Occupation Unemployed – De ervaring van vrijheid
Delhi/Kathmandu, 2000
Dag lieve familie en vrienden. Tot over tien maanden. Een traan rolt langs mijn wang. Ik schaam mij niet om ze te tonen. Ik draai me nog één keer om, kijk één voor één de aanwezige personen op Schiphol nog één keer aan en print ze goed in mijn hoofd, de laatste blikken. Een reis vol avontuur, onbekendheden gaat beginnen, een weg vol hindernissen, welke ik zal moeten passeren alvorens een volgend paradijs te bereiken.
De weken vooraf nog even iedereen een laatste keer gezien. Een groep van familie en vrienden verzamelt zich op Schiphol om nog een laatste glas te drinken. Het meest gehoord:”let je wel goed op jezelf!”. In het begin dacht ik waar ben ik in vredesnaam aan begonnen. Na een dag of wat zullen de gevoelen van heimwee en de verlangens naar melk en een balgehakt met gekookte aardappelen en spinazie plaats maken voor een grote dosis avontuur en spanning. De eerste volgende vlucht na Amsterdam-London-Delhi is niet een vlucht naar huis maar verder oostwaarts. Dit is slechts het begin. Ik ga op reis!
Mij wordt gevraagd wat ik voel, de laatste minuten op Schiphol. Wat zeggen je emoties? Weinig laat ik blijken. Echte conversaties komen er niet van aan de paddestoelentafel in de Panorama Lounge in de vertrekhal van Schiphol. Weinig woorden komen over mijn lippen anders dan koetjes en kalfjes. De mobiele telefoon gaat nog een laatste keer over. Een persoon zegt gedag. “Succes hè!”. Dag grote zus, groeten aan Joost en een uitgestoken tong voor Renée. Een vriend roept hardop: “Edwin, speech!”. Bekijk het effe. Dan zouden de Niagara Falls plots second best zijn. Ik wimpel het af onder mom van eindelijk iedereen verlost te zijn. Een paar mensen met erg lange benen staan op aangezien er weinig beenruimte is onder de kleine tafel. Hint hint. 18.15 uur. Op weg naar de douane, een halve cirkel van familie en vrienden vormt zich om me heen. Eén voor één een persoonlijk woordje zit er niet, ik hou het bij een omhelzing.
Op London Heathrow voel ik me een beetje onwennig. Iedereen is weer thuis, ik zit na de eerste vlucht te wachten op mijn verbinding naar Delhi. Het duurt effe. Ik schrijf wat, ik lees wat, ik voel me een beetje emotioneel worden, hier in mijn up, ontmoet ik wel straks mensen, sla ik die verlegenheid wat betreft onbekende mensen van me af?
Een beetje kunnen slapen naast een stinkende vetzak gedurende de vlucht naar Delhi. Het overbekende disembarkment-papiertje invullen en bagage ophalen, welke er wonderbaarlijk al lag toen ik bij de bagageband aankwam. Traveller cheque wisselen en warempel, de dollar doet ook hier zijn werk want ik krijg nu aanzienlijk meer rupees voor de dollar in vergelijking met september. Zodra ik de rupees opberg verdeeld over drie buideltjes, stappen meteen tien mannetjes van hun kruk om hun tourist office van werk te voorzien.”Hé friend, hé friend”, krijg ik vriendelijk doch enigszins dwingend te horen. Ik loop naar de office waar het mannetje gewoon blijft zitten en geen gekke capriolen uithaalt om mij als klant binnen te halen. “Indian Rail Office” meldt het uithangbord. Al hier een treinkaartje voor de volgende dag naar Gorakhpur geboekt, de stopover om naar Kathmandu te komen. Ik wil namelijk meteen door naar Nepal voordat de regen de trails door de Annapurna wegwast.
