuey aan het verorberen ben, zie ik een Tibetaanse monnik ononderbroken naar een poster van Mt. Kailash kijken terwijl hij een kopje chai naar binnen slurpt. Zal deze man ooit de bedevaart naar deze in Tibet gelegen berg kunnen maken? De berg, gelegen aan de oevers van Lake Mansorovar, de droom van alle Tibetanen. Waarschijnlijk zal deze jonge monnik nooit meer voet in Tibet kunnen zetten. In de dagen dat ik in McLeod Ganj ben, lees ik het boek “Vlucht over de Himalaya”, geschreven door Maria Blumencron, welke de barre tocht van een groep Tibetaanse kinderen beschrijft, op weg naar een hopelijk beter leven in India. Terugkeren naar Tibet staat gelijk aan gevangenschap. Deze Tibetaanse monnik zal het dus waarschijnlijk voor de rest van zijn leven moeten doen met dit ene plaatje van Mt. Kailash in het cafeetje in McLeod Ganj. Een plek die ooit is gesticht als zijnde een refugeecamp voor Tibetaanse vluchtelingen na de Chinese invasie. Er wordt nog wel Tibetaans gesproken, er staat her en der nog een Tibetaans klooster. Maar over het geheel heen is een Coca-Cola etiket heen geplakt. De Tibetanen lopen er rond op Nikes, dragen Levi’s jeans. Het fenomeen toerisme heeft de boel hier letterlijk verpest. De oude cultuur heeft plaatsgemaakt voor een westerse rave-cultuur. Een enorm verschil met Shigatse. Ook de relaties tussen toeristen onderling is verloederd. Zo lang je mee blowt hoor je erbij. Met een kaalgeschoren kop, fast talks en kleren die de locals zelf al tien jaar geleden in de zak van Max hebben gepropt, hoor je erbij. De doorsnee toerist hier heeft er een maand of zes India op zitten. Tien weken Manali, tien weken Rishi en 10 weken Ganj.
Ik maak mijn prachtige wandelingen door de omringende natuur, maar ik zal hier snel weggaan. Hoe kan de Dalai Lama zich hier ooit nog thuis voelen in dit toeristencircus. Spiritualiteit is sowieso ver te zoeken, afgezonderd van de ‘qualified’ Israëlische reiki leraren. De Tibetaanse cultuur staat hier in de uitverkoop. Je kan kooklessen volgen, Tibetaanse kleren leren maken. Natuurlijk is het goed om dit soort ‘cursussen’ aan te bieden om zo ook de nodige guldens binnen te halen als je er de Tibetaanse vluchtelingen mee kan voorzien in educatie. Maar het gevoel overheerst dat de Tibetanen hier hun geloof, hun cultuur verkopen voor geld. Eigenlijk zouden ze dit dorpje moeten afsluiten voor toerisme.
Ik waag nog één poging om Triund te bereiken. Ik heb van een aantal locals nieuwe loopaanwijzingen gekregen en besluit het nog een kans te geven. De trail begint door een woud van dennenbomen, met her en der een rotsje. Na een half uurtje of wat word ik geconfronteerd met het eerste obstakel: een apenkolonie van zo’n honderd apen. Ze zitten te luieren midden op de weg, hangen aan de bomen te zwieren, sommige met een kindje op de rug geklemd. Een paar grote apen nemen plaats op de rotspunten en aanschouwen mijn aankomst. Een minitempeltje gebouwd in het bos is overwoekerd met apen. Ik stop even, een beetje angstig voor een plotselinge agressieve bui van een van de honderd. Een Tibetaanse monnik haalt me in en loopt voorbij de kolonie, zonder enig probleem. “Just walk” roept hij me toe. Ik waag het erop en zodra ik bij hem ben gearriveerd, zeg ik het standaard Tashi delek wat wordt beantwoord met een dito begroeting en de eeuwige Tibetaanse glimlach. Het pad verandert al snel in een rivier van rotsen, welke ik stroomopwaarts zal moeten doorwaden. Als ik na een uur of 2 even een langere pauze maak, aanschouw ik het prachtige uitzicht over Bhagsu, McLeod Gang en nog verderop Dharamsala. Alles ligt ver, ver beneden mij.
