Trekking in de Annapurna’s
Annapurna, Nepal – 2000
Nog een laatste keer loop ik vanaf mijn guesthouse naar Durbar Square. Gevolgd door nog een beetje relaxen in het guest house. Binnenkort verlaat ik KMDU voor Pokhara. KMDU, een beetje mijn thuis in het begin van een jaar weg van huis. Als ik een drankje in een loungepub nuttig, heb ik een hele bijzondere ontmoeting met Talsang. De eerste dag van de trekking bezorgt me een enorme pijn in mijn nek. Steile trappaadjes omhoog en omlaag afgelopen, piepende bamboo-bruggetjes overgelopen aangezien de trail toch echt verder gaat aan de andere kant van de redelijk snel stromende rivier. Kleine dorpjes met lieve kids, aapjes aan een ketting vastgebonden en een bewegingsvrijheid van een ½ meter, loslopende koeien die de bergweggetjes makkelijker aflopen dan wij.
Tijdens de eerste dag wordt het simpelweg de paadjes op- en aflopen, de standaard trail volgen dus, al snel een beetje saai. Dus wij dachten ergens een shortcut langs de rivier bedding gevonden te hebben. Helaas het pad houdt al snel op met te bestaan. We banen ons een weg door de dichte jungle, klauteren van rots naar rots. Met de hulp van een speciaal soort reliëf kaart, kompas en GPS, trachten we ons een weg te banen naar de eerste overnachtingplaats, Tolkka. Echter door een kaartlees fout komen we er achter dat Tolkka zich op iets hogere hoogte bevond dan dat we aanvankelijk dachten. Toen we er achter kwamen liepen we nog steeds op rivierniveau, Tolkka torent hoog boven ons uit. Hoe komen we daar in vredesnaam?
We klauteren eerst wat omhoog door de dichte jungle. Veel uitstekende rotsen maken verder klimmen aardig onmogelijk voor ongeoefende klimmers als ons. De energie ebt na een uur of zeven aardig uit mijn lichaam weg. Dat al op de eerste dag! Zodra de jungle wat minder dicht wordt, zien we bergopwaarts Tolkka liggen, slechts een berg van rijstterrassen moeten we nog bedwingen. Echter die rijstterrassen zijn niet voorzien van trappetjes en de gemiddelde treehoogte van terras naar terras komt toch aardig in de buurt van mijn eigen lengte. Met andere een kwestie van jezelf een aantal keren flink omhoog hijsen. Ik hoop maar dat dit de goede weg is naar Tolkka. Als we om de weg vragen, worden we aangekeken als we van een andere planeet afkomen. Staren, lachen, Engels begrijpen ze niet. Ze begrijpen waarschijnlijk ook niet waarom we niet gewoon de trail hebben gevolgd. Ik ook niet, want de rijstterrassen omhoog klauteren was geen pretje. Een jongetje, ik schat hem 8 jaar oud, begrijpt dat we fout zijn gelopen. Zonder te praten, ook niet in Nepalees, zonder een reactie te geven op ons gebrekkige Nepalees, gebaart hij dat we hem moeten volgen. Hij loopt een uur voor ons uit, van rijstplateau naar rijstplateau, continu op ons wachtend omdat we weer buiten adem zijn. ‘Tolkka” zegt hij plots. We zijn back on the trail. Hij vraagt niet om geld, wil al weg lopen. Ik roep hem terug en geef hem tien rupees, zo ook Charlie en Casper. Hij vertoont een grote glimlach op zijn gelaat. Hij is blij en we hebben hem dus niet beledigd door onze porto te trekken als zijnde een filthy rich tourist.
We hebben vier uur omhoog geklauterd, van rice paddie naar rice paddie. Volgens de GPS hebben we ca 1.000 meter geklommen. De energie is totaal weg, mijn benen willen niet meer, alles doet pijn, mijn lichaam is totally wasted! Met intens genot eet ik in Tolkka mijn bordje Dhal Bhat, de meest saaie maaltijd, maar o zo voedzaam: rijst met linzensoep. Als ik even naar mijn benen kijk of ik nog ergens een wondje heb, blijkt dat mijn sokken compleet rood wegkleuren. Als ik ze omhoog trek, heeft een familie van vijf bloedzuigers mijn beenhaar tot hun schuilplaats gemaakt. Gitzwart, aardig volgeladen met bloed. Mijn bloed! Een behulpzame gids, welke met een ouder paar meeloopt, pakt een aansteker uit zijn broekzak en brengt de vlam dicht bij de beestjes, die spontaan loslaten. De wondjes in mijn benen zijn behoorlijk groot en het duurt nog zeker een paar uur voordat de bloedstroompjes langs mijn voeten compleet stil staan. Zeven uur in de Annapurnas, een afstraffing!