Ik ben moe en afgepeigerd na de vlucht en ik pak een taxi naar de Paharganj, de tourist area in Delhi. Ik heb ook geen fut meer om af te dingen. Geen hotelnaam genoemd, anders rijdt de taxi naar het hotel van een van zijn ontelbare vrienden, want het hotel van mijn keuze zal wel ‘es “afgefikt” kunnen zijn. Aangekomen bij de Main Bazar in Paharganj, linea recta gelopen naar Hare Rama, daar waar ik in september met Yuri en Bernd regelmatig stiekem cola met rum zat te mixen. Ik stap de lobby binnen en hoor alleen maar Hebreeuws om me heen. Ik zeg: “Hi everybody”. Een matig vriendelijke glimlach valt mij ten deel en de heftige onderlinge conversatie gaat weer verder. “Do you have a single room?”, vraag ik aan de receptionist, een mannetje in een slobberig en vies blauw overhemd, maar wel weer in een nette schone pantalon, waar heel India in loopt. De eerste kamer van de reis, een muf hokje van twee bij twee, met een zwart uitgeslagen badkamer erbij. 190 rupees, zeg maar tien gulden is de prijs. Later blijkt dat deze kamer het minst zijn geld waar was gedurende mijn verblijf in Azië. Ik slaap vervolgens twee uur midden op de dag. Even rondlopen door de main bazar, een schouwspel op zich. Een kleurrijke bende aan jurken, overhemden, koeien die door de straat paraderen en veel te zwaar beladen huifkarren die worden voort getrokken door een op zijn benen trillend mager paardje. Iedereen is je vriend, iedereen heeft de beste souvenirs en iedereen heeft de beste trips naar Kashmir.
“Is it safe to go?” “Sure, sure, no problem! You will stay with family of mine on a houseboat”. “I will think about it”. Eerst naar Kathmandu, denk ik dan. De volgende dag loop ik nog wat over Connaught Place, geniet als altijd van een van de beste dingen welke de Indiase keuken te bieden heeft: Springrolls. Om 19.45 uur vertrekt mijn trein naar Gorakhpur.
Ik zoek een relatief rustig plekje op het overvolle perron waar ik kan wachten. Voor een seconde of wat voel ik honderden ogen naar mij alleen staren. Heel even voel ik mij heel eenzaam in dit grote land ver weg van huis, maar dit verandert snel als ik de trein in mag stappen. In de 8-beds coupe zitten 6 toeristen, inclusief mijzelf en een Amerikaanse dame, Rebecca, ik schat zo’n 26 jaar. Met haar reis ik door, eerst 3 ½ uur in bus door elkaar geschud worden op weg naar Sunauli, de grens met Nepal. Dan aan de andere kant van de grens in Bharaiwar, net in Nepal, merk ik meteen dat het in Nepal een stuk gemoedelijk aan toe gaat. Niet dat getrek en geduw, maar gewoon normaal. Mensen zien er exact hetzelfde uit, dragen dezelfde kleren en hebben dezelfde lichaamsgeur, of misschien nog wel erger.
Als ik daar van het eerste biertje van mijn reis loop te genieten, begint het gevoel te dagen dat ik dingen uit Nederland al mis, de afspraken met mensen, de telefoongesprekken, de vaste dingen op een werkdag. Ik hoop dat dit gevoel snel overgaat. Gelukkig heb ik reeds de eerste persoon ontmoet, zodat ik een beetje op mijn gemak raak. In Delhi voelde ik me eenzaam, durfde weinig mensen aan te spreken en bleef ook het merendeel van de tijd in mijn hotelkamer, wachten op de trein die zal vertrekken. Maar de angst om mensen aan te spreken zal toch echt moeten verdwijnen wil ik het de komende maanden volhouden en het naar mijn zin krijgen. De bus naar Kathmandu vertrekt, de verwachte aankomsttijd: midden in de nacht, maar gelukkig zijn we met z’n tweeën. “Wanna stick together?”, vroeg Rebecca nog aan mij. Of dat duidde op het feit dat ze het zelf fijn vond, of omdat ze zag dat ik net begonnen was en niet precies weet hoe alles in zijn werk gaat, weet ik niet.
De communicatie tussen buschauffeur en kaartjesverkoper is zeer efficiënt. Slaan tegen de ruit betekent: geef gas, je kan er makkelijk langs. Ook al lijkt er in mijn ogen maar een duimbreedte ruimte te zitten tussen de bus en een paaltje welke het einde van de weg markeert. Het einde letterlijk, want daarnaast ligt er een gapend ravijn. Indien de kaartjesverkoper een vogeltje nadoet betekent dat er achteruit gereden kan worden in de hoop dat het naderende verkeer rekening zal houden met de manoeuvre.
