Extremen in Tibet

Extremen in Tibet

Tibet – 2000

Om 5 uur in de ochtend gaat de wekker. Ik baan me een weg door ontwakend Kathmandu, de eerste marktverkopers staan hun inboedel weer op straat uit te stallen. Even later begeef ik mij in een busje, op naar de grens met Tibet. De groep bestaat uit een aantal gezellige oudere mensen, twee saaie Franse broers, welke geen interesse hebben om de groep te leren kennen, 1 Deen Jebbe, waarmee ik tijdens de dagen in Tibet veel mee optrek en 1 oldtimer US-hippie look-a-like. Met deze mensen zal ik een week in Tibet doorbrengen. Ik weiger het hoe dan ook China te noemen.

Het wegdek is nog aardig goed te noemen. Langzaam maar zeker komen we in een no-mans land terecht. De schaarse dorpjes worden nog schaarser. We klimmen ook aardig. Ergens ver beneden loopt een riviertje, de eerste zonnestralen kaatsen er van af, zodat ik af en toe ik verblind word. Ik kan nog geen groen van zwart onderscheiden. Een paar kinderen staan met grote emmers water langs de weg. De gedachte dat deze kinderen het water vanaf de rivier naar boven hebben gesleurd doet me walgen enerzijds, maar anderzijds besef ik ook dat het hier noodzaak is. Ieder gezinslid heeft zijn taken om maar brood op de plank te krijgen. Als we over een dam rijden zie ik ook daar kinderen aan het werk. Ze gieten water uit de rivier over de naast de dam gelegen rijstplateaus.

Bij de grens is het wachten. Menig een formulier ingevuld, het duurt ca. 4 uur voordat het groepsvisum is gecontroleerd en de daarop vermelde paspoorten met de individuele paspoorten is vergeleken. Het aansluitend vervoer vanaf daar laat ook op zich wachten. Er is dus tijd genoeg om de laatste Nepali rupees te wisselen in Yuan. De vele Tibetanen bij de grens zijn ook dol op dollars. De hoogst geboden wisselkoers is 1 US$ – 8,2 Y. Deze mensen ogen heel vriendelijk en vinden het heel interessant als je je dagboek ondertussen aan het updaten bent.

De eerste Tibetaanse lessen:
Hello – Tasji Deluh
Thank you – Totusjeeh
Bye – Sjuwaah

In het officiële niemandsland worden we met zijn allen in een veevervoerswagen gepropt. Ca. 20 minuten heb ik het gevoel dat ik aan het waterskiën ben, de weg gaat rap omhoog, al slingerend banen we ons een weg naar de plek waar Tibet officieel begint. “It’s gonna be a bumpy ride, so you better enjoy it” zegt de gids tegen ons. De truck haalt de meest merkwaardige capriolen uit om stilstaande trucks op dezelfde eenbaansbergrotsweg te passeren. Soms met geluk als we aan de bergkant een inhaalmanoeuvre doen, soms is het peentjes zweten als we dezelfde manoeuvre uithalen aan de ravijnkant. “You ain’t seen nothing yet”, zegt een ons tegemoet gereden Amerikaanse toerist, die de weg van Lhasa naar Kathmandu bijna heeft volbracht. Volbracht, dat klinkt als een helse tocht. Maar we kunnen onze borst dus in ieder geval nog nat maken.

Plots stoppen we. Als ik langs de auto kijk om de reden te ontdekken zie ik een gigantische rij trucks stilstaan. Na vijf minuten zegt de driver dat het sneller is om te lopen naar het laatste checkpoint. Hmm, makkelijker gezegd dan gedaan, het bleek achteraf nog een klein uurtje lopen te zijn, met volle bepakking op een flink steil oplopende bergweg. Tijdens dat uur heb ik geen enkele beweging gezien bij de wachtende colonne van trucks. Als we ons met volle bepakking een weg omhoog banen, worden we aan alle kanten voorbijgelopen door Tibetanen welke ca. 4x de bagage met zich mee zeulen dan wat wij dragen. Er passeren mij bergopwaarts zelfs 2 Tibetaanse jongens met allebei een wasmachine op de rug. Ik moet wat aan mijn conditie doen! Bezweet kom ik aan bij de douane. Weer een tigtal formulieren moeten invullen.

