Mezelf leren kennen
Pokhara, Nepal – 2000
Kaartjes met stoelnummers zijn overbodig gedurende de busrit van Kathmandu naar Pokhara. De buschauffeur wijst de stoelen aan. Dit leidt tot een flink aantal uitingen van woede van de buspassagiers. Want haast niemand kan naast degene zitten met wie ze de reis maken. De buschauffeur kan zich na tien ‘heftige’ klachten ook niet beheersen. Zijn gezicht staat op oorlog, de woorden komen vel uit zijn mond. ‘En nu allemaal smoelen houden’, lijkt hij te schreeuwen. Vele passagiers moeten van plek wisselen op het moment dat een flinke groep mensen in Pashupatinath instapt. Ik mag blijven zitten. Mijn nieuwe voorbuurman zorgt er wel voor dat de stoel voor me een hoek van 130 graden maakt, zodat mijn knieën deze rit flink uitgetest zullen woorden. Ik hoef toch niet te hopen ergens nog een beetje slaap of rust te krijgen want een viertal Nepalis besluit gedurende de reis Vishnu, in al zijn grootsheid, eer aan te doen met een twee uur durend lied.
In Pokhara aangekomen barst een volgende oorlog uit, dit keer tussen 12-jarige jochies, die mij graag in de beste hotelkamer van Pokhara zien zitten. “Only 15 US$ sir”. “Sorry, I can only afford 100 Rs”, oftewel 1,5 US$. “OK, let’s go!” Uiteraard bestaat in het hotel het beloofde uitzicht op de Annapurnas niet. Sterker nog, het regent pijpestelen. De lucht is grijs. Er valt niks te zien, behalve Man United – Chelsea in een pub-bar-restaurant, waar circa honderd Engelse toeristen zitten te kijken. Een biertje erbij, je kan het erger treffen in het leven.
De volgende ochtend kleurt de hemel blauw. Ik neem plek bij een bakery aan het meer met inderdaad zicht op de haartopjes van de Annapurnas,. Deze steken net boven de op de voorgrond gelegen heuvelrug uit.
Een wereld van verschil: Pokhara en Kathmandu. Zo rijden er nauwelijks auto’s meer, het centrum is niets meer dan een grote straat, met hotels, restaurants, cybercafe’s, winkels. Geen wirwar meer van drukke straatjes. Geen onriekende geuren meer welke je om de haverklap bedwelmen. Het is geen Nepal meer. Er zijn diverse tuinrestaurantjes, welke uitkijken op een groot meer. Op de achtergrond laten de Annapurna pieken zich een beetje vroeg in de ochtend bekijken, voordat de moessonwolken ze verbergen. Genietend van mijn dagelijkse ontbijt bij de Pimpernel Bakery, hoor ik op een dag een soort van schreeuw, een lokroep van een grote Yak. Een iet wat kleinere Yak reageert hierop, door een paar passen in de richting van de grote Yak te maken, waarna ze met de halzen in elkaar verstrengelt raken. Ze bewegen de halzen seconden lang tegen elkaar aan, af en toe gemengd met Eskimo geneuzel. Zo rustig als het leven hier is, als de beesten elkaar begroeten, zo haastig het is in Nederland. Ik ben op reis. Zodra ik weer een hapje van mijn brownroll met cream cheese wil nemen, hebben drie kleine vogeltjes mijn ontbijt als land- en vertrekplaats gemaakt. Bon appetit guys.
De eerste twee dagen ben ik op zoek naar trekkingsmaatjes voor de tocht naar Annapurna Base Camp, kortweg ABC. In vele guest houses hebben andere ‘zoekenden’ contactadvertenties geplaatst. Ik reageer op die van Charlie, een Engelse student. Een heel rustige jongen. Later voegt zich nog een Brit bij ons, Casper. We praten rustig wat met elkaar, geen van ons blijkt serieuze ervaringen te hebben met het fenomeen ‘trekking’. Casper blijkt al gauw een beetje de sfeermaker te zijn, hier een grap, daar een grap. Charlie is wat serieuzer, heeft zijn hele leven al ingepland, weet precies wat ie wil, economie studeren met als logisch vervolg een goed betaalde baan. Casper is meer een figuur van ‘ik-zie-wel’. Aansluitend op de trekking gaat hij naar een klein dorpje ten oosten van Kathmandu, om daar aan een groep Nepalese jongeren Engels te leren.
De dag voordat de trekking aanvangt ga ik de nodige voorbereidingen treffen, wat betreft de uitrusting.