De motor sputtert nog wat tegen, de rook dwarrelt er aan de voorkant vanaf en tekent een zwarte dikke lijn langs de ramen van de bus. Met een hels lawaai wordt naar de volgende versnelling geschakeld, de bus heeft bijna de top bereikt van de volgende bergpas. Dan meerdert de bus aanzienlijk zijn vaart en vliegt de bus van de ene bocht naar de andere. Met een smak kom ik tot de conclusie dat het wegdek voor korte tijd even verdwenen was. Ik kijk uit het raam en zie dat we over kiezelstenen rijden, zo groot als honkballen. Hier en daar rollen de stenen van de weg en vallen in een donker ravijn zodra de bus erover heen rijdt. Ik hoor ze alleen niet de bodem bereiken. De deur staat open en kan waarschijnlijk ook niet meer dicht, de nacht doet zijn intrede. Mijn stoel begeeft zich vlak de ingang en het wordt koud in de bus en zo stom als ik was heb ik mijn sweater in mijn backpack gedaan, welke op het dak van de bus ligt. Als het goed is tenminste ligt ie daar nog.
In het holst van de nacht rijden we de buitenwijken van Kathmandu binnen. Diverse gewapende mannen wachten het aankomende verkeer af op diverse locaties. In het merendeel van de gevallen gebeurt er niks behalve een vuile blik in de bus door de ramen, maar twee keer komt er daadwerkelijk iemand met een wapen de bus binnen en begint met de loop van het geweer door de bagage in het bagagerek te wroeten. Op zoek naar illegalen welke zich daar verstopt hebben? Om 4.00 uur lijken we het centrum van Kathmandu bereikt te hebben, de daar aanwezige veiligheidsambtenaren vinden het wel genoeg voor de nacht en letten helemaal niet meer op wat er af en aan rijdt. De straten van Kathmandu zijn als een spookstad, totaal verlaten met overal ijzeren rolgordijnen voor de portiekjes. Later zal blijken dat Kathmandu iedere dag vanaf 18.00 uur langzaam aan verandert van een levendige stad tot een totale verlaten stad. Behalve, het gebied waar ik met Rebecca heen zal gaan, Thamel, net als de Paharganj in Delhi het toeristengebied. Per taxi naar hotel Om Tara, daar had Rebecca van eerder ontmoette mensen positieve reacties over gehoord. Ik geloof het allemaal wel. Na een nacht doorhalen in het vliegtuig, een matige nacht slapen in Delhi met dank aan het Hebreeuwse feestje voor mijn hoteldeur, een nacht in de trein, 3 uur bussen, 3 uur wachten op vervoer naar Kathmandu, gevolgd door een busrit van 15 uur, ben ik op. De volgende morgen in Kathmandu ziek geworden, met dank aan het treinvoer waar mijn maag nog niet gewend aan is.
De volgende morgen wordt mij door diverse hotelmannetjes duidelijk gemaakt dat het vandaag, 6 april, nationale stakingsdag is en dat heel Kathmandu zijn deuren gesloten houdt. Erger nog, er zullen door heel Kathmandu veel protestmarsen gehouden worden. Het is derhalve verstandiger om in de buurt van het hotel te blijven, aldus de hotelmannetjes. Later blijken de protestmarsen weer een goede reden voor terroristische groeperingen te zijn om een aantal politieagenten neer te schieten en derhalve ook vice versa. Durbar Square, in het hart van oud-Kathmandu, is het centrum van de alle ongeregeldheden, Thamel is doorgaans vrij rustig en zo is het ook gebleven vandaag, totaal verlaten. Kathmandu is nu ook overdag de Ghost City van de eerste avond, de kinderen hebben eindelijk vrij baan om te spelen, ze hebben dus de gebeden van Marco Borsato gehoord, maar niet meer dan een handje vol maakt er gebruik van, de ouders houden de kinderen dus ook binnen. Ik banjer een beetje door Thamel, de schaarse straatverkopers die iets aan me willen verkopen begrijpen je hier wel als je zegt “no, thank you”. Ik krijg de eerste Nepali lessen van in het hotel ontmoette mede-backpacker, Karin uit Tilburg.