De Tibetanen ogen heel vriendelijk, het land heeft dus niks voor niks de bijnaam de Land of The Eversmiling Faces. Rondom dit grensgebied zijn veel Chinezen in ‘groen’ aanwezig. Ambtenaartjes, in mijn ogen nog steeds volgers van het Rode Boekje van Mao. Ze hebben een arrogante houding zo van China is alles. Wil je Tibet in? Geen probleem, maar wel vet dokken! Als ik met Tibetanen praat, kijkt er ook altijd wel een Chinees over mijn schouders mee. Alsof ik geen geheime informatie doorgeef. Nog steeds mogen eenmaal geëmigreerde Tibetanen niet terugkeren naar hun land, Tibet. Indien ze dit wel proberen, zullen ze zonder pardon in het gevang worden gegooid. Voor de Dalai Lama geldt min of meer hetzelfde. De huidige Chinese president, Deng Xia Ping heeft hem een mooie ‘functie’ beloofd in Beijing. Hmm, functie. Hij zal dan zeker niet meer zijn functie van geestelijk leider mogen uitoefenen, want religion is poison.

Ik praat met een Tibetaan. Hij praat gebrekkig Engels, ik gebrekkig Chinees. Maar gelukkig kan ik mij met het aanwijzen van karakters uitdrukken. We begrijpen elkaar, we leren van elkaar, ik Tibetaans, hij Engels, we lachen met elkaar. Maar die lach verdwijnt zodra een persoon in groen passeert. De eeuwige glimlach, maakt meteen plaats voor een blik van haat. Ook in de kleinere dorpjes op weg naar Lhasa, de verboden stad, waar mensen in groen veel minder sterk aanwezig zijn (welke Chinees wil nu in een dergelijk gat vertoeven? geen een, de Tibetanen wel, dus….?) blijkt deze vorm van onverdraagzaamheid sterk aanwezig te zijn.

Eenmaal alle formaliteiten in de vorm van papierwerk afgehandeld, vertrekt het gezelschap in twee 4WD’s naar de eerste Tibetaanse aanlegplaats, Nyalam. Direct nadat iedereen een plekje in een van de jeeps heeft gevonden, gaat de weg supersteil omhoog. Op naar het plateau van Tibet dus. In een enkele dag stijgen we van 1300 meter in Kathmandu, naar 5.000 meter, het plateau. Op deze hoogte zullen we komende dagen verblijven. Af en toe iets hoger, als we een bergpas hebben bedwongen, de dorpjes waarin we overnachten liggen over het algemeen iets lager. We stoppen weer. We sluiten achteraan in een file van trucks die allemaal omhoog willen op dezelfde veel te smalle weg, die ook wel de Friendship Highway wordt genoemd. Not much of a highway, but what do you expect? De Franse broers worden ongeduldig, ogen zeer ongemakkelijk. Als ik de jeep uitstap, zie ik hoe dez enorm slang van enkele tientallen jeeps in een fraaie slinger bergopwaarts stilstaat. Een tegenligger zorgt er voor dat iedereen in een onmogelijke positie wordt gedwongen. Vandaar de file. Een uurtje of twee staan we stil, de zon gaat langzaam onder. De kou doet zijn intrede, mijn sweater heb ik deze keer wel op een ‘easy-to-reach’ plek in mijn daypack gestopt.

We rijden weer. Nog 35 km naar Nyalam. “About two hours”, aldus de driver. Zo’n 4,5 uur later arriveren we daadwerkelijk in Nyalam. Het sneeuwt, het is koud en donker. Ik ben in Tibet. Vooralsnog nog geen last van de hoogte. Hiervoor werd van tevoren wel zwaar gewaarschuwd. “Take it easy. Do not exert yourselves”, stond uitdrukkelijk in de brochure vermeld.