Even later haal ik een Indiase familie in. Een van de gezinsleden is een beauty van een meid. Ze vraagt aan mij of ik Hindi spreek. “Just about nothing” is mijn veel te weinig zeggende antwoord. We lopen voor een minuut of tien naast elkaar, al hijgend en puffend daar het pad steil omhoog gaat. Als het pad te smal wordt, laat ik haar keurig voor gaan met bijpassend gebaar. Ze blijft glimlachen en wat een glimlach! Ze vertelt dat ze uit Pune komt, een stadje vlakbij Bombay. Ze haat het er vanwege de vervuiling. Het begint nu flink te regenen en de familie zoekt beschutting in een van de schaarse houten overkappingen. Met mijn stomme kop zeg ik dat ik doorloop.
Nu is het mijn beurt om ingehaald te worden en wel door een man van ver boven de zestig. Hij past zijn snelheid aan om even een babbeltje met me te maken. “I hope I still can climb mountains when I am sixty”, zeg ik tegen deze man die het verbasterde compliment met een glimlach in ontvangst neemt. “Sure you can, young man”. “But we don’t have mountains in Holland to practise. Our highest hill is ….”. Plotseling vult hij me aan door te zeggen: “A dike”. We lachen allebei. De man pakt zijn oude tempo weer op. “See you up there!”.
Na nog een uurtje of wat arriveer ik in Triund. Drie gebouwtjes bij elkaar waar je je slaapzak mag uitrollen voor een minimale bijdrage. Met de Dhauladhar Range recht voor mijn neus, met haar prachtige met sneeuw bedekte pieken, geniet ik van een welverdiende rust. Even later komen nog twee andere toeristen aan op de heuveltop. Celine, een Francaise met de looks van Patty van de Dolly Dots en een Engels accent, dat me doet vermoeden dat ze Amerikaanse is. David, een Canadees uit British Colombia, met een dikke zonnebril en oorbellen als een vergroeide hippie. We eten wat noodles, alvorens we gedrieën nog een stukje doorklimmen naar wat prayer flags.
Aangekomen op dit nieuwe uitzichtpunt, klemmen we het een en ander tussen onze vingers. Na twintig minuten besluiten we met het oog op de naderende regen, naar beneden te lopen. Het eerste stukje glijdt David meer dan hij loopt, maar hij kan er gelukkig continu om lachen. Als we weer bij de gebouwen van Triund zijn aangekomen, tracht ik de India schone weer te lokaliseren. Mijn ogen vallen een klein beetje dicht, terwijl de regen inmiddels met bakken uit de hemel komt. Alle vrouwen in Indiase gewaden, lijken allemaal even mooi. Ik zie momenteel alles vierdubbel, door hetgeen geïnhaleerd, maar ook door de druppels op mijn bril. De groep Indiers die bij de drie gebouwtjes van Triund staan, klappen en juichen om de haverklap als weer een gedeelte van hun groep deze heuvelrug heeft bereikt.
Steen voor steen aftastend lopen we verder naar beneden. Na een paar honderd meter zie ik een waterval langs de rotswand naar beneden denderen. Ik zou toch zweren dat ik deze bergopwaarts niet heb gezien. Ondertussen probeert David met ieder dier wat we onderweg tegenkomen te communiceren. Als een kudde schapen van een 60 graden rotshelling af komt gehuppeld en nog net voor ons op de hoofdtrail komt, biedt dit voor David een goede mogelijkheid om zijn Schaaps bij te schaven. Na een uurtje of wat houdt het op met regenen. De pieken van de Dhauladhar range zijn al snel weer omringd door een blauwe gloed. Na nog een uurtje of twee lopen we langs de eerder door mij gevreesde apenkolonie. Nu we met zijn drieën zijn, voel ik me al iets veiliger. Ondertussen probeer ik op Celine mijn Frans uit door het gedichtje “Je fais souvent ce reve et etrange…” weer op te ratelen. Eindelijk, na 7 jaar met dank aan Celine, weet ik weer door wie het geschreven is: Baudelaire! Van David krijg ik ondertussen nog wat tips voor trekkings in zijn thuisland, Canada. “Whatever you do, do your cooking more than 100 meters away from your campsite and change your clothes after eating and hang them far way from you tent”. “Enjoy the mountains, smoking is allowed, but those damn Grizzlies..”