tot ziens veri fu tollaa
ik heb het niet nodig tsja hi dena
te duur mahango
ober bai (daju) = mannelijk, Bahini (didi) = vrouwelijk
het eten is lekker kana mitho lagio
ik wil het niet cahindaina
niet vandaag aadja hoeena
breng me een ….. …. dinuhos
what’s the hurry ke ko hat pat daai
ok hoen tja
dank je donevad / danjewat
In een moment van rust, waarin mijn gedachten de vrije loop gaan, schrijf ik de volgende tekst:
It’s been a while since I felt this way
To be honest I cannot remember the last time
I have no obligations whatsoever
This will continue for the next ten months
This bird has gone sky high
Flying from one place to another
Where nothing is common
Every step an adventure itself
When I look back in my past
So much joy I left behind
So much to look forward at my return
Such an adventure awaiting
A time to get to know myself
A time to broaden my horizon
A time to forget my aches
A time of joy forever
De volgende dag ‘mag’ ik Kathmandu verkennen van de hotelmannetjes. Met Manon, een backpacker die vijf minuten bij mij vandaan blijkt te wonen (it’s a small world after all) en aan het einde van haar reis van tien maanden zit, Durbar Square verkent, met al zijn tempels, straatverkopers en bedelaars. Vervolgens per benenwagen naar Swayambunath gegaan, een Buddha-tempel, gelegen op de top van een heuvel. Een steile trap leidt ons er naar toe. Terwijl we al totaal uitgeput raken, trachten verkopers ons nog het een en ander aan souvenirs te verkopen. Op de weg terug misschien?
De volgende dag onderneem ik de eerste trip in mijn eentje. Naar Bodhnath, waar de grootste buddhistische stupa ter wereld is gelegen. Voor het eerst zelf uitzoeken hoe er te komen. Per bus of collectivo? Ik zet het op een lopen. Mmm, twee en een half uur later lopend door de buitenwijken van Kathmandu ben ik er. Het dorpje Bodhnath, welke zich heeft gevormd rondom de stupa is grotendeels Tibetaans, vol met vluchtelingen voor wie het leven in Nepal een stuk meer veiligheid inhoudt in vergelijking met een leven in Tibet, waar je gebonden bent aan de Chinese autoriteiten. Dit houdt weer veel negatiefs in voor de Tibetanen, een volk dat eigenlijk een vluchteling is in eigen land, of in Chinese termen op eigen grondgebied. “Religion is poison” zei Mao ooit eens, tot op de dag vandaag betekent het dat de Dalai Lama, niet in het openbaar geëerd mag worden. Sterker nog, bij een eventuele terugkeer naar Tibet van de Dalai Lama hangt hem een onmiddellijke gevangenisstraf voor het leven boven het hoofd, evenals als voor andere Tibetaanse vluchtelingen welke weer teug zouden willen keren. Nu een groot deel van de Tibetanen niet meer in Tibet leeft, betekent het ook dat ze bloot worden gesteld aan Westerse invloeden in sterkere mate dan in een klein dorpje op het Tibetaanse plateau.
In Bodhnath zie ik de monniken dan ook rondlopen met een blikje Coca-Cola in hun handen alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, terwijl diverse Hindi Nepalezen wegwerkzaamheden verrichten. Door naar de monastery van Kopan, welke een ware zoektocht van 45 minuten vergt, grotendeels bergopwaarts. Een zeer kleurrijk Tibetaans klooster, wat me sterk doet herinneren aan Xiahe, China in 1997.
Op de weg terug naar Kathmandu volg ik een andere route en loop ik onder andere langs een boarding school, aldus een uithangbord, maar in mijn ogen lijkt het meer op een gevangenis. Zeer magere kindertjes steken hun trillende handjes door het hekwerk in de richting van een ijscoman, welke op het moment van mijn passeren een ijsje in zijn mond steekt. Mijn eerste gevoel zei me dat ik het hele schooltje had willen trakteren, maar even later bedenk ik mij dat de directie daar niet zo blij mee zou zijn. In een ‘tempo’, een highspeed elektrisch busje wat alleen op aangegeven plekken stopt om passagiers in en uit te laten stappen, terug naar Kathmandu.
Alle passagiers praten intens met elkaar. Mensen die instappen, mengen zich al gauw in het gesprek van de dag en uiteraard zal het gesprek ook over die ene toerist in de tempo gaan. Althans dat maak ik op uit de blikken welke mij ten deel vallen en als ik die blikken beantwoord met een vriendelijke glimlach, volgt een lachsalvo. Met mijn phraseboekje tracht ik mij te mengen in het gesprek, maar mijn uitspraak Nepali blijkt toch nog onvoldoende te zijn. Twee jongentjes zitten aan de achterkant van de tempo, daar waar de mensen in en uitstappen. Ze schieten stenen met behulp van een katapult naar langsslenterende honden. Op jonge leeftijd is het dus al gewoon om honden als slechte wezens te beschouwen.