De eerste nacht slaap ik totaal niet. Niet door de hoogte, maar de lage bastonen veroorzaakt door een snurkende medetoerist, hier en daar afgewisseld met een bout. En de druppel op de gloeiende plaat was een kudde honden die me de hele nacht wakker houdt met hun gezang. De volgende ochtend stappen we met zijn zessen in de 4WD. Ik met Mel op de voorste stoel, eigenlijk geschikt voor een persoon, maar ruimte gebrek maakt het noodzakelijk dat de twee kleinsten, lees de twee minst gezette personen, die stoel delen. Achteraf zitten de drie personen achterin nog krapper, maar ik had me voor het neergetelde geld wel iets meer ruimte voorgesteld. Na een tijdje denk ik er niet meer over na, mijn pijnlijke rug zorgt ervoor dat ik aan andere dingen denk (lees: verlang), de volgende stop.

Gelukkig zijn de vergezichten onderweg adembenemend. Hierdoor ebben mijn gedachten omtrent mijn pijnlijke rug heel snel weg. Plots stoppen we op de korrelrotsige weg, een hoop vlaggetjes wapperen vrolijk in de wind. We stappen uit, het is koud, it’s fucking freezing. De driver zegt dat dit het hoogste punt is wat we zullen bereiken, 5.220 meter. Hij adviseert ons om zo rustig mogelijk te blijven, niet rond te gaan dartelen en vooral om rustig te blijven ademen. Dit laatste vormt nog de grootste opgave. “If you have no problem here with oxygen, you will be fine”, zegt de driver. Mel, een oudere Deense man en een van de Franse broers ogen het toch wel moeilijk te hebben met het zuurstofgebrek en klagen over een aanhoudende hoofdpijn. De driver adviseert ze om weer in de auto te gaan zitten. Dan hoeft je lichaam zich in ieder geval niet aan de kou aan te passen. Na nog een paar uur rijden stoppen we weer. De driver wijst op een berg in de verte, die van die afstand een beetje vrij lijkt te staan, aanzienlijk hoger dan zijn broers en zussen naast hem. Hij laat zich kenmerken door een duidelijke zichtbare spleet en laat zich de Mt. Everest noemen.

We rijden gestaag door, door het schitterende landschap. De bergen lonken op de achtergrond. De weg is nagenoeg vlak, eens in het uur moeten we een bergpas oversteken en steken we boven de 5.000 meter uit, de rest van de rit blijven we rond de 4.500 meter hoogte rijden. Zelfs hier in de middle of nowhere, met af en toe een dorpje of beter gezegd een nederzetting van drie huisjes, staan er Chinese controleposten gepositioneerd die iedere keer maar onze visa en paspoorten willen doorsnuffelen. Het nut hiervan zie ik niet in, maar het houdt de mensen aan het werk. Eeeeh.. Mao? In de verte komt ons een stofwolk tegemoet. De wolk breidt zich rap uit. Al gauw heeft deze een omvang welke breder is dan de dirtroad waarop we rijden en stijgt als een speer de lucht. Als de wolk ons bijna genaderd is, blijkt er zich een yak met wagen in het centrum van de wolk te bevinden. Als deze ons passeert zie ik dat de yak versiert is met klederdracht compleet belletjes en vaantjes. De bestuurder zelf gaat gekleed in kleren gemaakt van huiden. Een Tibetaanse levensfilosofie zegt dat de bewoners van het Tibetaanse land, geen enkele vorm van dieren mag kwetsen, pijn doen, laat staan doden. Dus ik mag aannemen dat het beest waarvan de huiden afkomstig zijn, al gestorven was. De man begroet ons met een overweldigende glimlach: hij verwelkomt ons in zijn land.