Volkomen kapot en even zo zeer vastberaden gaan we nog een keer de paden op om een dorpje verderop, Landruk, een slaapplek te vinden in een van de berglodges. Er is geen electra, kerosine lichtjes verlichten de kamer. De bedden zijn hard, red. de matras is filterdun, de nacht was ijskoud, ik ben erg blij met mijn thermo slaapzak.
Dag 2 van de trekking begint met de nodige pijn, alles in mijn benen zit muurvast. De trail vervolgt zich in de richting van Chromrrong, waar we overnachten in de captain’s lodge. De dag bood qua natuur weinig nieuws ten opzichte van de eerste dag. We begeven ons nog steeds in het dichtbegroeide bos. Alleen kent de trail vandaag een meer stijgende trend dan gisteren. De eigenaar van de Captain’s Lodge is nog een echte kapitein ook. Hij zegt althans een Gurka capitain geweest te zijn in het Brits-Indische leger, welke in zijn tijd veel oorlogen heeft gevoerd tegen de Chinezen. Hij geniet nu van zijn pensioen, waarbij hij iets om handen wil hebben en dus maar een berghut runt in de Himalaya. Echt geloven doe ik hem niet, totdat hij een vergeelde foto uit de kast haalt welke de beeltenis van een man vertoont in een uniform. De gelaatstrekken van de nog jonge man lijken erg veel op de man welke nu voor me staat en met trots de foto laat zien. Foutje! Uitgeput die middag is Dal Bhat weer de zeer welkome maagvuller.
De tocht vervolgt zich van Chomrrong via Bamboo Lodge naar Himalaya Base Camp. De trail wordt al een stuk veelzijdiger. Als snel komen we bij een brug aan welke uit niets minder dan een boomstam bestaat. Eindelijk komen de lessen op de lagere school op de evenwichtsbalk van pas. Alleen heb ik nooit verwacht deze lessen moet toepassen met een dergelijk risico. Het riviertje waarover de ‘brug’ is gelegd, stroomt er tien meter onder door. De schuimkoppen welke gevormd worden doordat het riviertje sneller stroomt dan goed is voor mijn eigen zenuwen en hier en daar ruw wordt onderbroken door in de rivierbedding gelegen keien, zorgen ervoor dat ik met zweet in mijn handen de poging waag. De voeten haaks op de boomstam plaatsend, voetje voor voetje verplaatsend, ben ik me ervan bewust dat dit een van de hachelijkste situaties is, waar ik tot nu toe gedurende deze reis tegen aan gelopen ben. Opzij, sluit aan, opzij, sluit aan. Casper loopt erover heen alsof het dagelijkse kost is, Charlie houdt meer mijn snelheid aan, wetend dat een misstap een enkeltje Pokhara is per helicopter.
Eenmaal de overkant bereikt, zetten we flink pas in de richting van Bamboo Lodge. Al gauw blijkt dat de timing qua afstanden te lopen en de tijd welke er normaal voor benodigd is zoals vermeld in de Lonely Planet, van geen meter klopt. Of we lopen te snel of de data zijn gebaseerd op 50-plussers. Ook de borden geplaatst door ACAP waarop de afstanden in kilometers staan vermeld, hebben het vaak mis. In ieder geval begint de conditie op dag drie van de trekking aardig gestalte te krijgen, de uren per dag gaan gepaard met aanzienlijk minder vermoeidheidsverschijnselen. Dag drie bleek uiteindelijk zeven uur buffelen te zijn, waar we vlak voor de plek van bestemming nog een aantal obstakels op onze weg tegen komen: landslides, waar we tot onze enkels in de modder wegzakken, lawines waar we continu wegglijden doordat de sneeuw verijst is en verse lawines. Hier en daar hoor ik het tegen het einde van de middag ook flink rommelen. Her en der zie ik sneeuwmassa’s wegdonderen van bergwanden, welke gelukkig ver weg zijn.