Terug in Kathmandu blijkt dat Lisa Lou Kinsella, een Engelse dame ontmoet in Shimla in september 1999, ook in Kathmandu is. Morgen hebben we afgesproken. Ik praat de eerste paar dagen veel met Manon. Ook zij ervoer dat het begin flink wennen is, niet weten waar je eigenlijk mee bezig bent. Maar nu na een goede week begin ik te beseffen dat het nu toch echt begonnen is. De laatste snoepwaren zijn er inmiddels doorheen gejast. Ik begin het meer en meer te beseffen dat ik een juiste keuze heb gemaakt door de reis alleen te maken en zelf mijn beslissingen te maken. Na een week kom ik al tot een handvol ontmoette mensen en dat is al meer dan waar ik in eerste instantie op gehoopt had. Manon ervoer ook dat het ontmoeten van mensen je op een gegeven moment aan komt waaien, mits…. mits je er maar voor open staat.
’s Avonds ontmoet ik Nemesh, een Nepalees tienertje welke zeer gecharmeerd is van Karin. Karin ontmoette hem een week of wat geleden en sindsdien is ze niet meer van hem af gekomen. Nemesh wil me zijn geboortedorp laten zien. Ik ben op dat moment een beetje achterdochtig en wimpel het af door te zeggen: “Sure, one day we will go there”.
De volgende ochtend, rond een uurtje of 11.00 uur, ontmoet ik Lisa. Wachtend in de broodjeszaak waar we elkaar zullen ontmoetten, kan ik me haar gezicht niet meer voor de geest halen. Ieder passerend gezicht wordt aan een inspectie onderworpen. Ze had me gemaild dat ze klein was, donker haar had en dat ze waarschijnlijk een groene outfit of blauw-zwarte combinatie zou dragen. Twee dozijnen gezichten passeren, geen een ervan kijkt me aan alsof ik wel eventueel Edwin zou kunnen zijn.
En dan plots: “Are you Edwin? Hi, I’m Lisa!”. Was ik in Shimla zo dronken? Dit gezicht komt me in geen miljoen jaren bekend voor. Maar goed, Lisa is gevonden of beter gezegd ze heeft mij gevonden. Met nog een verscheidenheid van andere nationaliteiten komt eerst een voorstel-conversatie op gang, waarna al gauw een Australiër de hoofdmoot van de tijd vult met zijn ervaringen in Tibet.
Vol emotie vertelt hij over het landschap en over de haat in de ogen van de Tibetanen wanneer een Chinees in het groen in hun blikveld komt. Na een uur of wat maak ik met de groep de afspraak om ’s avonds een hapje te eten ter gelegenheid van een Noorse man. De middag ben ik met niets anders bezig dan informatie over een eventuele trip naar Tibet in te winnen. De prijzen variëren tussen de 750 dollar en 624 dollar. Ik loop terug naar Om Tara, waar ik Manon op het dakterras met een boek aantref. Ik vertel haar over Tibet en vertel d’r dat het altijd een van mijn dromen is geweest om daar heen te gaan. “Da ga je toch!”, zegt ze nuchter. Om nu al, in het prille begin van de reis een dergelijk bedrag neer te leggen, hmmmmm.
’s Avonds begint het echte reisgevoel tot me door te dringen als ik mij in een eetgezelschap bevind van 2 Australiërs, 4 Noren, Lisa uit Engeland en mezelf uit Nederland. Ik bespreek met de Australier mijn wens om ook naar Tibet te gaan, een zevendaagse tour overland. “Just go, it’s worth the money!”. Ik hak de knoop door om inderdaad te gaan. Na nog een bezoekje te hebben gebracht aan de Jump Club, een pooltje gelegd te hebben en voor de tweede keer lam te gaan, waarbij Lisa ook aanwezig is, neem ik om 3.00 a.m. afscheid van het gezelschap. De meeste zullen morgenvroeg Nepal weer verlaten, terug naar India.
