The Long & Winding Road

The Long & Winding Road

Rishikesh – India, 2000

Op de tweede dag in the holy city Rishikesh besluit ik zo maar een stuk te gaan lopen. Ergens op de top van een heuvel zou zich namelijk een tempeltje bevinden. Ik vraag aan een local of ik links af of rechts af de Ganges moet volgen. “Rechts!”, zegt hij ferm. Ik volg een pad wat al snel overwoekerd raakt met gras, maar in de verte doemt het derde stadsgedeelte van Rishikesh voor me op. Volgens de kaart moet ik gewoon rechtdoor het stadje uitlopen en dan ‘immer gerade aus’. Ik sla nog snel wat water in en zet de pas er goed in. Ik zie de kilometerspaaltjes aan me voorbij gaan. 2, 4, 6, 8. Het gaat goed.

De Ganges ligt inmiddels ergens ver onder me, aangezien de weg flink steil omhoog loopt. Hier en daar passeert een al dan niet gemotoriseerd voertuig me. Hier en daar zwiert een aap door de bomen aan me voorbij. Op een gegeven moment denk ik ratelslangen te horen. Het benauwt me. Wat moet ik doen als dat beest me achterna komt of voor me de weg op schiet? Er loopt een local achter me en dat geeft me een beetje een veilig gevoel. Gelukkig zijn even later de so be ratelslanggeluiden weg. Een passerende auto laat een stofwolk achter die me recht in het gezicht treft, zodat ik even aan het klooien ben met mijn lenzen.

Even verder op zie ik wat houten bouwvallen staan. In een van deze verkoopt een jongetje Chai. Een goed moment voor een eerste break. Deze jonge ‘eigenaar’, hij blijkt nog geen tien jaar te zijn, meldt mij dat het nog zeker 18 kilometer lopen is naar de tempel. Maar uiteraard wordt me, tegen betaling, een lift aangeboden. De jongen ontpopt zich, als ik mijn weg lopend wil vervolgen, tot pen- en geldvrager. Hij achtervolgt me zeker een kilometer, terwijl het zweet langs mijn voorhoofd, buik en rug naar beneden gutst.

Little boy

These streets are always filled with joy
People are working from six till ten
Everybody is there including this little boy
He’s no older than six but act as a little man

His hands show the impact of hard work
His mind is set on how to survive
He’s from the street and will never be a clerk
The first person he loves will be his wife

He’s got no parents, he’s got no home
He’s got no money, he’s got no dream
Though he will probably never be alone
He is stuck forever in the same stream

His face is always smiling
He doesn’t matter leading a poor life
He’ll be the same until his dying
He’s feeling rich if he has something to eat with a knife!

Voetje voor voetje beklim ik de volgende heuvel, er lijkt geen einde aan te komen. De kilometerpaaltjes lijken de weg kwijt te zien. Deze maken namelijk nogal vreemde sprongen: terug naar 2, 4, 2, 80…. Eeh, misschien zijn het geen kilometerpaaltjes?

Iedere keer als ik een chai standje passeer, wenst een sadhu me een ‘save journey’ toe. Wat staat me dan in vredesnaam nog te wachten? Na nog twee uur lopen zie ik de tempel op de top van een heuvel staan. Blijkt het geen ene **** voor te stellen. Ik drink een halfkoude Mirinda en pak wat snoepjes uit mijn kleine rugzakje, welke me meteen zeer geliefd maken bij de kleine kinderen die op de bus terug naar Rishikesh wachten.

Een lelijke hond tracht aandacht te krijgen van een mooie hond. De een wil spelen, de ander niet. Hij (of zij) laat zich vallen als hij (of zij) wil liggen, kan nauwelijks meer lopen, waggelt heen en weer bij het minste zuchtje wind. Een teek zo groot als een golfbal heeft zich in zijn huid genesteld, er steken allerlei wormvormige dingen uit zijn lijf, zo groot al een worm, zo gerimpeld als een worm, maar niet op de plekken waar je tepels (in het geval van een ‘zij’) verwacht. Dus, wormen?

De mensen zijn verbaasd zo ver buiten Rishikesh een toerist te zien en dan nog alleen ook. Ik plant mijn eerste Nederlandse vlaggetje, welke ik van Ron vlak voor vertrek heb gekregen, in de berm terwijl ik wacht op de bus welke me terug naar Rishikesh zal brengen.

In mijn inmiddels vaste restaurantje in Rishikesh, Ram restaurant, is het een komen en gaan van Indiase families welke hier op vakantie zijn. Zo ook na deze intense wandeldag. Ook een flink aantal toeristen heeft dit gezellige restaurantje tot vaste prik gemaakt, ik kom hier dus veel dezelfde mensen tegen. Maar wat wil je ook, het eten is goed, de bediening is vriendelijk en na een tig keer gast geweest te zijn, schreeuwt de bij de deur zittende restaurant propper ook niet meer naar me. Hij begroet me en binnen een mum van tijd wordt me een smakelijke maaltijd geserveerd. Alleen de eigenaar zit een beetje norsig voor zich uit te kijken aan de kassa met zijn hoofd schuin gebogen. Ik kan me ook niet herinneren dat hij zijn nek ook maar een keer recht omhoog heeft gestoken. De proppers van de diverse nabijgelegen restaurants schreeuwen echter iedere keer als ik voorbij loop, harder naar me.

Plaats een reactie