Eenmaal in Himalaya aangekomen rammelt de maag behoorlijk, dus ik bestel maar weer de locale haute cuisine, Dal Bhat. Tegen over me zit een meisje, wier leeftijd ik op 25 jaar schat. Al hakkelend loopt ze haar bord plain rice naar binnen te werken. De lepel komt slechts halfvol bij haar mond aan. De waterfles brengt ze al heftig trillend naar haar mond. Rood aangelopen en half verstopt in haar fleeze trui kan ze niet meer woorden uitbrengen dan: “I sick!”. Ik vraag haar: “Did you come up today or are you heading down?”. Down!, is haar antwoord. Er staat me dus nog heel wat te wachten qua momenten van afzien is mijn gedachte dan. De dekbedden zijn juist gewassen, dus ik kan de nacht in gaan met een schoon dekbed over mijn slaapzak. Twee Amerikanen maakten twee Nepalis erg ongelukkig. De Amerikanen hadden geen slaapzakken meegenomen en ja ook hier is de gast koning, dus alle resterende slaapzakken werden verdeeld onder de betalende klanten. De locals hadden in ieder geval nog een heftige woordenwisseling met de eigenaar maar het mocht niet baten. De klant is koning.
In Himalaya worden we omgeven door talloze rivieren. Je hoort ze van alle kanten, net als in de jungle je krekels van alle kanten hoort. ’s Nachts in de dormitory word ik in slaap gesust met een kalmerend geluid van de rivieren op zoek naar de uitgang, op zoek naar vrijheid en rust. Weg van alle te nemen verplichte hindernissen, tot het moment komt dat ieder stroompje in alle vredigheid alsnog opgaat in de massa.
Himalaya, zijnde een settlement opgericht om trekkers onderdak te bieden, bestaat uit twee guest houses op een klein plateautje van zeg maar tien bij tien meter. Bamboo Lodge, een stukje meer down the mountain, telde nog vier guest houses. Iets lager gelegen, betekent in dit geval iets dichter bij de bewoonde wereld. Iedere keer dat ik verder van de trailstart kom, stijgen de prijzen uiteraard mee. Alles moet namelijk ook door porters hier heen gesleept worden. Sommige toeristen protesteren hier heftig tegen bij de guest house owners. Nutteloos vaak, aangezien de prijzen vastgesteld zijn door ACAP. Tevens beklemt mij dan ook gevoel dat ze niet zo moeten zeuren.
De vierde dag begint met het oversteken van een riviertje waarover geen brug geplaatst is, maar wat wil je ook als je boven de 3000 meter zit. Ik verplaats mijn voeten van steen naar steen, de ene steen ligt wat stabieler in de snel stromende rivier dan de andere. Terwijl ik mezelf in balans probeer te houden en niet languit op mijn gat in de rivier wil belanden, gaan mijn gedachten terug naar Xiahe, China waar ik in 1997 met Ron een soortgelijk obstakel op mijn pad vond. Alleen toen kregen we een letterlijk een handje van een aantal jonge Tibetanen. Nu moet ik het zelf doen. Na de rivier verdwijnt de trail langzaam maar zeker en begint het klauterwerk over steenlawines en verse naar beneden gegleden sneeuwmassa’s. De weg die ik moet volgen loopt parallel aan de lawine, de helling van de lawine is dusdanig steil dat ik na iedere tien passen even op adem moet komen, ook al omdat de hoogte parten begint te spelen. Eenmaal in MBC zal ik me op 3750 meter hoogte begeven.
Plots krijg ik de schrik van mijn leven als ik mijn benen onder mijn lichaam zie wegzakken, met de volle lengte in een gat verborgen onder de sneeuw. Een spelonk, ik weet niet. Maar ik vind dit niet leuk. Mijn trekkingsmaatjes lopen een beetje achter me. Ik vind dit niet leuk. Maar ik weet weer vaste grond onder voeten te krijgen na een uiterste krachtsinspanning, alhoewel vaste grond?