Om 3.00 a.m. loop ik in mijn eentje terug door de donkere straten van Thamel op weg naar mijn hotel. In mijn lichte staat van dronkenschap, vergeet ik waar mijn hotel ook al weer ligt. Ik loop door straatjes die me totaal onbekend zijn, terwijl zwervers bij rokende vuilnisbakken me niet echt lief aankijken. Tot overmaat van ramp volgt een hond me terwijl ik tracht uithangborden en namen van guest houses en restaurants te herkennen. De hond begint flink te grommen, het neemt wat vriendjes van hem op sleeptouw, zodat ik al gauw omringd wordt door een stel grommende monsters. Angstzweet breekt uit, bang dat ze me bijten en dat hondsdolheid op me over wordt gebracht. Ik loop de halve wijk door totdat ik terug ben op de plek waar ik afscheid heb genomen van het internationale gezelschap. Ik vraag aan een net ogende man of hij weet waar hotel Om Tara is. Als hij zich omdraait en zijn glimlach toont, blijkt hij meerdere tanden te missen en toch niet echt gedoucht te hebben de laatste paar weken. Hij begint te lachen, ik loop hard door. Een flinke groep zwervers wacht mij op vijftig meter verderop. Ze zien er half stoned uit en daarom heeft het ook geen zin om aan hen de weg te vragen. De hond volgt mij nog steeds, terwijl ik een beetje over straat loop te slingeren. Bochtje links, bochtje recht en dan herken ik het bord waarop gewaarschuwd wordt om geen geld te geven aan zwervers en dan weet ik dat mijn hotel ongeveer vijftig meter verder is.
Vanuit Thamel met Manon naar het noorden gelopen op weg naar Nagarjun Forrest Reserve. Het blijkt verder weg te liggen dan gedacht. We wachten op een local bus voor 30 minuten alvorens deze vertrekt. Na drie minuten rijden worden we bij de voordeur van het park afgezet. We kunnen kiezen uit twee looppaden. Of 30 kilometer haarspeldbochten, of 5 kilometer kleipaadjes, steil omhoog. De kleipaadjes dus. De trail doet me denken aan de minitrekking uit Shimla, dichtbegroeide paadjes, glibberig hier en daar en vooral steil. Maar gelukkig regent het nog niet. De paden veranderen langzaam van nu in half weggesleten trappetjes in rotsblokpaden en dan weer in bospaadjes die met dennennaalden bedekt zijn. Manon loopt voorop als een ervaren Langtang-trekker. Het tempo zit er goed in, de zweetdruppels gutsen als riviertjes over mijn rug. Ik sla wat vliegjes van mijn voorhoofd weg en observeer de nu weer steil oplopende rotspaadjes goed. Stap voor stap plaats ik mijn voeten voor elkaar. Maar net weet ik een ketting van rupsen te ontwijken. Hierdoor glijdt mijn linkervoet weg. Ik grijp naar een tak, welke meteen afbreekt. Een korte weg naar beneden volgt. Even rusten, Rory Gallagher verwent mijn oren, terwijl Manon wat in haar boek leest. Eenmaal na deze droompauze boven gekomen is het een en al pracht en praal met een uitzicht over diverse heuvelruggen terwijl Tibetaanse prayerflags een foto verder versieren.
’s Avonds een hapje eten met Manon, Karin en Noup, een Nepali jongen.
Zijn handen trilden, zijn ogen puilen uit, hij kijkt nerveus om zich heen en haalt zijn handen regelmatig door zijn haar. Hij haast zich met eten en hij vertelt dat hij bang is. Hij is 19 jaar en heeft een drank- en drugsprobleem”
De goedkoopste pakketprijs voor en trip naar Tibet is 624$, waarbij er ook een typisch toeristen-uitzuigerig Chinees prijskaartje hangt aan de vlucht terug van Lhasa naar Kathmandu: 274$ voor een vlucht van 50 minuten. Het was nog een beetje last-minute in verband met het regelen van het visum, maar ik wilde niet nog vijf dagen wachten in Kathmandu totdat de volgende tourgroup naar Tibet vertrekt. Dus het was nu of nooit. Nu heeft het reisgevoel definitief het thuisgevoel verdreven. Nepal is een goede relaxte start geweest. Langzaam aan op gang komen, acclimatiseren in Kathmandu is wat makkelijker dan in Delhi. Relaxte mensen, inclusief de locals, een biertje, een dansje, een pooltje. Het topje van de ijsberg is eraf langs de weg van de geleidelijkheid. Na de beklimming in Nagarjun en zeker na het boeken van de trip naar Tibet is een gevoel van vrijheid ontstaan. Dit is geen vakantie meer. Dit is vrijheid, geen verplichtingen, gaan en staan waar je maar wilt. Het tijdsprobleem is weggenomen. Malai Nepal man parcha, daar waar nee ook daadwerkelijk nee betekent i.t.t. India. Veel mensen hebben zich zeer negatief over India uitgelaten in vergelijking met Nepal. Ik merk dat deze invloeden ook daadwerkelijk zijn werking op mij hebben en verlang eigenlijk niet teug naar India.