We rijden weer door, passeren nog een paar controleposten.We zullen de nacht doorbrengen in Lhatse, wederom een dorp van weinig omvang. Er zijn al wel wat typische Chinese gebouwen neergezet, of beter gezegd te moderne gebouwen om Tibetaans te kunnen zijn. Vierkanten boxen, met een buitenwand van badkamertegels en spiegelramen zodat niemand naar binnen kan kijken. Veel Tibetaanse kinderen dwalen door de straten en bespringen de groep toeristen welke in het dorpje zijn nachtslaapplaats heeft gevonden. Stuk voor stuk zien ze erg onverzorgd uit, de haren zitten door de war, het gezicht zit verborgen onder flinke laag vuil, de tanden staan schots en scheef en hun kleren vertonen meer gaten dan stof.

Als ik door het dorpje loop en eenmaal bij het laatste huisje aangekomen naar de horizon kijk, zie ik de schitterende Himalaya op de achtergrond. Dan voel ik me heel me heel klein een mens te zijn. Heel machteloos tegen het schitterende maar tegelijkertijd ook meedogenloze natuurgeweld. Meer en meer besef ik dan ook hoe verantwoordelijk de driver is voor onze levens. Op de vele bergpassen kan ik uit het raam kijkende niet zien waar de weg stopt. In plaats daarvan kijk enkel recht het gapende ravijn in. Oftewel, de driver moet toch wel een set flink getrainde zenuwen hebben.

De weg vervolgt zich verder in de richting van Lhasa, na wederom een korte nacht. Ook in deze uithoek van China, Tibet heeft de Chinees zijn karaoke set meegenomen. Een achtergrondkoor van honden speelde tweede tot en met vierentwintigste stem.

We gaan op weg naar Shigatse, de eerste echte plaats van enige omvang op het Tibetaanse plateau. In the middle of nowhere mindert de 4WD af en toe vaart, een heuse drempel doet de driver voorzichtig aan doen met het bedrijfseigendom. Bij het binnenrijden van Shigatse blijkt meteen dat het in twee gedeeltes is ingericht. Het moderne Chinese gedeelte, waar ons guest house ligt en het arme Tibetaanse gedeelte. Nog steeds geen last van AMS, acute mountain sickness gehad. Vanaf deze plaats zullen we alleen maar meer richting zeeniveau gaan. Het ergste (?) hebben we achter de rug.

Het eten in een restaurant doet me weer denken aan de typische Chinese gerechten. Fried noodle with chicken bestel ik. Samen met Jebbe waag ik het zelfs om een biertje te drinken, iets wat ten sterkste wordt afgeraden op hoge hoogtes. Zodra de ober mijn bestelling heeft doorgeven aan het keukenpersoneel, klinkt er een afschuwelijk gekrijs van achter. Kan ik er nog fried noodles with vegetables van maken?

Een reis van Kathmandu naar Lhasa is niet alleen rozengeur en maneschijn. Je moet er wel wat voor over hebben. Een pijnlijke kont van de vele hobbels in de weg, op de bergpassen is het zeer koud, een steeds meer opzwellende hoofdpijn, koude nachten ondanks twee dekbedden, douchen kan alleen met ijskoud water, de meest vieze toiletten ooit gezien. Maar dat is niks vergeleken met de voldoening welke ik er uit haal door de fantastische vergezichten, de nieuwe cultuur welke ik langzaam maar zeker begin te leren kennen en het gevaar van de vele afgronden. Als de auto er aan voorbij rijdt, zie ik de kiezels er in vallen, maar ik kan niet zien waar ze de bodem raken. Een tegenligger is de grootste adrenaline van allemaal, als de driver zo dicht als mogelijk tegen de rand van het ravijn rijdt, zodat de tegenligger kan passeren. De twee wielen aan de ravijnzijde verliezen langzaam maar zeker grip op de weg. Mijn ogen staren op dat moment alleen naar de diepte, hoe diep kunnen we vallen. Blij als ik ben als we weer op het plat rijden, zodat mijn ogen weer naar de horizon kunnen staren en genieten van de 8.000+ meters pieken. Pas dan besef je hoe nietig je bent.