Na vier uur flink zweten bereiken we MBC. Een schitterend aanzicht op Macchupuhhare mountain valt me hier ten deel. Het unieke van deze berg is dat deze twee pieken heeft, de top van de berg lijkt dan ook op een fishtail, vandaar de naam in het Nepalees. Morgen sta ik aan de voet van deze berg op 4200 meter, terwijl de piek dan nog 2,5 kilometer hoger ligt. Ook de berg Annapurna twee moet dan goed zichtbaar zijn en deze berggigant heeft een piek boven de 8.000 meter.
In MBC zijn er drie lodges welke kris kras over de rotsen verspreid staan. Ik neem mijn intrek in Cosy Lodge, waar de eigenaresse erg persoonlijk met haar gasten omgaat. Altijd glimlachen, met iedere nieuw gearriveerde trekker maakt ze een babbeltje en altijd bezorgd als iemand zijn hoofd op de tafel laat rusten uit angst voor AMS (acute mountain sickness). Gelukkig speelt de hoogte nog geen al te heftige spelletjes met mijn hoofd.
Rond een uurtje of twee in de middag zijn Charlie, Casper en ik de enige toeristen in de lodge. De eigenaresse en haar voltallige personeelsbestand, bestaande uit zes man, omringen ons onderuitgezakt op de bank, ons star aankijkend. Later in de middag arriveren er meer trekkers.
Terwijl anderen aan het kaarten of schaken zijn, lees ik wat in mijn boek “Annapurna” en observeer hoe jonge jochies de boel schoon houden. Ze nemen ook de bestellingen op van de rijke toeristen, welke ze erg rap verwerken. De cosy lady zit de jochies met stemverheffing dan ook flink achter de broek. Een groepje oudere locals zorgt voor een intieme sfeer door Tibetaanse liederen te zingen. Hun gezang wordt zo tegen zonsondergang echter bruut onderbroken door een hagelstorm waarbij de hut getroffen wordt door hagelstenen zo groot als knikkers. Een Nederlandse plantenkas had het niet overleefd, de hutten hier zijn van hout en zullen wel meer gewend zijn.
Ik begin me te irriteren aan een Fransman naast me, welke zijn spraakvolume wel iets zou kunnen temperen. Een lichte hoofdpijn komt naar boven, nu maar hopen dat het geen AMS is zoals in Tibet. Ik besluit die avond er vroeg in te duiken, het lichaam rust te gunnen in de hoop dat ik morgen de laatste stijgende loodjes hoofdpijnloos kan afleggen. Het zal ijskoud worden vannacht, de slaapzak wordt nu echt getest.
Koninginnedag! Terwijl in Nederland iedereen stronken rondloopt, maak ik me klaar voor de finale klim naar ABC, Annapurna Base Camp. Gisteren hadden we de eeuwige sneeuw bereikt. Na uren zwoegen over rotspaadjes, terwijl de jungle me nog niet los wilde laten. Na een tijdje stond ik oog in oog met een gevallen lawine, welke ik over moest steken. Vandaag zal de tocht zich alleen maar door de sneeuw voortzetten. De tocht zou vandaag maar twee uur moeten duren, terwijl de pieken dichterbij komen en de macht van de Himalaya nu pas echt duidelijk wordt. Dit zijn geen Alpen, waarbij je de top per cabinelift kan bereiken. Op deze pieken is menig mensenleven gesneuveld voor dat ene moment van glorie. Hier en daar zie ik expedities omhoog klimmen, compleet met draagyaks en sherpa’s, voor wie deze bergen niets meer dan een speeltuin zijn. Voor de sherpa’s berust het bereiken van weer een top om niets meer dan geld, want de Westerlingen hebben de sherpa’s hard nodig om ook omhoog te komen. Persoonlijke prestaties, persoonlijk verlangen naar een hoger (letterlijk) doel, heeft de Buddha tot belemmering verweven om je Nirvana te bereiken.
Ik schrik me plotseling het leplazerus als ik een enorm gedonder rechts van me hoor. Blijkt er een sneeuwmassa van een bergrug te donderen. Gelukkig sta ik er ver genoeg van af om niet gegrepen te worden door de lawine. Het lawaai hoor ik als we verder pas zetten naar ABC nog vele malen.
