Welcome back to India

Welcome back to India

India/Nepal – mei 2000

In de vroege uren van mijn laatste Nepalese ochtend, loop ik met mijn backpack op mijn rug naar het busstation. Na een paar kilometer houdt het voor toeristen bekende gedeelte van de stad op en neem ik voor het eerst het andere Pokhara in me op. Dat het toeristencentrum niet staat voor wat Pokhara eigenlijk is, blijkt al snel. In dit gedeelte van de stad stinkt het gigantisch, lopen er zwervers op straat, roken de vuilnisbakken nog na na een avondje gediend te hebben als verwarmen, vertoont de vacht van de straathond meer kale dan bedekte plekken, ligt er overal rotzooi op straat. India, ik kom er aan!

“I guess we are the only two tourists on the bus”, zegt Michele uit Israel tegen me terwijl we dus bus instappen op weg naar de grens met India. De reis door de relatief saai, laaggelegen Terai naar de grens toe gaat gepaard met zeer pijnlijke knieën met dank aan mijn voorbuurman. Ik duw zijn stoel met alle kracht terug als hij hem achteruit wil gooien. Hetgeen me een nogal boze blik mijn kant op oplevert, ondanks dat ik hem wijs op de schaarse beenruimte voor mij. Het mocht niet baten. Ik zet mijn gedachten maar op iets anders. Welke avonturen ga ik meemaken in India, wie ga ik ontmoeten, hoe vaak ga ik ziek worden? Plots worden mijn dromen wreed verstoord. Een bus met alleen de achterwielen nog geklemd tussen twee betonnen bielzen, bungelt boven een ravijn. Het lijkt een levensechte Looney Tunes cartoon, waarbij enkel een vogeltje op de voorruit voldoende is om de bus te doen laten kantelen. Echter, dit is Nepal. En dus echt. Onze bus stopt niet eens, het is hier blijkbaar de gewoonste zaak van de wereld zijn. Even later treffen mijn ogen een 4WD op zijn kop in een ravijn aan…

Op een gegeven moment stapt een stokoud vrouwtje in de bus. Alles trilt van haar lichaam, ze heeft nog drie tanden in haar mond. Met haar trillende handen raakt ze stuk voor stuk mensen aan in de hoop dat iemand voor haar wil opstaan. Ik denk dat dit haar laatste busritje wordt.

Tijdens de rit naar de grens is er om 22.30 uur een eetstop ingelast. We stoppen bij een zgn. Dal Bhat-vreethuis. Al bij binnenkomst straalt de gezelligheid er van af. Ik schuif aan bij een tafeltje met wat locals, niemand die je opmerkt. Iedereen probeert in zo kort mogelijke tijd zo veel mogelijk eten naar binnen te werken, het is toch onbeperkt bijbestellen. Er bungelt meer kleefrijst aan een ieders kleren dan dat er op de borden overblijft, deze worden namelijk grondig afgelikt. Iedereen slaat met zijn glazen op de tafel, met zijn bestek op het bord, schreeuwt naar de obers als ze willen bijbestellen. Hierdoor zijn de obers ook erg goed gehumeurd. Als ik al ja-knikkend antwoord op de vraag of ik ‘klaar’ ben, smijt hij mijn bord en bestek zo in een grote bak wat naar de afspoelbak wordt gebracht, waar het grondig ‘afgespoeld’ zal worden. Een jochie loopt echter continu langs bij mij en houdt zodoende goed in de gaten of mijn bord nog vol genoeg is. Hij probeert dan ook zijn schaarse Engels graag op me uit. Zijn ‘grote’ broer haalt hem af en toe weg, onder het mom van “doorwerken jij”. Of hij spreekt geen Engels in tegenstelling tot zijn broertje, die wel de tijd heeft gekregen om dit zich een beetje eigen te maken, en wordt zodoende nogal jaloers.

Bij de grenspost met India volgen er nog 2 Israëlische dames. In het begin was de voertaal nog Engels, maar als snel is het Hebreeuws voor en Hebreeuws na. In het begin tracht Michelle het gesprek nog regelmatig om te buigen naar Engels uit sociale overwegingen, ze kon zich ook regelmatig ergeren aan dit gedrag van de andere dames. Ze praat ook over haar ergernis dat alle Israëli’s in India samen clusteren tot een grote Israëlische gemeenschap, maar dat ze dat ook wel kon begrijpen. Iedereen heeft net het leger verlaten en zit vol met indrukken en emoties en die willen ze graag met elkaar delen.

Michelle is het type reiziger dat voor iedere rupee wil afdingen. Ze is namelijk volledig afhankelijk van het in haar legertijd gespaarde geld. Op zich terecht, maar af en toe wil ze echt dingen voor een oneerbiedige prijs. Ook als een Indiër haar vraag niet begrijpt of doet alsof hij deze niet begrijpt, gaat dit van haar kant gepaard met een blik van wat een domme mensen het wel niet zijn.

De grenscontrole duurt lang. Het duurt zeker 1,5 uur voordat we onze paspoorten gecontroleerd en wel terugkrijgen. De overgang bij Mahendrenagar wordt relatief weinig gebruikt, misschien daarom speelt de controleur gewoon een spelletje met ons. Van de grenspost moeten we eerst circa 4 kilometer lopen naar het stadje Banbassa. Vanaf daar gaan met een local busje naar Haldwani en vervolgens met een 4WD naar Nainital. Elke winkelier annex straathandelaar, welke een van de vier dames benadert om wat te kopen, krijgt een fervent en iets te agressief wegwerpgebaar. Welcome to India ladies! De tocht naar Nainital in de WD is er een om in te lijsten. Iedereen achterin zit 90 graden gedraaid ten opzichte van de normale zithouding in een voertuig. De weg die alleen maar U-bochten kent brengt nogal wat braakneigingen te weeg. Iemand Dhal Bhat?

Plaats een reactie