In Shigatse wordt de eerste monastery bezocht. In een van de kamers zijn de tekens van de Chinese Revolutie nog duidelijk zichtbaar. Over wat, zo lijkt Buddhistische muurschilderijen, is rode verf heen gekwakt. In de restaurants zie je ook alleen maar portretten hangen van de huidige Chinese president, nergens is meer een beeltenis te bekennen van de Dalai Lama. We werden van te voren ook gewaarschuwd om vooral geen beeltenissen van de Dalai Lama mee te nemen, daar waar de Tibetaanse bevolking het meest verguld mee is. Echter, het boek van de Dalai Lama bevindt zich onderin in mijn backpack met zijn foto op de cover. We werden ook gewaarschuwd om vooral geen woord te reppen over de Panchen Lama, gezien zijn recente vlucht eerder dit jaar naar Dharamsala in India, waar ook de Dalai Lama woont, sinds zijn vlucht uit Tibet in 1959. (http://tibet.nu/site/Tijdsbalk.html).

We lopen door het monastery complex. De straatjes van het complex gaan kriskras omhoog en omlaag. Een zware taak daar we ons op 4.000 meter hoogte begeven. Na vijf minuten van lopen voel ik mijn benen enorm tintelen. Alles begint een beetje te draaien. Mijn hoofd zegt dat ik even moet zitten, mijn benen lopen door. Een groep honden komt in mijn blikveld. Twee honden lijken met elkaar wild te spelen, maar even later hoor ik een van de honden krijsen en druipt af. Op de plek waar de overige honden nu rustig wat eten, ontsiert een plasje bloed de stoffige straathoek. Mijn ogen bemerken ook diverse passerende gezichten. Op “tashi dele” reageert niet iedereen even vrolijk. Gelukkig ben ik niet de enige die het even zwaar heeft met de hoofdpijn. We gaan met zijn allen even zitten. Na een minuut of vijf adem ik weer rustig en zijn alle kwaaltjes van even daarvoor verdwenen.

De trip vervolgt zich naar Gyantse. Die oochtend moet ik toch echt de prijs voor het biertje en/of het in slecht frituurvet gebakken eten van de avond ervoor betalen. Koppijn, duizelig, buikpijn en uiteindelijk ook nog overgegeven. Terwijl de groep zich in de middag naar een volgens klooster begeeft, blijf ik achter in het hotel om te rusten. De driver zegt het een verstandige keuze is geweest en dat als ik het de middag rustig aan doe, het ’s avonds weer beter zal gaan. Een uurtje nadat de groep het guest house heeft verlaten besluit ik een douche te pakken. Eindelijk weer warm water. Al gauw staat het douchehokje vol me stoom. En dan opeens voel ik me alsof door een steen op mijn achterhoofd getroffen. Iedere seconde voel ik een nieuwe schok op mijn hoofd. Wat gebeurt hier? Nog een klap. De pijn zorgt er voor dat ik in een krimp van de pijn, mijn bovenlichaam tegen mijn benen aan. Het gaat niet over. Ik doe de douche uit, trek mijn kleren aan, ik ben nog nauwelijks afgedroogd. Ik schop de deur open van de douche. Baan me met ontbloot bovenlijf een weg naar de kamer. Ik laat me zowat vallen op mijn bed. Ik krimp weer in een, de pijn gaat niet weg. Er is niemand om me heen. Ik begin te draaien op mijn bed, sla op mijn kussen, duw mijn rugzak van mijn bed af. “Ga weg, ga weg”, schreeuw ik. Het gaat niet over.

Ik heb het ijskoud, dan weer bloedheet. Dit gaat zo een uur door. Ik hoor Jebbe binnengekomen. Nog voordat ie me goed heeft aangekeken, ziet hij dat het mis is. Ik gil, ik zweet, draai zenuwachtig van mijn zij, naar mijn rug en weer terug. Hij haalt snel de gids erbij. Hij kan niks meer zeggen dan dat ik moet relaxen. Hij haast zich weg, op weg naar de dokter. Na een klein kwartier komt hij terug met een dokter. Welke AMS en onderkoeling constateert . Ik krijg vier verschillende pillen voorgeschreven. Ik slik ze volgens de door de gids vermelde dosering, welke op het doosje uiteraard alleen in het Chinees staat. ‘Relax now’, zegt de gids. Na nog een uurtje voel ik me wat beter. Dus dit is Altitude Sickness, dit wil ik nooit meer meemaken.