Mijn persoonlijk moment van glorie hoop ik in ABC te vinden. Het pad is ondergesneeuwd, er ligt een verse laag poedersneeuw. Dus we volgen een moeilijk zichtbaar spoor van ondergesneeuwde voetsporen. Ik loop inmiddels puur op gevoel in de hoop dat we de juiste kant op gaan. We begeven ons op een plateautje wat lichtelijk stijgt, in de verte wordt de logische looplijn onderbroken door een relatief smalle doorgang tussen twee bergruggen. Drie kobaltblauwe vogeltjes vliegen voor ons uit, alsof ze ons de weg wijzen naar de smalle doorgang. Zodra we zicht hebben op base camp zijn de vogels uit het zicht verdwenen. Hun taak is volbracht. Onderweg zie ik een paar bloemen net boven de sneeuw uitsteken, welke zich hebben geworteld op de rotsen.
In ABC aangekomen worden we door de reeds aanwezige trekkers aangemoedigd om de laatste trappen naar een van de twee guest houses te bedwingen. Oh my God, het lijkt een simpele trap welke ik nog op moet, maar ik ben totally exhausted. Ik kan nauwelijks meer mijn voeten voor elkaar zetten. De reden hiervoor is simpel, sneeuwballen gooien en met name het trachten het ontwijken ervan op deze hoogte speelt grote parten voor mijn ademhaling. De lodges bestaan uit niets meer dan resterende fundamenten van wat ooit een compleet huis moet zijn geweest. De muren staan nog, de daken zijn geïmproviseerd uit riet, plastic en hout. Ramen zijn er niet, dus het kan lekker doorluchten vanavond. De kamers worden van elkaar gescheiden door bamboerieten tussenschotten.
Na onze backpacks te hebben gedropt en een maaltijd genuttigd te hebben, beklimmen we nog een keer een heuvel om de ideale view te krijgen over zo veel als mogelijk 8.000+ meter pieken. De heuvel is erg steil en we klimmen puur door de sneeuw, drie stapjes naar voren en twee terug. Een uur of twee klimmen, eer we uitkomen bij een rotspartij waardoor het klauteren iets makkelijker verloopt. Op een gegeven moment vind ik het wel welletjes en ga op een uitstekende rots zitten en aanschouw het spektakel om me heen. Ik zal me nu op zo’n 4.500 meter hoogte begeven. Overal zie ik 8.000 meter pieken boven me uit torenen. Stel je voor dat je op de top van Mt. Blanc staat en je kunt nog een goeie Alp er bij optellen, dat zijn de Himalaya’s. Hun pieken zijn nog super scherp, daar het een jong gebergte is. De mooiste piek van allemaal is de Macchupuhhare, de fishtail. Ergens in de hoogte weerkaatsen de zonnestralen op haar piek en verwennen mijn ogen. Het plaatje is perfect. Als de zon er helemaal boven uit steekt, blijkt dat van deze kant bekeken, de berg helemaal vertikaal loopt. Een grote klimmuur. Overal om me heen sijpelen tientallen watervalletjes naar beneden, ik zie en hoor rotspartijen naar beneden donderen. Er steekt een iets te frisse wind op na een uurtje of zo. Ik besluit mijn nu nog zichtbare schaduw te volgen naar beneden. Snoeihard op mijn kont wel te verstaan, hier en daar uit de sneeuw stekende rotspunten trachtend te ontwijken. Totaal doorweekt en verkleumd kom ik aan in de lodge en warm me op aan een hot lemon en mijn handen aan een hond, die toch nog wel wat aandacht kan gebruiken.
Na 5 dagen is ABC bereikt, 5 dagen klimmen, dalen, klimmen, klauteren en koukleumen, vooral ’s nachts. Maar het resultaat mag er wezen. Een schitterende vallei, een schitterende berg, een schitterende ervaring. Bij ieder door de wolken voor een seconde verschijnend zonnestraaltje veer ik op en tracht nog een keer de fishtail in me op te nemen. De zonsondergang is een waar spektakel als het oranje vlak op de piek langzaam omhoog kruipt en een donkere leegte achterlaat. De eens o zo zware rugzak is ook geen last meer voor mijn schouders, de zenuwen zullen waarschijnlijk dicht gevroren zijn.