Inmiddels weer bijgekomen van de ‘smoke invasion’ bovenop de berg, loop ik weer door McLeod Ganj. It’s a small world, blijkt wel weer. In een relatief klein dorpje in India, 10 uur vliegen van huis, dik een dag bussen, kom ik een klasgenoot van de lagere school tegen: Boudewien van Notten. Zij is in McLeod Ganj voor haar afstudeerscriptie van de UvA, culturele antropologie. Onder het genot van een kopje chai vertelt ze dat ze onderzoek doet naar het instandhouden van de Tibetaanse cultuur door de vluchtelingen. Daarnaast komen ook koetjes en kalfjes naar boven, waarbij onze herinneringen aan Juf Capel het warmste zijn: “Juf, mag ik bij u eten vanmiddag?”. “Nee, het is mijn beurt om bij Juf te eten”. Ik herinner me nog goed toen ik in de 2CV mocht stappen en bij Juf ging eten”. Na de nodige kopjes chai gingen we samen met een Nederlandse horeca uitbaatster, wier naam mij ontschoten is, een look-a-like van Big Brother’s Ruud uit Australië en Johnny uit Engeland een hapje eten. Deze laatste twee figuren zijn niet de meeste normale op aarde, zo blijkt uit de tafelonderwerpen welke ze aandroegen. De Australiër is zeg maar een ‘paid animal killer’ vanaf zijn zestiende. Hij begon er mee voor zijn lol toen hij twaalf jaar was. Voor een koe gebruikt hij een kogel, voor een schaap een baseball knuppel en een kip… die draait hij de nek gewoon om. Arme Johnny, want deze jonge knaap is een 100% vegetariër met een nogal uitgesproken mening over niet-vegetariërs: “If you like to eat meat, you also like to watch animals get killed”.
Deze Johnny houdt ervan om het woord te voeren. Zo legt hij ons uit hoe de zon, aarde en maan ten opzichte van elkaar draaien, waarom de zee blauw is en dat soort nuttige feiten. Toen hij een keer in London in hetzelfde hotel verbleef als de Dalai Lama, zag hij hoe er een kar met Chicken chopsuey en Mutton curry naar binnen werd gereden. Ik twijfel sterk aan de correctheid van dit verhaal. Daarnaast is het gebruik van deo uit den boze volgens Johnny. De okselporiën zullen zich dan namelijk sluiten en al het vocht wat niet meer naar buiten kan, veroorzaakt vervolgens longkanker. Nog wat andere hersenspinsels: tampons in India zitten vol met asbest, de keizersnede moet worden verboden daar het geen natuurlijke geboorte betreft, een miskraam bij een vrouw is haar eigen schuld het is namelijk het gevolg van psychische problemen tijdens de zwangerschap en tot slot, vrouwen mogen niet werken. Tijdens deze fantastische uitlatingen van Johnny, praat ik verder met Bou over haar leven hier in Ganj. Ze vertelt over een mailtje van familie uit Nederland dat er een vuurwerkexplosie plaats heeft gevonden. Een wijk in Enschede zou volledig zijn verwoest. Morgen maar weer es even op internet kijken.
De dag erna is hét gesprek van de dag in Ganj onder alle toeristen de moord op een jonge backpackster. Gesprekken onderling komen deze dag moeilijk tot een begin, iedereen kijkt een beetje verschrikt rond. Zonder kleren, onder de blauwe plekken en met een doorgesneden keel werd ze in de heuvels even buiten Ganj aangetroffen.
Op mijn laatste avond in Ganj ontmoet ik een Tibetaanse vluchteling in Chana Nirvana. Hij is in Ganj sinds 1995, gevlucht voor de Chinese macht. De enige manier waarop hij zijn familie ooit zal kunnen weerzien, is als zij zelf ook besluiten te vluchten uit Xiahe. Xiahe, mijn eerste kennismaking met het Tibetaanse leven in 1997. Hij heeft 2 keer een brief naar zijn ouders gestuurd. De eerste is nooit aangekomen. De tweede brief heeft hij aan een toerist meegegeven, die de brief persoonlijk aan zijn ouders heeft overhandigd. In deze brief zaten onder andere een aantal foto’s van de Dalai Lama. Deze foto’s zijn zwaar illegaal in China. Een toerist zou ze moeten inleveren, maar een Tibetaan draait ervoor de gevangenis in.
Morgen verlaat ik Ganj, om af te zakken naar het zuiden. “Are you crazy? You will fry out there?” Deze opmerking heb ik een aantal keren gehoord. “Stay in the North, Rajasthan is for fools now!”. Enerzijds jammer om Ganj nu te verlaten nu ik er zoveel mensen ken, maar anderzijds heb ik ook wel zin om naar een minder toeristisch gedeelte van India te gaan.Dit is eigenlijk ook geen India. De angst om niemand te ontmoeten, bekruipt me ook wel een beetje, maar dan zien we dan wel weer.