Een dag later voel ik me haast weer een mens. Ik voel me nog wel duizelig, ik heb nauwelijks honger en bovenal: ik heb nog steeds een lichte vorm van hoofdpijn. We gaan aan de laatste rit beginnen. De laatste uren, op naar Lhasa, de verboden stad. We rijden nog langs een meer welke mijn ogen zo als nooit te voren verwennen. De achtergrond is grijs, niks dan grijs. Het kloppend hart van dit landschap is een turquoise meer, Yamdruk Tsjo. Als ik op een rots ga zitten en uitkijk naar het nooit eerder aanschouwde contrast, voel ik me intens gelukkig. Waar eindigt aarde, waar begint de hemel, ik weet het niet.

Plots houdt het gewiebel van de auto op, we rijden op een geasfalteerde weg. De laatste 60 kilometer naar Lhasa. We steken de Brahmaputra rivier over. Een kolkende watermassa welke zich een weg door Tibet, India en Bangla Desh zal banen, waar ze het hart vormt van de grote delta in het zuiden van Bangla Desh. Mede door toedoen van deze rivier, stroomt Bangla Desh eens per jaar, als de moesson is gearriveerd, voor een groot gedeelte over.

Er is ringweg om Lhasa! Niet te geloven, in het hart van Tibet. Het eerste wat mijn ogen bemerken van de stad zijn de grote moderne gebouwen a la Beijing. Waar is Tibet gebleven? Mijn ogen gaan op zoek naar de Potala. Dit zou hoog boven de stad moeten uittorenen. Nerveus beweeg ik in de auto om de eerste beelden ervan op te pikken. Ik bespeur alleen maar meer moderne gebouwen. In de stad zelf zijn er veel brede boulevards aangelegd. De vele mensen op straat maken het noodzakelijk verkeerslichten op te stellen. De mensen zijn netjes gekleed, zoals ik me dat kon herinneren van de reis naar China in 1997. Ik blijf continu om me heen kijken en dan plots torent de Potala recht voor me uit. Een overheersend wit paleis met een bruin gedeelte, precies zoals ik me van een foto op het internet kan herinneren. Het is groter, veel groter dan verwacht. De Chinese vlag wappert er recht voor. Hoe onrechtvaardig kun je zijn?

We slaan een straat in, we komen in het Tibetaanse gedeelte, althans zo lijkt. Veel leven op straat, veel marktkraampjes, rommel op straatjes, riksja’s trachten zich te mengen tussen het gemotoriseerde verkeer en klakkeloos overstekende honden. Op diverse straathoeken roken vuilnisbakken, waaromheen mensen in flink beschadigde kleding staan. Letterlijk: een hoekje om en ik begeef me in een totaal andere wereld.

