Count Dracula’s Country

Count Dracula’s Country

Muang Sing, via Luang Nam Tha, Udomxai, Pak Mong naar Nong Khiaw – Laos 2000

Ik weet nog voor acht uur ’s ochtends de laatste plek in een songthaew te bemachtigen op weg naar Udomxai. Oftewel, een volle lading voor de chauffeur, waardoor het voertuig zelfs voor de geplande vertrektijd in beweging wordt gebracht. In alle haast was er geen tijd meer om m’n rugzak met een touw op het dak vast te binden. Daar de wegen behoorlijk ‘gebobbeld’ zijn, kijk ik regelmatig naar het dak of m’n rugzak er nog ligt. De lariam maakte me een beetje paranoia.

Al snel passeren we diverse verse landslides. De plek van oude landslides van een paar dagen geleden is inmiddels redelijk op orde. Althans dit geldt voor de weg, waarop enkel nog de sporen van de weggeveegde aarde zichtbaar is. Los van de weg, is de ravage enorm. Hele stukken berg, annex modderheuvel, zijn weggespoeld en in het geheel ontwortelde reuzenbomen liggen in het direct naast de weg gelegen ravijn.

Eenmaal in Luang Nam Tha is het geluk met mij. Want tien minuten na aankomst vertrekt er al een songthaew naar Udomxai. Ook in deze tweede etappe van de dag, word ik al snel weer geconfronteerd met een volgende landslide. Twee wagens zijn al bezig met het wegscheppen van de aarde. De buschauffeur besluit het uiterste van het voertuig te vragen en rijdt dwars over de losse aarde heen. Alsof hij zich in een echte 4WD waant, rijdt hij er over heen. We rijden maar een heel klein beetje schuin over de berg van naar beneden gedonderd aarde gemengd met takken, rotsen en boomwortels met een groot gapend ravijn aan de rechterkant van het voertuig.

Etappe drie op weg naar Nong Khiaw zet ik in na een nacht in dodelijk saai Udomxai door gebracht te hebben. Het guesthouse was zo ranzig dat ik zelfs niet durfde te douchen. Het gedeelte naar Pak Mong voert me over tot nu toe de slechtste weg in Laos. Hobbeldebobbel temidden van eindeloos groen. Geen ander voertuig te bekennen totdat Pak Mong is bereikt al waar de vierde laatste etappe naar Nong Khiaw direct kan worden begonnen. Gedurende deze etappekoers verzamelt zich een groepje toeristen waaronder een Amerikaan, een Sloveen welke sprekend lijkt op de mannelijke Kees Flodder, een tweetal Oostenrijkers en de Amsterdamse creatieve therapie studente Ingrid

Hiernaast word ik ook vergezeld door een kudde varkens, kippen, eenden en kalkoenen, welke allen ook een zitplaatje hebben gevonden tussen de benen van de menselijke passagiers. In de verte zie ik een familie eenden de weg over steken. Echter, het is nogal een tamelijk grote familie, oftewel het ‘lint van eenden’ is lang. De bestuurder van de songthaew onderneemt geen poging om vaart te minderen of weg te sturen van de kudde eenden. Hij rijdt er vol over heen. Ik hoop maar dat de eenden zich op dat moment precies tussen de wielen bevinden. Echter, op het moment dat de achterwielen de kudde zijn gepasseerd hoor ik een geluid alsof iemand een klein pakje Appelsientje met de voet intrapt. ‘PLOP. Als ik een blik werp op het decor achter de songthaew, zie ik hoe een eend met zijn voorpoten probeert weg te lopen, maar wiens achterkant aan het wegdek zit vastgeplakt, met een flinke plens bloed. JEK! Ik zie hoe de familie plotseling wel haast maakt om de overkant van de weg te bereiken. De chauffeur rijdt door alsof er niks is gebeurd. De eend, tsja die zal wel door de eerste beste passant worden meegenomen en zal vanavond nog een mooi hoofdgerecht vormen. Lao Duck anybody?