De dag erna verlaten we ABC. Een tough American trekker tracht nog even voor de gein de vrachtlading van een zeer jonge porter, ik schat hem niet ouder dan vijftien jaar, op zijn rug te krijgen. Hij gaat zitten op een rotsblok, bevestigt de draagband op zijn voorhoofd en tracht overeind te komen. Fat chance!
We starten onze ‘dagwandeling’. Casper en Charlie lopen al snel ver voor me uit, ik geniet nog na van de schitterende omgeving. Ik zie ze nog ergens in de verte en verwacht wel dat als we straks weer de lawines moeten oversteken dat ze even zullen wachten, net als ik de vorige keer op hun toen ik bij de beklimming ervan continu voorop liep. Maar niets is minder waar, ze zijn doorgelopen, wat mij lichtelijk irriteert. Nu sta ik alleen in de Himalaya’s. De meeste mensen vertrekken pas later weg uit ABC, dus daarop hoef ik niet te wachten. Stapje voor stapje probeer ik de lawine, welke meer ijs omvat dan sneeuw en nu schuin naar beneden loopt, zonder kleerscheuren over te steken. Echter, links van me gaapt een lange weg naar beneden met veel rotsen door de sneeuw heen stekend. Gewoon recht vooruit kijken en vooral niet denken wat er fout kan gaan. Gewoon rustig aan.
Maar keer op keer glijd ik uit en kan me nog ergens vasthouden aan een rotsje of de zeer schaarse graspollen, welke af en toe door de sneeuw steken. Ik vloek continu, wordt boos, nee woedend op Casper en Charlie hoe heerlijk onverantwoordelijk ze zijn, door zo hard door te lopen en niet op de kritieke punten heel even te wachten. Ik glijd weer uit. F***!, F***!. Nu ga ik wel echt naar beneden. Een rots nadert, een rots nadert. Met mijn voeten probeer ik op de rotsen mijn vaart te kunnen minderen. Het lukt. Twintig minuten later sta ik weer in de jungle op de eenvoudige paden.
Een Nepalese porter in vol ornaat, lees veel meer bagage dragend dan goed is voor zijn rug, biedt me de zeer welkome hand over een zeer smal trappetje. De porter gaat bergopwaarts. Ik ga in de regen, welke als een waterval uit de hemel valt, verder met de vraag waar Casper en Charlie nu zijn.
Na 1.500 meter dalen vallen de trappen naar The Captain’s Lodge, Chromrrong me erg zwaar. Nog vlak voor het beklimmen van deze Stairway to Heaven, ga ik nog dusdanig door mijn enkel zodat het me niet minder dan twee uur kost, in de stromende regen, met veel gevloek, eer ik de rustplaats bereik. Een biertje maakt me weer rustig, maar Charlie en Casper gun ik geen blik. “You needed the beer”, zegt Casper nog. Ik heb zo iets van “donder op joh” en wil ze es hard de waarheid vertellen over hun onverantwoordelijke gedrag. Je trekt met elkaar door de bergen om een beetje op elkaar te letten, maar dit … Bwaah, ik wou dat ik het ze hard in hun gezicht kon vertellen, maar het komt er niet van. Gelukkig ontmoet ik al snel een Nederlands stel uit de Amsterdamse Pijp dus ga ik lekker converseren in het Nederlands, hoef ik ook even geen aandacht te schenken aan Casper en Charlie. Zij besluiten nog dezelfde middag door te gaan naar Jinu, zodat ze de volgende ochtend vroeg nog in de hotsprings kunnen badderen. Have fun, ik ga nergens heen, ik ben leeg, ik ben op, ik ben kapot, ik kan niks meer. Mijn enkel wil ook even niks meer. Morgen ontmoet ik ze om 9.00 uur ’s ochtends in Jinu, zo niet, dan lopen we elkaar tegemoet. Hebben ze dus toch een gevoel van trekking partnership? Ik eet die middag de beste pizza die ik ooit heb gegeten, geniet van de lekkerste warme douche ooit, ook al viel het licht halverwege uit net nadat ik me heb ingezeept. Ik heb een six bed dormitory voor mezelf. Ik val als een baksteen in slaap.