Het hotel in Lhasa is perfect. Zeer vriendelijke Tibetaanse eigenaar, zingende kamermeisjes, een bad en TV! Een eerste wandeling door de stad heeft zo zijn up en downs. Een flesje fris blijkt minder te kosten dan dat ik dacht gehoord te hebben, de verkoopsters rent me achterna om me mijn wisselgeld te overhandigen. Wel krijg ik een straatje verderop de meest vasthoudende bedelaar aan mijn mouw. Als ik eenmaal mijn hotel weer wens in te stappen, is hij zeer snel vertrokken. De haat voor Chinezen is hier heel goed voelbaar. Op het ene moment ben je met een wederzijdse lach over een prijs van een souvenir aan het onderhandelen, het andere moment draait de Tibetaanse vrouw zich om en kijkt met meer haat dan dat ik ooit heb kunnen ervaren naar een Chinese politieagent, welke ook moet patrouilleren in de Tibetaanse wijk. De zo mooie glimlach van de vrouw is verdwenen. Haar ogen volgen iedere pas welke de Chinese agent maakt, totdat deze uit haar blikveld is verdwenen. Vluchten uit Tibet is geen optie. De mensen houden te veel van hun land, hun stukje aarde, hun land. Het stukje van de wereld wat alleen zij kunnen onderhouden met hun specifieke landbouwtechnieken. De gids vertelt over de straf welke er staat op een poging tot ontsnappen uit Tibet: 7 jaar gevangenisstraf. Maar een aantal Tibetanen probeert het wel, in de hoop in India een beter leven te kunnen beginnen. De beste tijd van het jaar om het te proberen is hartje winter, als de Himalaya passen alleen voor echte doorzetters overleefbaar zijn. De controleposten welke de Chinezen hier hebben geplaatst, zijn dan grotendeels onbemand, omdat de politiek ervan uitgaat dat toch niemand het overleeft. Nu, de Dalai Lama is het op deze manier wel gelukt, evenals onze gids. Hij heeft Engels gestudeerd in India, om later terug te keren in de toeristen industrie in Tibet, een van de weinig takken van werk met voorspoedige uitzichten op een weg uit de armoede als je in de stad woont. Hij heeft wel zes maanden ervoor in de gevangenis moeten zitten. Nu vaart hij er wel bij. Een ongelooflijke opoffering op een betere levenssituatie met alle levensgevaarlijke situaties van dien. Nu is hij een blij en gelukkig man, hij kan zijn gezin onderhouden en is zeer vrijgevig voor de armen in Lhasa, zij die het niet kunnen maken.

De Potala geeft perfect het gevoel weer van de Tibetaanse onderdrukking. Deprimerend! Het hele paleis is een groot museum geworden, waar vele honderden toeristen zich dagelijks vergapen aan een de haast lege kamers van het paleis. Hier en daar een meubelstuk, de religieuze voorwerpen zijn vernietigd, de waardevolle objecten op een ‘veilige’ plek ondergebracht. Een wachtrij voor de WC, een bar in een van de kamers, de Chinezen varen er wel bij. Ik wou dat ik nooit naar binnen was gegaan.

De Potala staat in het Chinese gedeelte van de stad. Op oude ansichtkaarten is duidelijk te zien dat de stad vroeger ver beneden het paleis lag. Een beekje en een weide vormden de afscheiding tussen paleis en stad. Nu echter, raast een brede klinkerboulevard voorbij aan het paleis. Een agent staat op een verhoging midden op een kruispunt ervoor om het verkeer in goede banen te leiden. Een foto maken van het paleis zonder daarbij de Chinese vlag er in op te nemen in niet mogelijk.

Het Jokhang, de meest heilige monastery voor de Tibetaanse bevolking staat nog wel in het Tibetaanse gedeelte van de stad. Ooit bruut platgebombardeerd toen een groep van meer dan tienduizend Tibetanen er hun toevlucht in zochten tijdens de Chinese invasie, in de hoop dat de Chinezen genoeg hart zouden hebben om het Jokhang te sparen als hun meest heilige oord.

Helaas. Nu is het Jokhang opnieuw opgebouwd. Voor de ingang voeren enkele tientallen Tibetanen hun gebeden op, ter ere van de Dalai Lama. Ze klappen een dekentje recht voor zich uit. Ze staan, ze vouwen de handen in een, ze gaan vervolgens op hun knieën zitten en bewegen hun lichaam naar voren zodat de buik plat op de grond komt te liggen en de benen gestrekt. Hierna staan ze weer op. Dit ritueel herhaalt zich vele malen.

Drepung Monastery, een tempel welke ook mocht blijven bestaan, alleen zijn ook hier de Buddhistische schilderingen op de muren beklad met Chinese tekens. Als ik vraag aan de guide om de betekenis er van zegt ie “Long live Mao”, en loopt snel door. Hiermee laat ie blijken dat hij er niet blij mee is. Understatement. Mao’s hoofd staat boven de karakters geschilderd. De kleine, steil oplopende weggetjes vormen weer een helse inspanning. Evenals als de Tibetanen, welke diverse wegwerkzaamheden uitvoeren terwijl de Chinezen rustig toekijken, ben ik al gauw weer buiten adem. Alleen, ik krijg wel de tijd om even op adem te komen.