De stad is een zwerm mieren,
Ik lijk te verdwalen,
De mieren overweldigen me,
Ik krabbel omhoog, weg uit het nest,
Hoger en hoger, daar waar ik rust heb,
Vrijheid en blijheid veroveren me,
De stad is een zwerm mieren,
Ik ga erin op.
Per elektrisch busje naar Bhaktapur gegaan. Bhaktapur lijkt in veel opzichten op Antwerpen. Het stadje oogt middeleeuw, je loopt van plein naar plein, het leven is er gemoedelijk, met paard en wagen door de stad, nauwelijks auto’s, een kudde schapen doen iedereen op straat lopend, uitwijken naar de zijkanten van de weg. In Bhaktapur is er ook geen smog aanwezig en biedt de ogen daarom wel een uitzicht over de heuvels van de Kathmandu-valley.
Katie, een derdejaars medicijnenstudente uit Engeland, wil wat honden aaien. “I wouldn’t do it, Katie!”. “But I just want to pet them!”. Zodra haar handen richting de doffe vacht van een van de honden gaat, begint de hond in kwestie hard te grommen, waarop Katie meteen weer vijf meter afstand houdt met de hond.
Heerlijk is Bhakatapur! Geen auto’s die je van de sokken rijden, geen smog die je drie keer naar hetzelfde stroompje verse lucht doet happen, de heuvels welke later over zullen gaan in de Mighty Himalaya Range zijn hier wel zichtbaar i.t.t. Kathmandu waar je enkel een grijs groene schim op de achtergrond ziet. Overal kleine straatjes die als een wirwar allemaal uitkomen op het centrale plein waar de enige vijf storey Buddhistische tempel staat, zodanig dat ik en Katie drie keer het stadje rondlopen alvorens we weer een punt van herkenning tegenkomen.
De voorbereidingen op het aankomende Nepali nieuwjaar, 2057, zijn in volle gang. Totempaal-achtigen worden omhoog gehesen, een huifkar welke midden op straat gedumpt lijkt, welke ook op de voorkant van de Lonely Planet staat, wordt versierd. Kinderen spelen erin, eromheen en erop. Een touw is aan de balk bevestigd, en in gebruik genomen als schommel.
Hier hebben de kinderen gewoon tijd om te spelen en hoeven ze niet continu, als in India, te bedelen of andere geldopbrengende activiteiten te verrichten. Ik neem plaats naast een aantal kids bij de voorkant van de kar, daar waar later de beesten worden geplaatst om de kar voort te trekken. Nu zijn er een flink aantal touwen onder gespannen, waar de kids voorzichtig op zitten en een licht schommelende beweging maken. Ik tracht met een flinke afzet een goede schommelsessie te beginnen. Echter het touw is zodanig laag bij de grond dat ik bij de eerste de beste beweging van het hoogste punt naar het laagste punt met mijn kont keihard tegen de grond aankom waar allemaal kiezelstenen liggen, zo groot als sinaasappels. Mijn gezicht geeft de uitdrukking ‘Au’ weer, wat voor de kids natuurlijk weer een reden is om eens hard te lachen.
Een kip krijst, hij wordt het hoofdelement van een feestmaal. Hij wist dat zijn einde naderde, aangezien al zijn vriendjes voor hem onthoofd liggen, midden op straat, en zijn beurt komt snel.