• Huur van jas en skistok a 60 Rs per dag
• 2000 Rs borg
• Waterfles en handschoenen 220 Rs
• Trekking permit 1000 Rs
• Iodine, ORS, Vitamine C pillen 200Rs
• Boek, wc papier, snickers 500 Rs
De Snickers blijken later een ware life saver te worden. Ik weet dat ik het nu me zelf erg gemakkelijk maak gedurende mijn reis. Voldoende toeristen om me heen om me niet eenzaam te voelen. Iedereen is erg open-minded. Maar toch heb ik af en toe moeite om de eerste contacten te leggen, durf ik niet op mensen af te stappen, heb ik niet die ene knaller van een opmerking als binnenkomer. Morgen ga ik met Charlie en Casper de trekking doen, daarna volgt alweer een afscheid. Continu ontmoet ik mensen, die ik vervolgens na een paar dagen weer gedag moet zeggen, omdat elkaar reizigerspaden niet dezelfde route volgen. Dit zal zo de hele reis doorgaan. Iedere stad, iedere busrit opnieuw. Maar hier ligt voor mij juist de uitdaging, om mezelf te overtuigen dat ik het kan, dat ik mezelf all by myself kan redden.
Wel word ik steeds blijer en sta steeds meer achter mijn keuze om deze reis, dit grote avontuur, in mijn eentje aan te gaan. Hoewel ik me af en toe eenzaam voel. Als ik zo nu en dan mensen alleen zie lopen heb ik het gevoel :”Hé, ik ben niet de enige!.” Ik weet dat dit de tijd is om me zelf te leren kennen, mezelf te ontwikkelen tot de mens die ik echt ben. Nu moet ik alleen die barrière doorbreken, op mensen afstappen, het gesprek aanbinden en het gesprek gaande houden. Ik moet me niet meer langer verschuilen achter andermans vlotte babbel.
Ja, in Pokhara voel ik me, ondanks mijn ontmoeting met Casper en Charlie, af en toe eenzaam. Zittend aan het meer, turend naar die ene visser, gaan mijn gedachten dan ook regelmatig terug naar Tibet. Die cultuur, de mensen hebben me echt gegrepen. In Dharamsala, India (McLeod Ganj) hoop ik nog meer over de cultuur, over de historie, over de mensen te weten te komen. De mensen hebben als volk zijnde zo veel pijn meegemaakt, dat je je eigen pijn in één keer vergeet. Alles valt dan te relativeren.
Ik kijk veel te ver vooruit. Ach ja, ik was natuurlijk een planner van beroep! Ik ben nu al bezig in gedachten wat er gaat gebeuren na de trekking. Weer alleen of reis ik verder met Charlie en/of Casper? Ik moet meer genieten van het moment, van het nu! Meer genieten, meer leren van de mensen die ik nu om me heen heb. Groeien op persoonlijk niveau in een gezonde interactie. Ik moet gaan leren genieten van het nu. I hear ya Manon! Ik weet ook wel dat ik zo mijn momenten heb, de ene keer spontaner juist als ik rust wil, maar soms ook meer gesloten als ik juist interactie wil. Maar ook geniet ik soms van het moment met niemand om me heen. Ik en de natuur, de mensen, de krioelende stad om me heen waar ik doorheen kruis. Ik zie wel hoe ik terugkom bij het reeds bekende deel van de stad. Ik neem de stad dan zelfs ook veel directer op met alles om me heen in plaats van een situatie, waarbij ik samen met iemand de stad verken. Veel beperkter voel ik me dan in de observatie van alles wat om me heen gebeurt. Niks hoeft, niks moet. Terwijl je bij een nieuwe ontmoeting dan je juist wil bewijzen, zo van: “hé, ik heb ook wat te melden”. Maar eigenlijk is die fase van bewijzen pure onzin. Het zou niet eens moeten, het zou allemaal vanzelf moeten gaan met de juiste mensen om je heen. Van de andere mensen die dat niet accepteren, weet je dan dat je daarmee niet op dezelfde golflengte zit en dat je er ook zeker geen moeite voor moet willen doen. Moeite doen? Op reis?
Gelukkig zijn de mensen die ik tot nu toe ontmoet heb en voor langere tijd mee opgetrokken heb uit hetzelfde hout gesneden. Manon en Jebbe. De ene keer kan ik de clown van de groep zijn, de gangmaker en de andere keer de stille. Alles valt of staat met de mensen die je op het moment om je heen hebt.
Ach ja, een moment van eenzaamheid heeft iedereen wel eens. Echter als je dan juist wel weer vooruit kijkt, wat je dus eigenlijk niet zou moeten doen, voel ik me toch ook weer een beetje opgelucht. Wie weet wie ik morgen ga ontmoeten en wat voor soort relatie bouw ik daar mee op? Hier trek ik me dan in de momenten van eenzaamheid ook uit omhoog. Sommige mensen zeggen: “Edje, je moet gewoon lekker jezelf zijn!”. Toch zou ik sommige punten van mezelf willen veranderen. Wat spontaner. De angst voor vreemden, de angst voor een afwijzing, deze zou moeten verdwijnen.