Enige bijzondere situaties van het alledaagse leven in Lhasa:

“Ze zit op de grond, met in haar hand wat Yuan-biljetten. Haar haar zit door de war, haar jurk is smerig. In haar armen houdt ze een zuigeling vast aan haar borst. Ze gilt wat onverstaanbare woorden naar een kind, welke tien meter voor haar staat. Het kind kijkt rustig om zich heen, ze heeft de duim in haar mond en lijkt zich van het geschreeuw van de vrouw niks aan te trekken. Het kind maakt vervolgens een paar passen in de richting van de vrouw, welke hierop reageert met nog luider geschreeuw. Een aantal bakstenen worden in de richting van het meisje gegooid. Het kind schrikt en rent naar een groep toeristen twintig meter verderop. Al jammerend ‘mannie, mannie’, trekt het meisje aan alle westerse broekspijpen met een gemaakte glimlach op haar gezicht. Zodra het meisje geen gehoor vindt bij de toeristen, verdwijnt de glimlach als sneeuw voor de zon en zet ze weer pas in de richting van de moeder. De moeder reageert met een wegwerpgebaar”.

“’s Avonds een hapje eten met Jebbe. Een beetje tv kijken, CNN kan ontvangen worden in Lhasa. Plots verschijnt de Dalai Lama in beeld. Een serveerster, welke net een tafel had afgeruimd, laat de hele handel spontaan uit haar handen vallen. Scherven brengen geluk, zullen we maar zeggen. Ze schreeuwt wat naar de keuken, die in een mum van tijd leeg is gestroomd. Iedereen gaat in een halve cirkel om de tv staan. Ze luisteren ademloos naar wat deze man te zeggen heeft, terwijl ze continu de handen gevouwen houden”.

“Bedelend met tranen in zijn ogen, zijn gezicht vertoont nauwelijks meer schone plekken, het snot bungelt uit zijn neus. Hij wijst een blikje coca cola aan. Een momo lijkt me beter voor je”.

We staan de volgende dag om 5.00 am op om het vliegtuig naar Kathmandu te pakken. De situatie op het vliegveld is chaotisch. Op het ticket staat vermeld dat 1 uur voor vertrek de loketten sluiten. Echter, 23 minuten voor vertrek staat ¾ kwart van de mensen nog in de rij voor de airport tax te wachten, en dat betreft slechts rij 1. Bagagecheck, X-ray check en check in volgen nog. Bij de paspoort check treft een Chinese douanier de ‘cancelled’ stempel van mijn visum voor China in mijn paspoortaan. Dit visum heb ik reeds getracht te regelen in Den Haag voor vertrek, echter 6 maanden vooruit stempelen bleek toen onmogelijk te zijn. En nu moet ik lullen als Brugman om ze ervan te overtuigen dat ik op een groepsvisum in Tibet ben gekomen. Het duurt even…

Dan is het wachten totdat de deuren open gezwaaid worden welke de toegang naar het vliegtuig nog versperren. Een oud mannetje geeft dan het verlossende woord, we mogen door. Echter, vlak voordat we de vliegtuigtrap willen bestijgen, worden we tegengehouden door een Chinese wiens haar aan zijn hoofd met gel gelijmd zit en wiens ogen door een donkere zonnebril verborgen blijven. Deze gangster geeft het oude mannetje de volle laag, de oude man interesseert het niet wat ie over zich heen krijgt. Wat bleek, de Tibetaanse schoonmaaksters hebben het vliegtuig nog niet proper gemaakt. Eenmaal airborn geniet ik van het fantastische uitzicht. Lhasa eenmaal verlaten, verandert het landschap van kale heuvels en rotsen naar mighty peaks. Vreemd om te bedenken dat mensen zich door dat barre en koude landschap een tocht op leven en dood wagen om vrijheid te bereiken. Hoe veel leed wil je ontlopen? Een uurtje later ben ik terug in Kathmandu. Het lijkt een maand geleden, maar het is slechts een week.

Plaats een reactie