Per tempo reis ik vervolgens door naar Patan. De derde grote stad in de vallei van Kathmandu. De tempo’s zijn allemaal elektrische riksja’s waar een mannetje of tien inpast die allemaal haaks aan de weg zitten. Ze rijden om de zo veel seconden naar Patan vanuit Kathmandu, er staan een hele rij met Tempo’s te wachten totdat die vol zit en dus kan vertrekken. Duidelijk wordt dat Kathmandu als stad erg gemoderniseerd is, ook qua kleding. Een moeder met vetrollen als het Michelin-mannetje, gekleed in een rood-oranje gewaad waarvan de onderkant continu in de modder heeft gehangen en tikka op het voorhoofd (maar wat meer lijkt op een ingeslagen keutel van een laag overvliegende vogel) heeft haar dochter op schoot gekleed in een Levi’s broek en een baseballcap op.
Sommigen hebben smetvrees jegens anderen in de tempo. Als er een onbekende uit de tempo stapt en zijn of haar plek wordt niet door een nieuwe passagier opgevuld, dan bleven de overgebleven passagiers liever zwetend en al tegen de voor hen bekende mensen aankleven, dan de open gevallen ruimte te benutten.
Patan is een miniatuur van KMDU, veel rustiger, nauwelijks toeristen, maar wel smelly en smoggy en hier betaal je bij het betreden van het centrale tempelplein, Durbar Square, een prijs waarbij je de buitenkant van de tempels van dichtbij mag bewonderen. Na een uurtje of wat rond gelopen te hebben, ga ik op een dakterrasje wat drinken met uitzicht over Durbar Square. Ik ontmoet daar een Nepalese man welke maar niet uitgepraat over het toerisme in Nepal, de milieuverontreiniging. Uiteindelijk een compleet marketingplan gemaakt om Nepal beter op de wereldkaart te krijgen.
People I am meeting,
People I am saying goodbye,
A big world to explore
But I miss you my friend, i can’t deny.
Your voice to hear in bad times,
A person who can understand,
There’s so much more to life,
Then just playing along with the band.
Society sometimes gives me the creeps,
I wander in these thoughts of mine,
Seeking for solutions,
To feel this way I have right now all the time.
The mind is changing,
Important things turn opposite,
Life is about seeking freedom,
I hope you can all understand it a bit.
Vreemd om 1 ½ week op 1 plek te blijven. Normaal had ik allang de ‘urging need’ gehad om door te gaan. Korte tijd, dus veel zien, weinig genieten van het moment. Dat heb ik hier wel geleerd in Kathmandu. Met dank aan Manon. Een gevoel van onbeschrijflijke vrijheid heeft zich meester van me gemaakt. Taking things easy!
Happy new year, 2057. Vreemd hoe ze het hier vieren. Live muziek de hele avond, en dan 24.00 een omhelzing met iedereen die je maar tegenkomt maar om 24.15 uur houdt alles op. Waarschijnlijk de echte viering gemist. Af en toe waan ik me in 1989, want overal hoor je de Lambada uit de boxen schallen, zelfs de motorriksja’s hebben het melodietje uit hun claxons komen.
Het hele gebeuren rondom Tibet geeft me een erg vertrouwd gevoel. Je geeft je paspoort bij een of ander sleazy figuur af voor het visum e.d. Niks geen gevoel van wantrouwen, het wantrouwen tegen het onbekende is verdwenen, een heerlijk gevoel wat het reizen ook prettiger zal maken, nu maar niet te goed gelovig worden.
Veel gelezen over Tibet. In het bijzonder over de geschiedenis. De pijn welke de bevolking heeft moeten doormaken, kan ik me niet voorstellen. Dat je religie in een klap wordt verboden en de tempels worden vernietigd, de Dalai Lama die heeft moeten vluchten, de Chinezen die het land ‘even’ overnemen. Met geweren bestrijden ze de gelovigen die zich met hooivorken verdedigen. Welcome back to the Motherland? In dit geval kun je de hoofdletter M beter klein schrijven. Waarom, China? Waarom is religion poison? Waarom meer land, om machtiger te zijn? Tibet is ongeveer 1/6 deel van China. Is dat het? Dan is meer macht een woord zonder betekenis. Zoveel Tibetanen die zo veel leed is aangedaan.
Deze gedachten schieten door me heen, als ik mijn laatste middagje in Kathmandu ben en vanaf het dakterrasje van mijn guesthouse, Om Tara, het leven beneden op straat in de toeri-wijk Thamel gade sla. Ik ben benieuwd hoe ik het straks zelf ervaar eenmaal in Tibet.