Nong Khiaw bestaat uit een paar houten huisjes welke langs een dirt road liggen omgeven door fantastische lime stone rocks a la Krabi. Een brug is gebouwd over de Mekong Rivier, welke de kinderen als speelplaats gebruiken. Met name het zgn. ‘slipper schuiven’ is erg populair. Behalve ons groepje is er misschien nog een handjevol andere toeristen welke de moeite hebben om naar Nong Khiaw af te reizen. Ik nestel mezelf in een guest house welke compleet uit bamboe is gebouwd, gelegen aan de rivier en met een uitzicht vanuit mijn kamertje op een van de limestone kliffen. Wat wil een mens nog meer. Heerlijke rust! Naar mate de middag vordert zijn de bergen in een donkere deken van wolken gehuld. Sommige bergen hebben de vorm van een vulkaan. Het heeft alles bij elkaar wat weg van Count Dracula’s Country. De regen zal spoedig met bakken uit de hemel vallen.

Een van de kliffen blijkt grotten te bevatten, waarin de lokale bevolking ten tijde van de Indochina oorlogen zich regelmatig in heeft verscholen. Een improvisorisch gebouwde, haast verticaal opstaande ladder van ca. 50 meter, dient beklommen te worden alvorens de grotten bereikt zijn. De grotten zelf zijn helemaal leeg op her en der een leeg flesje water na. Niets herinnert er aan dat dit ooit een goede, zonder ladder onbereikbare schuilplaats is geweest. Het uitzicht is adembenemend vanaf deze hoogte, over de omringende rice paddies en de tientallen andere kliffen.

In een nabijgelegen dorpje zie ik een aantal opgeplakte posters bevestigd aan bomen en hutjes, welke kinderen uitlegt wat bommen zijn. Maar ook hoe ze eruit zien, wat je er niet mee mag doen (steen op gooien, met een stok erop slaan) en wat het kan doen. Dit laatst wordt uitgebeeld door ongelukkig kijkende kinderen met een onbrekend ledematen te vertonen.

Even verderop lijkt het alsof ik een waterval naar beneden hoor kletteren. Het blijkt echter om een stroomversnelling in de rivier te gaan. Een duik in de rivier is nu wel erg aantrekkelijk, daar de temperatuur al flink is gestegen. Al snel springen er van alle kanten ook kinderen in de rivier. Sommige beklimmen eerst een boompje, welke zich heeft genesteld langs de oever, en springen vanaf een overhangende tak in het lauwe water van de Mekong rivier. Als snel zoek ik ook deze afkoeling op, hopende dat het water niet al te zeer vervuild is. Na een half uurtje van poedelen gebaren ze ons te volgen naar de nabij gelegen huisjes, welke hun dorpje vormt. Geen gezeur om geld, geen geleur met souvenirs. Gewoon simpelweg echte gastvrijheid.

Als we weer teruglopen naar de ‘grote stad’ Nong Khiaw, blokkeert een kudde waterbuffels de weg. Het merendeel ligt wat te rusten onder een boom aan de zijkant van de weg, maar een enkeling staat op zijn hoeven. Over Inge maak ik me op dat moment enigszins zorgen. Een buffel blaast een aantal keren zwaar door zijn neusgaten en doet wat stof met zijn rechtervoorhoef op waaien. Oeps! Inge heeft een rood truitje aan. Gelukkig vindt het beest het te heet om aan te vallen en gaat al snel liggen in een verkoelend modderpoeltje.

Gedurende de gehele wandeling, welke zo’n uurtje of zes in beslag neemt, laat de zon zich zelden zien en zijn de donkere bergen continu omgeven door een wit/grijze deken. Toch is het bloed en bloedheet. De groene rijstvelden vormen zo een prachtig contrast met de wit/grijze overmacht. Er rijdt in dit gedeelte van het land ook haast geen gemotoriseerd verkeer. Dus ook geen openbaar vervoer om ons in geval van een plotse verdwaling terug te brengen. Maar het land geeft me zo een heerlijke geestelijke rust. Puur reizen, geen commercie, geen tekens van globalisatie. Zo unspoiled heb ik een land nog nooit gezien. Het zal waarschijnlijk wel niet al te lang duren of de eerste abseiling bureaus zullen zich ook hier vestigen in navolging van Vang Vieng, is het mogelijk om georganiseerde daytreks te maken zoals wij vandaag op eigen houtje hebben gedaan en uiteraard internet op iedere straathoek. Ik geef het nog een decennium. Max. Ook dan is Count Dracula’s Country opgeslokt door de commercie.

Plaats een reactie