De volgende ochtend praat ik met de The Captain over zijn familie, dat hij zich heeft ontfermd over de kinderen van zijn jong overleden broer en ze een nieuw thuis kon geven. Een zoon van hem woont in Japan, sommige dochters in India, maar een ieder van hen belt hem ten minste een keer per week, no matter where they are. Ik zie de ontroering in zijn ogen, als hij praat over de liefde die al zijn kinderen hem hebben gegeven en nog steeds geven, al wonen ze niet bij hem in hetzelfde bergdorpje in de Annapurna’s.
De benen willen weer dus ik ga als een speer op weg naar Jinu. Van daaruit gaan we proberen om nog vanavond terug in Pokhara te komen. Dus bye bye Captain. Ik neem nog een foto van hem zodat ik het gezicht van deze bijzondere man niet zal vergeten. In Jinu staan Casper en Charlie al klaar. Het dalen gaat nu gelukkig veel makkelijker. Tegen de tijd dat we laatste trap omhoog beklimmen, de trap naar de main road door Nayapul, begint het weer hard te regen. Nog even de stempel bij de controlepost verkrijgen zodat we geregistreerd staan als zijnde ‘park verlaten’. Het bergavontuur zit erop.
Na een nacht goed doorslapen begeef ik me weer in mijn vaste ontbijtstek, The Pumpernickel Bakery, gelegen aan het meer welke in hartje Pokhara ligt. De Annapurna pieken laten zich hier en daar nog door de wolken heen zien, terwijl diverse Buffalo’s nieuwsgierig kijken hoe ik mijn ontbijt nuttig. Het verlangen naar bergen zal weer gestild moeten worden in India. Die middag boek ik een busticket naar Mahendrenagar, de grensplaats met India. De busrit zal me door geheel Nepal voeren, Nepal over de hele zeg maar. In de middag baan ik me een weg te voet naar Devi Falls. Onderweg ontmoet ik een Belgische dame uit Turnhout. Ze sprak geen woord Nederlands meer, het leek wel alsof ze het verleerd is. Ze had haar baan als Art Teacher opgezegd om meer geluk te vinden, middels reizen. Ze probeert hier en daar een beetje jong mee te praten, ik schat haar zo’n 35 jaar.
Ze lijkt een beetje wasted over te komen, alsof ze geen lol meer heeft in reizen. Misschien is ze al te lang op reis. Maar ze is wel gezellig gezelschap. Na de kaart in de reisgids diverse keren te hebben geraadpleegd en aan diverse locals de weg te hebben gevraagd, besluiten we dat The Devi Falls niet gevonden willen worden. In plaats daarvan trachten we de Peace Pagoda te vinden. Erg vervelend dat we dan eerst een heuvel van 600 meter moeten beklimmen, de spierpijn begint namelijk \weg te trekken. Onderweg passeren we nog een lagere school die en masse voor ons uitloopt. It’s playing hour sir, zegt de bijdehandste als ik vraag of ze niet naar hun klas moeten. Echter, ze volgens ons voor minimaal 2 uur. “Isn’t playin hour over guys?”, vraag ik. Geen reactie.
Het uitzicht op de top van de heuvel kan niet worden vergeleken met dat van Nagarjun, maar toch is het mooi om Pokhara van bovenaf te bekijken. Na met een bootje naar hartje Pokhara terug te keren, vraagt bij het aanmeren een jochie van nog geen acht jaar oud of hij me mag scheren. First try it on yourself boy.
Malai Nepal Man Parcha! This is life, so you’d better enjoy it!
Mijn Bristol-schoenen hebben zich bewezen, alle spieren in mijn benen doen pijn, mijn lichaam is bezaaid met muggenbulten, mijn neus vervelt pijnlijk, veel mensen ontmoet, veel gelachen maar ook gevloekt, maar boven alles heb ik deze eerste maand genoten van mijn vrijheid hier in Nepal. Mijn eerste maand van mijn jaar weg uit de realiteit. Mijn eerste maand van wat mijn droomjaar moeten worden.
Morgen, terug naar India, 20 uur bussen dwars door de Terai. Vanaf Delhi zat het weer heet worden. Of in de woorden van Sarah, een Engelse dame van 28 jaar: “het is zo heet dat zelfs kamelen het loodje leggen”.